Ga op pad met onze City Walks!

Een impressie van Florence

Florence, de hoofdstad van Toscane, de bakermat van de Renaissance… Elk jaar trekken honderdduizenden toeristen van over de hele wereld naar deze stad om de Duomo van Brunelleschi te bewonderen, over de Ponte Vecchio te lopen en de meesterwerken van Leonardo da Vinci, Sandro Botticelli en Michelangelo op foto of film vast te leggen.

Als inleiding op een warme meimaand over Florence en Florentijnse zaken vandaag een fragment uit Hella Haasses Klein reismozaïek. Italiaanse impressies, dat ze in 1953 tijdens een bezoek aan Italië optekende.

‘Op weg naar Fiesole verdwalen wij in het heuvelland buiten Florence. Een smal pad, telkens gekruist door een beek, kronkelt tussen steenachtige akkers en cipressenbosjes. Magere kippen scharrelen op de berm. Op een muurtje voor een boerenhuis, een vrijwel raamloze steenklomp, zit, in de schaduw van geboomte, een groep vrouwen en kinderen te borduren aan een van die met kloskant en naaldwerk versierde kleden die in de Florentijnse winkels hooggeprijsd te koop liggen. Hun blote voeten, grijs van stof en gedroogd slijk, zijn bedekt met pakpapier, opdat de neerhangende plooien van het linnen niet groezelig zullen worden. Een jongetje van een jaar of tien, in een ouderwetse boezelaar gekleed, trekt met het gebaar van een deskundige de draad door het weefsel. Wat hij daar maakt is een kunstwerk, een patroon van bloemen en ranken in reliëf op een oppervlakte van enkele vierkante decimeters. Als wij naar de weg vragen, kan alleen dit jongetje zijn spot en verbazing om ons uiterlijk, optreden en gebrekkig Italiaans niet beheersen. De anderen luisteren koel afwerend, zonder ons aan te kijken, en geven na onderling overleg korte antwoorden: Dit is niet de goede weg. Waar dan wel? Zij weten het niet. Daar ergens, beneden. Links, nee rechts, nee misschien toch links. Zij weten het niet.

Het proestende kind wringt zich in bochten, in een vergeefse poging weg te duiken achter het kleed. Ieder woord, ieder gebaar van ons bezorgt hem een nieuwe lachkramp. Wat doe je ook op dat hete stoffige weggetje onder de rook van Florence als je geen kip bent, geen geit, geen blootsvoets bordurende contadina. Wat de vrouwen denken, kan ik wel raden: toeristen horen in de toeristenstraten, in de Via Ricasoli of de Via Cavour, waar ze lires, veel lires mogen neertellen voor de kleden die wij hier tegen een bescheiden dagloon zitten te maken. Als we de weg teruggaan, klinkt achter ons het geluid van een oorveeg en van scherpe terechtwijzingen.

De kille bonte pracht van het Palazzo Pitti. Eindeloze zalenreeksen: parketvloeren, spiegels, kristallen luchters, vergulde tafels en stoelen, bedekt met brokaat in telkens andere pronkdessins, karmozijn en pauwblauw, groen en turkoois en topaasgeel en ivoorwit, beschilderde plafonds, met goud beslagen deuren, gobelins en oude meesters, marmer en brons en marqueterie. Niets geeft een zo sterke indruk van de troosteloze verveling, de tragiek van vorstelijke staatsie als juist deze verblindende praal in het oude paleis van de Groothertogen van Toscane, een mausoleum, door neergelaten vergeelde gordijnen beschermd tegen de middaggloed daarbuiten.

Florence bij avond. Ghiacciata con caffè drinken in een van de buitenrestaurants op de Piazza della Repubblica. Geen van de ijzeren klapstoelen blijf onbezet. Achter de rijen boompjes in potten die de grens tussen trattoria en plein markeren, luisteren voorbijgangers in drommen naar de muziek: een orkest, dat elke avond andere dilettanten in de gelegenheid stelt aria’s uit bekende opera’s te zingen. Het publiek kritiseert, met kreten, gefluit, applaus, gelach. Op de piazza staan open huurrijtuigen te wachten op een vrachtje, voor een toerrit naar de San Miniato of de beschaduwde alleeën op de andere oever van de Arno.

Driemaal het Laatste Oordeel: drie eeuwen, drie opvattingen. In het Baptisterium, in goudglanzend mozaïek in de koepel hoog boven onze hoofden, een streng symmetrische, nog haast Byzantijns-vormelijke compositie, vermoedelijk van Cimabue: Christus, de rechter, omringd door ordelijke rijen engelen en heiligen, oordeel sprekend op de Dies Irae. Links de verdoemden, rechts de uitverkorenen, beide groepen even strak en statig, hoofs beheerst, met passieve gezichten, gestileerde gebaren, in onberispelijk geplooide gewaden. De voorstelling is een hulpmiddel, een soort van ezelsbrug voor de gedachten van de toeschouwer. De aanduiding van goed en kwaad, en Christus’ waarschuwend geheven hand zijn voldoende. Iedereen beseft waar het om gaat.

Dan, in de Santa Maria Novella, met middeleeuwse grondigheid en naïviteit, het fresco van Nardo di Cione in de Strozzi-kapel. De schilder heeft geen moeite gespaard om te doen uitkomen hoe bovenmate zalig de gelukzaligen, hoe reddeloos verloren de verdoemden zijn. De hel is een illustratie van Dantes hel. De naakte zielen van de zondaars, fragiele, wat houterige bleke poppetjes, zijn ondergebracht in streng van elkaar gescheiden hellekrochten, als loopgraven; op banderolles staan vermeld de categorieën waartoe zij behoren: godslasteraars, echtbrekers, verraders, hovaardigen, er is zelfs een hoekje gereserveerd voor lieden die niet van kunst houden.
In de octagonale koepel van de Duomo tenslotte, de reusachtige zeventiende-eeuwse schildering van Vasari. Een bonte barokke werveling van opstijgende en neerstortende vlezige lichamen, fladderende draperieën in alle kleuren van de regenboog, bolle wolken, bazuinblazende engelen, naar alle richtingen uitschietende lichtbundels. De zin van de voorstelling gaat verloren bij zoveel onrust en overdaad. Hier is alles theater, alles uiterlijkheid.’

© Hella S. Haasse, Klein reismozaïek. Italiaanse impressies. Het wereldvenster, Baarn (1953)

Ontdek onze droomplekken in Italië!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *