Ga op pad met onze City Walks!

Zuilzitter – fragment uit ‘De afvallige’

Het is 376 na Christus. Uit de onmetelijke Aziatische steppen nadert groot onheil: tienduizenden Goten steken in paniek de Donau over en vragen asiel aan in het Romeinse Rijk. Een orakel wijst de wijnhandelaar Swintharik aan als degene die de crisis kan oplossen en velen gaan naar hem op zoek, ieder met een ander motief. In het ruïneveld buiten Damascus overdenkt Swintharik op een pilaar zijn leven. Als hij beseft dat hij gezocht wordt, slaat hij ijlings op de vlucht. Is hij het slachtoffer van een complot dat het hele Romeinse Rijk bedreigt? En wat was zijn rol bij de moord op de afvallige keizer Julianus?

De-afvallige-Jan-van-Aken

Jan van Aken sleept je mee terug in de tijd in deze meesterlijke historische roman. Ter ere van de Boekenweek publiceren we vandaag de proloog van De afvallige, getiteld Zuilzitter:

‘Op een dag besloot een man om op een zuil te gaan zitten en er niet meer af te komen totdat hij zijn leven had overdacht. De steenzuil waarop hij zat was dof geworden, oeroud, aan de schaduwzijde bemost en overdekt met scheurtjes en barsten waarin soms een grasspriet zijn bestaan probeerde te rekken. Stenen zijn geduldig en een steenzitter zal ’s nachts baat hebben bij de opgeslagen warmte, terwijl overdag, als de woestijnzon onbarmhartig op hem neer schijnt, de ingetrokken nachtkoude verkoeling brengt. Swintharik hoopte dat de standvastigheid van de zuil zich langzaamaan zou voortzetten in zijn lichaam en geest, want hij zocht genezing voor een gruwelijke ziekte.

Hoe was hij hier gekomen? Hij schouwde in het ravijn van zijn verleden en steeds als de mist die daar hing oploste, meende hij een weefseldraad te zien. Een begin kon hij niet onderscheiden en om nu bij het einde te beginnen leek omslachtig, want zijn leven was verworden tot een eindeloze reeks herhalingen, zoals de rondgang van een blind gestoken muilezel die de maalsteen doet wentelen. Het verschil was dat hij zichzelf gedwee in die tredmolen had gevoegd.

Hoe goed daarentegen herinnerde hij zich de Nacht van de Dipsa.
Na de aanslag had hij zich, zoals afgesproken, verscholen in een grot, waar hij wachtte op zijn vrienden. Na twee dagen en nachten, toen hij begreep dat er niemand zou komen, kroop hij door de nauwe opening naar buiten en verstoorde daarbij een slang die voor de ingang lag te slapen. Te laat zag hij in het maanlicht het kronkelende lijf met over de lengte het bonte ruitpatroon – gekkenmozaïek bij uitstek – en de platte kop die naar zijn gezicht zweepte. En hij schreeuwde.

Hij krabbelde op en vluchtte naar het open veld, want alle mogelijke belagers en vervolgers leken hem opeens minder angstaanjagend dan dit ondier. Misselijkheid overweldigde hem. Hij wist nog hoe hij op handen en voeten de rivier bereikte, waar hij dronk tot hij zich niet meer kon bewegen.

Die nacht, dertien jaar geleden, had hij beseft dat geen duizend rivieren zijn dorst konden lessen, omdat hij was gebeten door de dipsaslang die haar slachtoffer eeuwige dorst bezorgt. Hij kende het dier uit de verhalen van zijn vader.

En het was diezelfde dorst die hem elke avond, na het invallen van het duister, deed afdalen van zijn pilaar en hem terugdreef in de troostende armen van de stad. Al was die stad maar Damascus.’

Lees verder in

De-afvallige-Jan-van-Aken

De afvallige
Jan van Aken
ISBN 9789021446486
€ 22,50
uitgeverij Querido

Bestel De afvallige via deze link bij bol.com

Ontdek onze droomplekken in Italië!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *