Ga op pad met onze City Walks!

De schaduw van Lucifer

Een van mijn favoriete auteurs, David Hewson, komt in oktober met een nieuwe thriller. Ditmaal speelt het spannende verhaal zich niet af in Rome, zoals we gewend zijn van zijn eerder verhalen, maar in Venetië. Aangezien ik daar zelf op dit moment verblijf, mocht ik van uitgeverij De Fontein alvast het manuscript lezen – en een fragment met jullie delen!

De hoofdpersoon van De schaduw van Lucifer, Daniel Forster, heeft een zomerbaantje in de bibliotheek van een verzamelaar en raakt betoverd door het aanlokkelijke Venetië. Wanneer hij er door zijn werkgever op uit wordt gestuurd om een viool te kopen van een dief, zet hij een kettingreactie van geweld en bedrog in gang. Hij belandt in een wervelwind die draait om een aantrekkelijke vrouw, een mysterieus palazzo en een eeuwenoude verloren gewaande partituur. Zonder dat hij het beseft, volgt Daniel met elke stap de voetsporen van een andere jongeman, die in 1733 oog in oog kwam te staan met een moordenaar.

Hun twee verhalen komen samen en slepen de lezer mee van een geniaal wonderkind en een genadeloze moordenaar naar een schitterend crescendo. Lees maar mee!

‘Hij had eraan gedacht zich in het zwart te kleden. Het goedkope, dunne pak van Standa. Glanzende, nette schoenen. Een nep-Ray-Ban Predator die hij van een zojuist gearriveerde Japanse toerist op het Piazzale Roma gestolen had.

Rizzo stak een sigaret op en wachtte bij het poortgebouw van San Michele. Het was de eerste zondag van juli. Het begon zomer te worden in de lagune, een verandering die gemarkeerd werd door het getjilp van zwaluwen boven zijn hoofd en een luie hitte die uit het water opsteeg. Een pittig briesje woei door de cipressen die als uitroeptekens over het kerkhof verspreid stonden. In de schaduw van een nis rechts van hem bevond zich, discreet aan het oog onttrokken, een keurige stapel lege, grenen doodskisten. In een zonnestraal die op een hoek van de dichtstbijzijnde kist viel zag Rizzo iets bewegen. Een kleine hagedis met stippen over zijn hele ruggengraat schoot naar het gouden vlekje toe, wachtte daar even en haastte zich toen terug het gebarsten metselwerk in.

Wat een baan, zeg, dacht Rizzo. Betaald worden om een lijk te controleren.
De beheerder van de begraafplaats kwam zijn kantoor uit en staarde naar de sigaret tot Rizzo hem uittrapte. De man was klein en dik, en zweette in zijn hagelwitte katoenen overhemd. Hij leek een jaar of veertig, had een volle bos vettig haar op zijn hoofd en een dun snorretje, dat leek op een in tweeën gebroken kam waarvan de helften boven een paar vlezige lippen geplakt waren.

‘Heb je de papieren?’
Rizzo knikte en deed een flauwe poging tot een glimlach. De opzichter keek chagrijnig, alsof hij verwachtte dat er iets mis was. Rizzo was vijfentwintig, maar leek in deze kleren wel dertig. Nog steeds wat te jong, vermoedde hij, om een verdwaald lijk te komen opeisen alsof het een koffer uit een bagagekluisje op het station betrof.

Hij haalde de papieren tevoorschijn die de Engelsman hem die ochtend in het grote, vorstelijke appartement achter de Guggenheim-galerie gegeven had. Massiter had gezegd dat het daarmee wel zou lukken. Ze hadden ten slotte genoeg gekost.
‘Bent u familie?’ vroeg de opzichter en hij staarde naar de regels vol kleingedrukte lettertjes op het vel.

‘Neef,’ antwoordde Rizzo.
‘Verder geen familie?’
‘Allemaal dood.’
‘Hm.’ De man vouwde de papieren op en stak ze in zijn zak. ‘U had nog vier weken kunnen wachten, weet u. Tien jaar hebben ze. Tot op de minuut. Ik heb hier de laatste tijd heel wat mensen gezien. Maar nooit zo vroeg op de dag.’
‘Verplichtingen.’

De beheerder trok een gezicht. ‘Natuurlijk. De doden moeten zich wel naar onze agenda schikken. Niet andersom. Maar toch…’ Hij trakteerde Rizzo op een professionele blik met wellicht iets van sympathie erin. ‘U bent er in ieder geval. U zou ervan staan te kijken hoeveel van die arme donders nooit teruggevorderd worden. Brengen een decennium onder de grond door en worden dan naar het knekelhuis van de gemeente overgebracht. We hebben geen keus, weet u. Er is geen plek.’

Dat wist iedereen in Venetië, dacht Rizzo. Als je op San Michele begraven wilde worden, moest je de regels accepteren. Het eilandje tussen Murano en de noordelijke kustlijn van de stad was vol. De grote namen waar de toeristen voor kwamen, rustten veilig in hun graven. Alle anderen hadden slechts tijdelijk toestemming, tien jaar om precies te zijn. Als de huurtermijn voor dat kleine stukje grond verstreken was, was het aan de familie om de botten naar elders te verhuizen of dat aan de gemeente over te laten.

De Engelsman wist dat ook heel goed. Om redenen waar Rizzo niet nieuwsgierig naar was, had hij de papieren voor de opgraving al vroeg in orde gemaakt zodat hij als eerste wist wat zich in de kist bevond. Misschien was er nog iemand in het rottende lijk geïnteresseerd, iemand die zich netjes aan de deadline van tien jaar hield. Misschien ook niet. Rizzo snapte er nog steeds niet veel van. Was het zijn bedoeling om te controleren of er echt een lijk in de kist lag? Dat moest wel. Om eerlijk te zijn kon het hem weinig schelen. Als die vent hem duizend euro wilde betalen, alleen om met wat velletjes of vervalste documenten te wapperen, dan stelde hij geen vragen. Het was weer eens wat anders dan mensen van hun portemonnee beroven in de drukte van San Marco.

‘We hebben hier procedures voor,’ zei de man. ‘We houden ervan om de zaken netjes af te handelen.’
Rizzo liep achter hem aan,voorbij de keurige collectie van glanzende nieuwe kisten, het felle zonlicht in. Ze liepen over het eerste deel van het kerkhof waar de doden met de langetermijnvergunningen lagen en toen verder naar een afgelegen gedeelte dat bestemd was voor de niet-aflatende cyclus van tijdelijke teraardebestellingen. Groene dekzeilen markeerden de plekken waar de recente lijkenoogst had plaatsgevonden. Op elke minuscule grafsteen zat een fotootje: jong en oud, verstild in de tijd, in de lens kijkend alsof ze nooit dood zouden gaan. Ze hielden halt bij Recinto 1, Campo B, midden in een zee van bloemen. De opzichter wees naar de steen. Daar stond haar naam, van achter naar voren, zoals bij iedereen op het kerkhof: Gianni, Susanna. Net achttien geworden. Het graf was leeg, de aarde zojuist weggeschept.

Er zat een foto van haar in een ovaal lijstje dat op de marmeren grafsteen bevestigd was. Rizzo kon er zijn ogen niet van afhouden. Susanna Gianni was een van de mooiste meisjes die hij ooit had gezien. De foto was buiten genomen, op een zonnige dag, misschien wel vlak voor haar dood. Ze had een paars t-shirt aan. Haar lange, donkere haar viel tot op haar schouders. Haar gezicht en hals waren gebruind door de zon, haar mond toonde een natuurlijke, open glimlach. Ze zag eruit als een jonge meid die op het punt van afstuderen stond, onschuldig, maar met een uitdrukking in haar ogen die duidelijk maakte dat ze het een en ander had meegemaakt en opgestoken. Rizzo sloot zijn ogen achter de donkere glazen en probeerde zijn gedachten te kalmeren. Het was idioot, dat wist hij, maar hij voelde dat hij stijf begon te worden bij het zien van dit onbekende meisje dat, voor zover hij kon uitmaken, bijna tien jaar daarvoor gestorven was.

‘Wilt u de grafsteen ook?’ verbrak de beheerder plotseling de even angstaanjagende als heerlijke dagdromerij. ‘Als u wilt mag u hem met de kist meenemen. Ik neem aan dat u een boot geregeld heeft, hè?’
Rizzo antwoordde niet. Hij stak zijn handen diep in de zakken van zijn goedkope jasje en hield ze voor zijn lichaam, waarbij hij zich afvroeg of het de man opgevallen was.
‘Waar is ze?’ vroeg hij.
‘Laat die lui van de boot hierheen komen. Ze weten waar ze naartoe moeten.’
‘Waar is ze?’ herhaalde Rizzo. De Engelsman was heel duidelijk geweest over wat hij wilde.

Zonder iets te zeggen draaide de man zich om en hij begon in de richting van een verlaten hoek in het noordelijke deel van de begraafplaats te lopen. Aan de rechterkant voer een van de grote veerponten naar Burano en Torcello voorbij. In de veranderlijke lucht hingen zeemeeuwen. Een aantal gestalten bewoog zich tussen de grafstenen door, sommigen met bossen bloemen in de hand. Rizzo was hier nog maar één keer eerder geweest, met een vroeger vriendinnetje, voor een bezoek aan haar oma. Hij kreeg de kriebels van deze plek. Als het zijn tijd was, wilde hij verdwijnen in de laaiende vlammen, één plotseling oplaaiend vuur in het gemeentelijke crematorium op het vasteland. Niet hier in de droge aarde van San Michele liggen wachten, om een decennium later weer opgegraven te worden.

Als je benieuwd bent naar het vervolg, zet dan alvast in je agenda dat De schaduw van Lucifer begin oktober verschijnt. Nog even in spanning afwachten dus!

De schaduw van Lucifer
David Hewon
ISBN 9789026128622
ca. € 19,95
uitgeverij De Fontein

Ontdek onze droomplekken in Italië!

3 reacties

  1. Wat vervelend dat ik nog moet wachten tot begin oktober, had gelijk naar de boekhandel willen rennen! Heb alle andere boeken van Hewson al gelezen.
    Trouwens: de nieuwe Donna Leon is pas uitgekomen in het Nederlands (Dodelijke conclusies).

  2. Nou,ik heb dit boek ook gekocht,ik moet zeggen het komt allemaal erg traag op gang en het is niet lekker geschreven.
    De schrijfstijl van de auteur spreekt mij niet zo aan,wat ik erg jammer vind,ook springt het boek van de hak op de tak waardoor je in het begin iets hebt van dat het allemaal erg verwarrend is omdat de schrijver er nogal van houd met namen te smijten.
    Erg jammer,ik had best hoge verwachtingen van dit boek,ik zal nogmaals iets schrijven als ik het boek daadwerkelijk uit heb,maar voor nu vind ik het tegenvallen.

  3. Ciao Bjorn,
    benieuwd naar je eindoordeel als je het boek uit hebt! Ik ben zelf erg fan van David Hewson, vooral van zijn Nic Costa-thrillers die zich in Rome afspelen. Maar dit eerste boek in la bella Venezia liet me ook niet los. Je hebt wel gelijk wat het aantal namen betreft, maar ik hoop dat je straks echt gegrepen wordt door het plot. Veel leesplezier!

    Saskia

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *