Ga op pad met onze City Walks!

De dood zingt in Napels

De koude temperaturen van deze week hebben één groot voordeel: ’s avonds kruip je met een glas rode wijn en een goed boek onder een dekentje op de bank. Wie houdt van een goede thriller, reist met De dood zingt in Napels naar het Napels van de vroege jaren dertig.

In de voetsporen van commissaris Ricciardi, die over een bijzondere gave bezit, wandel je door de stad en beklim je het decor van het Teatro San Carlo om de moord van ’s werelds bekendste tenor op te lossen.

Een fragment:

‘In de koude wind van die woensdagmorgen liep commissaris Ricciardi Piazza Dante af, met zijn handen diep in de zakken van zijn donkergrijze overjas, en zijn hoofd beschermd tussen zijn opgetrokken schouders. Hij liep stevig door, en voelde de stad, zonder te hoeven kijken.

Hij wist dat hij op zijn weg van Piazza Dante naar Piazza del Plebiscito een onzichtbare grens tussen twee werelden zou passeren. Aan de zeezijde de rijke stad, die van de elite en de gegoede burgerij, die van cultuur en recht. Aan de bergzijde de volkswijken, waar een heel eigen systeem van normen en regels gold, net zo stringent, of nog stringenter. De verzadigde en de hongerende stad, de stad van het feest en die van de wanhoop. Hoe vaak was Ricciardi niet getuige geweest van de tegenstelling tussen de weerszijden van de medaille.

De grens: Via Toledo. Met zijn oude palazzi, doodstil aan de straatkant, maar een paar meter daarachter al rumoerig, met de open ramen in de stegen, het vroege gezang van huisvrouwen. De poorten van de kerken, waarvan de gevels tussen de andere gebouwen in waren gemetseld, gingen open voor de gelovigen die om Gods ontferming over de dag kwamen bidden. Over de grote straatstenen rolden de wielen van de eerste stadsbussen.

De ochtend was een van de weinige momenten waarop de twee werelden zich mengden: vanuit de wirwar van smalle straatjes van de Spaanse Wijk draaiden de straatverkopers met hun vrolijk klinkende lokroepen hun karren met allerlei soorten koopwaar Via Toledo op. Uit de drukbevolkte buurten rond de haven en vanuit de buitenwijken stroomden ambachtsmannen, schoenmakers, handschoenmakers en kleermakers omhoog naar het labyrint, op weg naar de populaire woonwijk Vomero en naar de vele ateliers en winkeltjes in de donkere stegen.

Ricciardi zag dit graag als een moment van verzoening, van uitwisseling, voordat het besef van ongelijkheid en honger weer intrad en maakte dat de ene groep werd verteerd door afgunst en ging neigen naar moord, terwijl de andere groep de aanval vreesde en de messen scherpte.

Op de hoek van Largo della Carità zag Ricciardi, net als de dagen ervoor, het beeld van een man die het slachtoffer was geworden van een straatroof. Hij had zich verzet en was op beestachtige wijze met een stok in elkaar geslagen. Uit zijn ingeslagen schedel droop hersenmaterie, een oog was afgedekt door bloed, in het andere flitste nog woede, en de mond vol gebroken tanden bleef onophoudelijk herhalen dat hij zijn spullen nooit zou afstaan. Ricciardi dacht aan de dief, die inmiddels spoorloos was verdwenen, opgeslokt door de Spaanse Wijk, hij dacht aan de honger, en aan de prijs die slachtoffer en beul hadden betaald.

Zoals gewoonlijk was hij als eerste op het bureau: de wachter bij de ingang schoot in de houding en salueerde, de commissaris antwoordde met een kort knikje. Hij hield er niet van om door de drukte heen te moeten wanneer het leven in het stadhuis al in de lawaaierige en wanordelijke fase was, en hij hield er ook niet van om tussen de giftige scheldpartijen van de gedetineerden te moeten lopen, het luide geroep om orde van de agenten, de geschreeuwde discussies tussen advocaten. Hij had veel liever de stilte van die vroege ochtenduren, als de grote brede trap nog schoon was en er in het gebouw een negentiende-eeuwse sfeer hing.

Bij het openen van zijn kamerdeur kwam hem zoals elke dag de vertrouwde geur tegemoet van boeken, drukwerk, de glans van de tijd en van herinneringen. Het leer van de fauteuil, van de twee stoelen voor zijn bureau, de versleten olijfgroene bureau-onderlegger.

De kristallen inktpot ingeklemd in de briefhouder. Het lichte hout van het bureau en van de uitpuilende boekenkast. Het lood van de granaatscherf, die de oude Mario uit de oorlog had meegebracht naar Fortino, een attribuut voor talloze fantasierijke jongensgevechten, nu verworden tot een wankele presse-papier. Het zonlicht dat door het stoffige vensterglas wist te dringen viel op de portretten aan de muur, als een goddelijke investituur.

Wat een mooi stel toch, dacht Ricciardi bij zichzelf. De kleine krachteloze koning, de grote bevelhebber zonder zwakheden. De twee mannen die hadden besloten de misdaad per decreet op te heffen. Hij herinnerde zich nog de woorden van de hoofdcommissaris van politie, een gladde diplomaat wiens levensdoel het was om het de machthebbers naar de zin te maken: zelfmoorden bestaan niet, moorden bestaan niet, berovingen en verwondingen bestaan niet, tenzij onvermijdelijk of noodzakelijk. Geen woord erover tegen de mensen, en al helemaal niet tegen de pers. De fascistische stad is schoon en gezond, kent geen ontsieringen, de burger heeft niets te vrezen, wij zijn de bewakers van de veiligheid.

Maar Ricciardi had lang voordat hij het in boeken bestudeerde al begrepen dat misdaad de schaduwkant is van de emotie. Dezelfde energie die de mensheid drijft, leidt haar het verkeerde pad op en zorgt voor etterende ontstekingen die uitbarsten in wreedheid en geweld. Het Voorval had hem geleerd dat alle wandaden hun bron vinden in honger en liefde, en in de verschillende verschijningsvormen daarvan: trots, macht, afgunst, jaloezie.

Altijd zijn het toch weer honger en liefde. Bij elke moord, eenmaal tot de kern teruggebracht, ontdaan van alle lagen vernis, hield je altijd weer honger of liefde over, of een combinatie van beide, plus het leed dat die twee veroorzaken. Al dat leed, waarvan alleen hij constant getuige was.

Dus, mijn beste Mussolini, zei Ricciardi in zichzelf, je kunt zoveel decreten uitvaardigen als je wilt, het zal je helaas niet lukken de aard van de mensen te veranderen, met je zwarte pak en je kwastje op je muts. Misschien lukt het je nog om het volk angst in te boezemen in plaats van dat iedereen je achter je rug uitlacht, maar de duistere kant van de mens, die altijd honger zal blijven hebben en liefde zal blijven voelen, die verander je niet.

Maione verscheen in de deuropening na een discreet klopje op de deurstijl. ‘Commissaris, goedemorgen. Ik zag de deur openstaan, bent u er nu al? Slaapt u zelfs met deze kou niet goed? De lente wil maar niet komen dit jaar. Ik heb tegen mijn vrouw gezegd dat we ons de kosten van nog een maand stookhout niet kunnen permitteren. Als het dit weer blijft, krijgen de kinderen nog wintervoeten. Hoe gaat het met u vandaag? Zal ik een kop surrogaatkoffie voor u halen?’

‘Nee, dank je. Ik heb nog een stapel rapporten af te werken. Ga maar, als ik je nodig heb laat ik je wel roepen.’

Buiten ratelde een tram voorbij en klonken de kreten van de eerste straatverkopers en het geklapwiek van een zwerm opvliegende duiven in de nog koude zon. Het was acht uur.’

Lees meer in

De dood zingt in Napels | Maurizio De Giovanni | vertaald door Irene Goes | ISBN 9789401608060 | € 19,99 | Xander Uitgevers | bestel De dood zingt in Napels via deze link bij bol.com | ook verkrijgbaar als e-book

Ontdek onze droomplekken in Italië!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *