Download gratis de Ciao tutti app!

Treed in de voetsporen van de mijnwerkers in Predoi

In het noordelijkste puntje van Italië ligt het kleine dorpje Predoi (Prettau in het Duits), in de Valle Aurina. Door deze groene vallei meandert het bergriviertje de Aurino. De vallei is uniek in Italië omdat deze aan drie zijden wordt omsloten door Oostenrijkse regio’s (Noord-Tirol, Oost-Tirol en Salzburg), met reusachtige bergtoppen die wel tot 3488 meter reiken.

In de flank van een van deze reuzen ligt een oude kopermijn verscholen, die je sinds 2009 kunt bezoeken. Erwin neemt jullie mee naar de oude mijn diep in de berg – op een spectaculaire manier!

Erwin: ‘Net buiten het dorpje Predoi tref je de eerste resten van de oude kopermijn aan. De ruïne bij de parkeerplaats van de mijn is de oude smelterij, waar tot het begin van de zestiende eeuw de kopererts werd gesmolten. Vanaf de parkeerplaats steek je de rivier de Aurino over naar de ingang van de Miniera di Predoi.

Bij de kassa pik ik mijn toegangskaartje op, dat ik de dag ervoor heb gereserveerd (een bezoek aan de mijn moet je minimaal vierentwintig uur voorafgaand aan je bezoek reserveren) De kassa ligt aan een klein perron vanwaar er gele treintjes vertrekken, de mijn in.

Voor mijn treintje vertrekt, is er nog precies genoeg tijd om een verse romige cappuccino te bestellen bij de Ignaz Stube, naast de ingang van de mijn.

Ongeveer tien minuten voordat mijn treintje vertrekt, kan ik een regenjas en helm ophalen in de kleedruimte. Gids Günther, die ons de berg in zal rijden en de rondleiding geeft, controleert of iedereen aanwezig is en dan is het tijd om te vertrekken.

Het treintje komt langzaam in beweging en gaat met een bocht richting de ingang van de Galleria Sant’Ignazio. Dit is de jongste ingang van deze kopermijn – en met een lengte van maar liefst 940 meter ook de langste van allemaal.

De ingang van de mijn is net groot genoeg om binnen te rijden. De eerste zeven minuten rijden we via de donkere tunnel dieper en dieper de berg in. Hoe verder we komen, hoe kouder het wordt. Aan het einde van de mijngang is een klein station; hier is het nog maar acht graden! Het is dus raadzaam om warme kleding en stevige schoenen te dragen tijdens de rondleiding.

Günther draagt het treintje over aan een collega, die met zijn groep de mijn weer gaat verlaten, en geeft aan de hand van een schema uitleg over de mijn. De rondleiding is ofwel in het Italiaans of Duits, maar via een handige app die je vooraf kunt downloaden is het ook mogelijk om Nederlandstalige informatie te beluisteren. Op de wanden tref je nummers aan die corresponderen met de verschillende hoofdstukken in de app.

De mijngang waardoor we zojuist de berg in zijn gekomen, de Sant’Ignazio, werd tussen 1761 en 1804 gerealiseerd met behulp van buskruit. Dit stuk diende vooral als drainage van het water uit de berg, als beluchting en als transportgalerij. Er ligt een netwerk van ongeveer dertig kilometer aan schachten en mijngangen in deze kopermijn, maar een groot deel daarvan is niet meer toegankelijk.

Dat hier al eeuwen kopererts wordt gewonnen, blijkt wel uit de eerste vermelding over de mijn, die dateert uit 1426. Prins Frederik IV van Habsburg-Habsburg bestelde toen twee kanonnen gemaakt van koper uit deze mijn. De geschiedenis gaat waarschijnlijk nog veel verder terug. In 1864 vonden mijnwerkers een Keltische bijl in de buurt van de mijn, waardoor de mijnbouw wellicht terug te voeren is tot de Bronstijd.

De koperertsader in Predoi ligt bijna verticaal in de berg. Op het moment dat de bergen hier zijn ontstaan, is de ertslaag mee omhoog geduwd en aan de oppervlakte gekomen. Eerst begon men verticaal de erts uit te graven, maar toen het onmogelijk werd de erts nog omhoog te vervoeren, moest er een andere oplossing komen.

Uiteindelijk is men vanuit de zijkant van de berg mijngangen gaan graven naar de ertslaag toe. Boven aan de berg waren dit vrij korte gangen, maar hoe dieper je in de berg komt, hoe langer de gangen zijn.

De Sant’Ignazio is de laatste en langste gang van de mijn, die tot 1893 in gebruik is gebleven. In de twintigste eeuw is er nog een korte opleving van de mijn, tussen 1957 en 1971. Maar als het echt niet meer rendabel is om de erts naar buiten te krijgen, sluit de mijn definitief de deuren.

Samen met Günther lopen we door de diverse mijnschachten. We komen bij de schuine schacht die de Sant’Ignazio-tunnel verbindt met de hoger gelegen San Nicolò-tunnel. Niet ver van de schuine schacht treffen we een verticale gang die naast de ertsader werd gegraven. Deze Pozzo Arciduca Giovanni is nog eens zesentachtig meter dieper dan de tunnel waarin wij staan.

Het is er vochtig en fris. Het moet zwaar werk zijn geweest, maar desondanks stonden de mensen in de rij om deze noeste arbeid te verrichten. De lonen waren namelijk uitzonderlijk goed. Een mijnwerker kon in een maand hetzelfde verdienen als een boer in een jaar.

Het werk ging vooral in de begintijd langzaam. Met beitels, hamers en pikhouwelen kwamen de mijnwerkers soms maar een paar centimeter per dag vooruit. Zonder gevaar was het werk zeker niet.

Later gebruikte men carbid om kleine explosies in de rotsen te veroorzaken. Hierdoor ging het werk wel wat sneller, maar namen de gevaren natuurlijk ook toe. Günther demonstreert het gebruik van carbid.

In de twintigste eeuw werden er afbouwhamers op perslucht gebruikt om gaten te boren in het gesteente. Vervolgens plaatste men dynamiet om de rotsen te laten ontploffen. Hierdoor ging het werk sneller dan ooit.

Via een steile trap dalen we nog eens zes meter onder het niveau van de Sant’Ignazio-tunnel, naar het deel waar tot 1971 erts werd gewonnen. De tunnels zijn goed toegankelijk, maar geven een duidelijk beeld van hoe krap de ruimtes waren voor de arbeiders.

Günther laat mij nog een deel van de ertsader zien en slaat er een stukje af, zodat we het goed kunnen bekijken. Deze erts heet koperkies en bevat koper, ijzer en zwavel.

Als we weer via de steile trap naar boven lopen, neemt Günther ons mee naar de ‘cementkoperinstallatie’ die hier al sinds 1561 worden gebruikt. Het water dat door de ertslagen sijpelt, bevat kopersulfaat en wordt in een groot bassin opgevangen.

Via houten goten loopt het water door de mijngang. Als er metaal in de goot wordt gelegd. vindt er een chemisch proces plaats. Door een speciale bacterie verbindt het kopersulfaat zich met het ijzer, het ijzer lost hierbij op en er blijft koperslik over. Dit slik bevat ongeveer zeventig procent koper.

Via een smalle tunnel lopen we terug naar het mijnstation, waar het treintje klaar staat om ons terug naar buiten te brengen. Na ongeveer zeven minuten rijden we weer het daglicht in en parkeert Günther de trein op het perron, waar ik mijn regenjas en helm kan inleveren.

De rondleiding duurt ongeveer 75 minuten en na afloop is het dan ook de hoogste tijd voor de lunch. Ik besluit nogmaals op het terras van de Ignaz Stube neer te strijken voor een typisch Zuid-Tiroolse lunch met canederli di miniera (knödel naar recept van de mijnwerkers). Buon appetito!

Praktische informatie
Voor de meest recente informatie kun je het beste de website van het Museo Provinciale Miniere bezoeken. Hier vind je de actuele openingstijden en de huidige regels voor een bezoek aan de mijn.

Het is raadzaam warme kleding en stevige schoenen te dragen tijdens het bezoek aan de mijn. Een regenjas en helm zijn beschikbaar bij het museum.

Schrijf je (gratis) in voor de Ciao tutti nieuwsbrief

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *