Ontdek Venetië met straatheiligen, straatnamen en meeslepende muziek als gids
Al voordat zijn roman De Byzantijn verscheen, kreeg Mark Stokmans van zijn vrienden vaak de vraag naar tips voor Venetië. Ze wisten dat hij al jaren in de stad kwam, voor research voor zijn boek, en ze waren nieuwsgierig naar zijn favoriete plekken in de stad.
Sinds het boek is uitgekomen krijgt Mark nog vaker vragen over de verleidelijke stad in de lagune. Hij deelt daarom in dit artikel een selectie van zijn favoriete plekken om te bezoeken als je naar Venetië gaat.

Mark: ‘Mijn eerste tip is de wijk waar ik graag verblijf: Castello, de meest oostelijk gelegen sestiere van Venetië, en Sant-Elena, waar ook het voetbalstadion van Venetië ligt.
Naar die uiterste, het verst van de gebaande paden liggende plekken ga ik graag. Het is er open, rustig en stil. Vaak zit ik op de rode bankjes voor de San Pietro te lezen, stukjes te schrijven of gewoon wat te mijmeren, uitkijkend over de lagune en de brede kalme kanalen die dit stukje scheiden van de rest van de stad.
Op een donkere, koude novemberavond dwaalde ik rond het verlaten Pier Luigi Penzo-stadion, onder de bomen van de Viale Sant’Elena tot aan de gelijknamige kerk, en ervaarde een donker en grimmig Venetië, dat je ook terugvindt in De Byzantijn.

Castello is veel minder het Venetië van de kronkelige straatjes en ontelbare bruggetjes en daarom boeit het me zo. Ik heb er veel aan mijn boek gewerkt en het voelde passend dat te doen in een van de oude arbeiderswijken van de stad, waar veel mensen bijvoorbeeld in de Arsenale werkten, een tot na de Tweede Wereldoorlog nog actieve scheepswerf.

De wijk heeft de breedste en langste straat van Venetië, de Via Garibaldi, en de Giardini Napoleonici, waarvoor Napoleon huizen liet slopen. Daar vind je langs de met hoge bomen omzoomde Viale Garibaldi de Serra dei Giardini, of de Serra Margherita, een orangerie in art nouveau-stijl.
Naar het cafeetje in die tuin ga ik graag, genietend van de verrassend moderne kleine kaart, maar vooral om te ontspannen. Ook hier heb ik meermaals zitten schrijven. Een hele bijzondere ervaring, zo in een van de groenste delen van Venetië.


Waar Castello aan de zuidkant grenst aan de Riva San Basio, uitkijkend over het San Marco-bekken en de noordkant aan het Arsenale, ligt het Museo Storico Navale di Venezia.
Hoewel dit museum misschien niet het spectaculairste van Venetië is, biedt het toch ontzettend veel informatie over het oude Venetië, waarvan de scheepvaart het fundament vormde.
Scheepvaart in al zijn verschillende vormen overigens, van de Bucintoro, het gulden schip van de Doge die in maquette te bewonderen is in het museum, tot een uitgebreid overzicht van de ontelbare verschillende soorten vissersboten, die soms bijna volledig vergeten lijken te zijn.

Wat ook vergeten lijkt te zijn, is dat Venetië ooit middelpunt van de Italiaanse boekdrukkunst was. Aldo Manuzio was een van de voornaamste drukkers tijdens de renaissance en zijn werk gebruiken we vandaag de dag nog steeds: de ontwikkeling van puntkomma en de komma worden aan hem toegeschreven, hij produceerde voor het eerst wat je nu een paperback zou noemen en hij gebruikte voor het eerst cursieve letters.
Zijn portret hangt dan ook in de werkplaats van Paolo Olbi, de laatste en oudste boekbinder van Venetië die nog op traditionele wijze werkt, vlak bij Ca’ Foscari.
Na een mooi gesprek met hem kocht ik een fraai handgemaakt notitieboekje met een rode leren omslag met de leeuw van Venetië erin gestanst. Nog steeds een van mijn waardevolste souvenirs. Voor elke boekenliefhebber een klein mekka wat mij betreft.

Over boeken gesproken, Venetië herbergt misschien ook wel de apartste boekwinkel ter wereld: Libreria Acqua Alta. Toegegeven, het is inmiddels een beetje een tourist trap, alhoewel dat niet zozeer aan de winkel ligt maar eerder dat de boekwinkel is ontdekt door influencers van over de hele wereld.
De boekwinkel bestaat uit een soort pijpenla in het midden, waar een elf meter lange gondel tot een soort boekentafel is omgetoverd die bijna de hele breedte van die pijpenla beslaat, met als resultaat dat er bij drukte door de nauwe gangpaden een soort eenrichtingsverkeer zonder inhaalmogelijkheden ontstaat langs alle boeken.
Wil je daar uit, dan duik je rechts een wat donkere en groezelige ruimte in waar ontelbare boeken in boekenkasten staan, schots en scheef, net als de vloer overigens, die doorloopt tot de rand van het kanaal, dat bij hoog water, acqua alta, overstroomt.
De stapels verzopen boeken die een soort amfitheatertje vormen op de kleine buitenplaats aan de achterzijde van de winkel, getuigen daarvan. Ik kocht hier verschillende boeken, onder andere een van de Corto Maltese-strips. Er ligt van alles in het Italiaans, Engels, Duits en andere talen.

Voedsel voor de geest dus, wat altijd goed combineert met voeding voor het lichaam. Venetië staat natuurlijk bekend om haar cicchetti, smakelijke hapjes voor bij een glas wijn. De cicchetto di baccalà is inderdaad echt lekker, maar toch is mijn voornaamste tip aan vrienden als ze naar Venetië gaan vooral: laat de pizza en de welbekende spaghetti links liggen en eet vooral vis.
Venetië is immers een eiland. Het ligt in een lagune en de visgerechten zijn er heerlijk. In een latere blog zal ik hier nog uitgebreider op terugkomen, maar de lekkerste vis, de gegrilde branzino, de zeebaars, koning van de lagune, at ik bij Osteria Al Mariner aan de Fondamenta dei Ormesini in Cannaregio.
Een ander bijzonder adres is Trattoria Da Primo, waar ik in eerste instantie heen ging om Andrea Rossi, een visser van Burano, te interviewen voor mijn roman. Het was zijn vaste plek om koffie te drinken en na ons gesprek bleef ik hangen om te eten.

De ontzettend hartelijke eigenaar Paolo zette mij toen een ongelofelijk zalige risotto di gò, voor. Daarover later ook meer, maar noteer vast dit geweldige restaurant op een heel fijn eilandje.
Slechts een vaporetto-halte verder dan Burano stap je uit op wat misschien wel mijn favoriete plek van Venetië is: Torcello. Dit eiland in de noordelijke lagune is de plek waar de bewoning van de Venetiaanse lagune ooit begon, rond het jaar 424, maar na pestepidemieën en problemen met malaria in dit deel van het moeras, ontvolkte het eiland in rap tempo.
In 1797 leefden er nog maar driehonderd mensen; tegenwoordig telt Torcello ongeveer twintig bewoners. De bevolking brak overigens het overgrote deel van de bebouwing af om in Venetië een nieuw bestaan op te bouwen, dus het eiland kent nog maar een paar gebouwen, waaronder het Santa Fosca-martyrium en de daarnaast gelegen Santa Maria Assunta.
Het licht in die basiliek, en hoe het valt op het Byzantijnse mozaïek van de Heilige Hodegetria, zijn alleen al een reden om erheen te gaan. Het is echter vooral de rust van het eiland, de stilte van het omliggende moeras en de natuur om je heen wat een bezoek aan Torcello zo bijzonder maakt.


In het najaar domineren de mossen en ingetogen pastelkleuren van de slapende natuur, terwijl in het voorjaar de Palude della Rosa ten noorden van het eiland roze en paars kleurt van bloeiend zeekraal. Misschien zie je in verte zelfs flamingo’s door het water schuimen…

Er zijn nog veel meer plekken die ik zou kunnen noemen, zoals de Gallerie dell’Accademia, Parco Villa Groggia, het Iveser instituut op Giudecca en de Zattere waar studenten van Ca’ Foscari aan het einde van de dag van de avondzon genieten, waardoor dit een eindeloos artikel zou kunnen worden.
Daar sta ik niet uitgebreid bij stil, maar wat ik echt niet onvermeld wil laten, is de San Marco. Ik weet het, het is een bekende bezienswaardigheid, maar desondanks is het toch een plek waar je heen moet als je Venetië echt wil kennen.
De geschiedenis van de stad staat op haar muren geschreven, de toekomst ervan in de door de dalende bodem golvende vloermozaïeken. Het groezelige goud van de vergane glorie schittert alom en de geur van wierook is als de adem van de vele, vele eeuwen geschiedenis van de stad.

Mocht je bang zijn voor te grote drukte, ga dan in het najaar. Van november tot en met februari is het veel minder druk in de stad en veel sfeervoller wat mij betreft.
De basiliek gaat dan om half tien open, de rijen zijn minimaal en je kunt (met een speciaal kaartje) vanaf de eerste etage genieten van de glorie van Venetië.’
Wil je meer inspiratie voor je bezoek aan Venetië? Lees dan vooral De Byzantijn. In deze blog deelt Mark een aantal van de Venetiaanse locaties uit zijn boek, voor als je in de voetsporen van Alessandro Ortolani wil treden.
