Als de flamboyante Venetiaan Alessandro Apolinare Ortolani zich geconfronteerd ziet met zijn sterfelijkheid, vraagt hij de Nederlandse schrijver Ruben naar Venetië te komen om zijn levensverhaal op te tekenen.
‘Het wordt een opera in veel te veel aktes,’ zegt Ortolani zelf, een opera die begint in 1924 wanneer de jonge Sandro zes jaar oud is en Italië al enkele jaren leeft onder het fascisme van Mussolini.
Vol overgave vertelt Ortolani over zijn jeugd en zijn liefdes, zijn heldendaden en mislukkingen, zijn zoektocht naar schoonheid en zijn diepste gemis – met als decor Venetië, waar schoonheid en dood nooit ver weg zijn.
Soms zijn het onwaarschijnlijke en haast onmogelijke verhalen, waardoor Ruben zich gaandeweg begint af te vragen waar hij eigenlijk naar luistert: een waarheidsgetrouwe autobiografie of een bij elkaar gefantaseerd heldenepos?

Lees een fragment uit De Byzantijn
Het is in de stad minder druk dan in de zomer, maar bij Giudecca ligt een cruiseschip, dat zijn passagiers heeft uitgebraakt over de stad. Ik erger me aan de vele dagjesmensen, maar voor Ortolani is het alsof ze niet bestaan. In stegen staat hij midden in de mensenstroom ineens stil waarop anderen bijna tegen ons opbotsen.
Ongestoord vertelt hij dan een verhaal of een anekdote, over een straatnaam, een brug, een kerk of plein, een winkeltje of heraldiek op de muren, en ik luister, schrijf de details op.
Op een plein worden we ineens aangesproken door een kerel met een gruizige baard en een nicotinegele snor. Hij en Ortolani spreken even Venetiaans met elkaar. Onderwijl kijk ik om me heen, naar een plein zoals zovele in deze stad, gelegen langs een kanaal, met winkels, restaurants, een grote waterput, bankjes en bomen, die in de schaduw staan van een kerk. Kinderen schoppen een voetbal tegen de kerkmuren, mensen zitten warm ingepakt op het terras koffie te drinken.
Een loslopende hond – geen baas te bekennen – draait schuldbewust zijn drol midden op het plein. Vanaf hooggelegen vensterbanken kijken katten minachtend op het beest neer.
Als de man weg is en we verder lopen zegt Ortolani: ‘De oude Franco, mijn god, wat stinkt hij. Maar een juwelenkist hoor, die onmogelijke winkel van hem, die altijd vol sigarettenrook staat en met hem zal sterven.
Een echte Venessian, hè, van wie er nog maar iets meer dan tienduizend leven hier, en dat op een bevolking van vijftigduizend. Als lopende tentoonstellingen wonen wij op deze fantasmagorische plek, zijn we figuranten, installaties, performance art in een even magisch als macaber museum.
Venetië lijkt louter te bestaan uit licht pathetische poëzie die het publiek moet bekoren, maar het is ook gewoon een woonplaats van echte mensen die er prozaïsche levens leiden. We vragen ons regelmatig af of we nog wel een toekomst hebben. En daarom zijn we zo gek op ons verleden, toen het prozaïsche de poëzie nog overschaduwde.
In mijn jeugd was dit een heel andere stad dan je nu voor je ziet. Er werd gewerkt in plaats van gerecreëerd, geleefd in plaats van gefotografeerd. Honderdduizend mensen leefden er, rond de Tweede Wereldoorlog zelfs bijna tweehonderdduizend. Hier woonden alle rangen en standen, patrizi, borghesi en popolani, zij aan zij, in sommige gevallen letterlijk boven op elkaar: op de begane grond, waar je niet kon ontsnappen aan de acqua alta, woonden de armsten in krappe woningen, en daarboven zij die zich het hogerop konden veroorloven in ruime en lichte kamers.
Op zolder woonden juist weer het bedienend personeel en de andere armoedzaaiers. In de zomer kon het daar namelijk onuitstaanbaar heet worden en in de winter ondraaglijk koud.
In de steegjes, waarin mensen tegenwoordig zo lekker willen verdwalen, hing vroeger vaak de stank van de dichtstbijzijnde pozzo nero. De stad had geen riolering; poep, plas en kots werden uit de ramen in de kanalen gegooid en eens in de zoveel tijd grepen cholera, vlektyfus, tering, tuberculose en difterie gretig om zich heen. Bij acqua alta kwam het vieze water uit de afvoerputten omhoog en bij laagwater kon het gruwelijk stinken. Maar godzijdank hadden wij de lagune, die met het getij uit zee de stad twee keer daags schoonspoelde, en de wind die vanaf de lagune enige verlichting bracht als die vrij door de straten, gangen en galerijen van de stad kon waaien. En dan was er nog de zon, de kleuren die zo opleefden in haar stralen, maar ook de hitte die ze in de zomer kan brengen.’

We staan stil en hij wijst met zijn wandelstok in drie richtingen. ‘We staan waar de sestieri San Marco, Castello en Cannaregio – de wijk waar ik ben geboren – elkaar raken. En op dit kruispunt begint mijn verhaal.’ Hij wijst naar een ijswinkel waar mensen in de rij staan.
‘Voordat dit het nirwana van toeristenijsjes werd, was hier een boekwinkel en daarvoor waren hier de werkplaats en het winkeltje van mijn vader. Hij was boekdrukker en boekbinder, verkocht met de hand gestikte folianten met rijkversierde omslagen, prenten, zeldzame drukken en nog veel meer. Anders dan je misschien zou verwachten van een markies ben ik afkomstig uit een familie van ambachtslieden.
Mijn vader werd geboren op een squero, waar zijn familie allerhande boten bouwde, waaronder gondels, zo zwart en glimmend als drijvende doodskisten. Het grove, zware werk was niks voor mijn vader, die als jongen ingetogen, intelligent, nieuwsgierig en belezen was. Dus bedachten zijn ouders dat hij wel in het seminarium kon studeren. Dan kon hij eventueel priester worden, een mooie bestemming voor een Italiaanse zoon.
De Bijbel las hij grif, en zo ook andere religieuze teksten, maar meer dan door het magisch denken van de kerk, was hij gefascineerd door de boeken zelf. Hoe ze in zijn hand lagen, hoe de bladzijden voelden en roken en hoe de woorden en zinnen op het blanke vel als een toverlantaarn beelden in zijn hoofd schilderden.
Hij vond werk bij een boekbinder en -drukker die rook naar en eruitzag als perkament, en na een aantal jaar kon hij de winkel overnemen. Mijn vader boog zich over zijn papier, en lijm en touw en fijne stukken hout en glas, en kroop daarmee verder naar binnen toe, in zichzelf, waar het stil was.
Het was daarom best wonderlijk dat hij mijn moeder opmerkte, terwijl zij over de Riva degli Schiavoni liep en trachtte glazen kettingen te verkopen aan buitenlandse bezoekers. Zij kwam van de lagune, van het glasblazerseiland Murano, had heldere ogen en een fijnzinnige motoriek. Ja, dat beviel hem wel.’
Lees verder in

De Byzantijn | Mark Stokmans | ISBN 9789026366215 | € 27,99 | uitgeverij Ambo Anthos | koop De Byzantijn bij je lokale boekhandel of bij bol.com (ook beschikbaar als e-book)
Maak kans op De Byzantijn!
Namens uitgeverij Ambo Anthos mogen we drie lezers trakteren op De Byzantijn. Kans maken? Vul dan voor 31 mei 2026 onderstaand mail&winformulier in o.v.v. De Byzantijn. De prijswinnaars krijgen na afloop persoonlijk bericht.
Mail & win