Download de gratis Ciao tutti app voor nog meer tips

Duik in de Siciliaanse brieven van Geerten Meijsing

In Siciliaanse brieven ontmoet je een oudere schrijver die in de nadagen van zijn zelfverkozen ballingschap aan de rand van de beschaving in melancholische overpeinzingen verslag doet van zijn bestaan.

In vijfentwintig brieven, doordrenkt van weemoed en zingenot, schrijft hij een niet nader aangeduide je vanuit Ortigia (het eilandvormige historische centrum van Syracuse) over al wat zijn oeuvre kenmerkt: literatuur, klassieke filosofie, levenskunst en het leven van alledag. En over zijn dochter, die zich op de studie van de klassieke oudheid heeft gestort.

Voor hem rest de vraag: waren het tropenjaren of jaren in een overdaad van licht en lucht onder het gesternte der Griekse goden?

De tonnara van Vendicari

We delen een fragment uit Meijsings brievenbundel, met de titel De tonnara van Vendicari (een plek die echt bestaat en waarover je in deze blog meer leest):

‘Je weet, ik ben in deze stad van licht – het New York van de oudheid en doel van de derde reis van de filosofie – neergestreken om niet meer verder te gaan. Ze zullen me wel als een excentrieke ouwe gek zien. En inderdaad vereenzelvig ik mij eens te meer met Baron Corvo in Venetië: toen hij die stad eenmaal gezien had, wilde hij daar niet meer weg, hongerdood of niet.

Mijn schiereiland is een soort Klein-Venetië. Dat komt niet alleen door al dat water rondom, maar ook omdat het zout van de zeewind op eenzelfde manier het steen van de gebouwen aanvreet en poreus maakt.

We hebben zelfs een Giudecca, met heel nauwe straatjes en onderaardse baden – een Japans reclamebureau heeft onlangs die wijk helaas uitgekozen als achtergrond voor een promotiecampagne.

Ik geloof van haute couture en niet van tonijn, want die Japanners moeten zich wel schamen dat ze de antieke vorm van die visvangst – een half Arabische, half Normandische constructie die op een heel enkele plek tot in onze dagen nog zo beoefend wordt – om zeep hebben geholpen met sleepnetten, telescoopgeweren, kettingzagen, diepvriesboten en krankzinnig opgedreven prijzen. Wanneer ik hier op de vismarkt babytonijntjes ter grootte van een makreel zie liggen, in plaats van de twee, drie meter lange gevaartes van een volwassen blauwvintonijn, kan ik wel janken. Het vlees is ook minder lekker.

Maar soms voel ik de behoefte om die tegelijk beschermde en aan alle kanten open stad te verlaten en de kustlijn te verkennen.

De stranden van Zuid-Sicilië zijn, ondanks de soms adembenemende landschappen en zeegezichten, een ramp. Uitgestrekte vakantiedorpen als aan de schitterende baai van Fontane Bianche worden alleen in augustus door hysterische badgasten bevolkt en staan vol met de lelijkste villette, allemaal ommuurd, langs niet-onderhouden of in het geheel niet verharde weggetjes waarvan de berm één grote vuilnisbelt is.

Natuurlijk zijn er uitgebreide plannen voor het risanamento van de kustlijn, en sinds kort is een wet van kracht die erin voorziet dat alle abusievelijke cementmonsters van na 1992 en op minder dan honderdvijftig meter van het strand afgebroken moeten worden.

Een onhaalbaar plan, want in sommige van die barakachtige structuren wonen toch heel arme mensen, in de meest luxe natuurlijk de bewindvoerders zelf, en het resultaat zal nog meer puin zijn langs de kust. Als er geen geld is om regulier te bouwen, waar zouden ze dan geld voor wettelijke afbraak vandaan moeten halen?

Je begrijpt dat we hier al in Afrika zijn. De eerste middelgrote stad ten zuiden van Syracuse, het om zijn barokarchitectuur beroemde Noto, is in de negende eeuw door de Arabieren gesticht. In de oudheid was de hele zuidwestkant van het eiland al Carthaags, en die mensen houden meer van afbraak en plundering.

(Daar wisten de Romeinen trouwens ook raad mee: twee jaar lang duurde de verwoesting van Syracuse – door Cicero nog de mooiste stad van zijn tijd genoemd, rijker en schoner dan Athene en Rome bij elkaar – en naar verluidt heeft Claudius Marcellus, in opdracht van wie dit allemaal gebeurde, geweend bij het verloren zien gaan van al die pracht.)

En toch zijn dit nog steeds de tuinen van het paradijs: onafzienbare sinaasappel‑ en citroenplantages. Bij Noto wordt het landschap, met zijn fameuze amandelbomen, nog interessanter, en iets zuidelijker is het vooral de fico d’India die je ziet, en die soms zo groot wordt dat een man op een paard eronder schaduw kan vinden.

Wonder boven wonder zijn er nog enige ongerepte kustgebieden te vinden, zoals bij het door de malaria ontvolkte Vendicari, dat al enkele jaren lang een natuurgebied is: een baai, drie binnenmeren, exotische flora en fauna (kraanvogels, flamingo’s, il cavaliere d’Italia en allerlei vogelsoorten die bijna nergens anders in Europa voorkomen), een vervallen tonnara met die typische, kathedraalachtige gebouwen onder een hoge schoorsteen voor de verwerking van de vis om het geheel nog romantischer te maken, en het mooiste strand van de wereld, brandschoon.

Op een zaterdagmorgen heb ik daar begin januari urenlang rondgelopen in de brandende zon. Volstrekt niemand, absolute stilte behalve de branding van de glasheldere zee en het geluid van de vogels. Ik was tegen het uur van Pan aangekomen en de eenzaamheid was zelfs mij hier bijna te veel, in ieder geval beklemmend en ietwat beangstigend. Bovendien begrijp ik nu dat ik een panama nodig heb.

Dijkjes, waterkanalen tussen de meren, riethutten waar vroeger de vissers woonden, het vervallen huis van de raïs (een Arabisch woord voor de baas, niet de eigenaar, van de tonnara), en op een eilandje midden in de baai de resten van een fort dat door Karel V gebouwd is om de invallen van die Arabische piraten te weerstaan.

Nog verder zuidelijk zag ik het nog wel (amper) bewoonde havenplaatsje Marzamemi, ook met een in onbruik geraakte tonnara, en vandaar kun je de ietwat grotere haven van Portopalo zien, het zuidelijkste puntje van het eiland. Daar, bij Capo Passero (de Mussenkaap), zijn we nog zuidelijker dan Tunis.

Regelmatig proberen er immigranten in grote rubberboten clandestien aan land te komen, de laatste tijd voornamelijk uit Sri Lanka. Op oudejaarsavond liep een dergelijk groepje, na een reis van twee maanden in een te kleine kotter, verdwaasd door het centrum van Portopalo. Toen ze werden aangehouden door de altijd alerte kustwacht, vroegen ze verdwaasd: ‘Zijn we nu in Duitsland?’

Het enige wat mij in het natuurgebied van Vendicari stoorde, waren de aangelegde wandelpaden en de bordjes met toeristische uitleg.

Dit is het goede nieuws, want daar komt nu verandering in. De assessore regionale voor de Beni Culturali heeft tachtig miljoen lire uitgetrokken om de antieke tonnara weer geheel functioneel te maken. Dat zal geen winstgevende onderneming worden en hoofdzakelijk op het toerisme gericht zijn, maar het is een goed plan.

Dergelijke mooie plannen maken ze genoeg op Sicilië, maar of ze ooit uitgevoerd worden… Waarschijnlijk verdampt dat bedrag in de komende jaren en verdwijnt het in de zakken van politici, aannemers en onderaannemers (apalti is het sleutelwoord om de stagnerende economie hier te begrijpen), die daarvan dan weer min of meer abusievelijke vakantievilla’s voor zichzelf zullen bouwen, op minder dan honderdvijftig meter van het prachtige strand.’

Lees alle brieven in

Siciliaanse brieven (Berichten van Ortigia) | Geerten Meijsing | ISBN 9789029550086 | € 22,50 | De Arbeiderspers | bestel Siciliaanse brieven bij je lokale boekhandel of via deze link bij bol.com

Ontdek onze digitale reisgidsen voor nóg meer tips

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *