Na de ongekende bloei van de renaissance verdwijnt Italië in de coulissen van het Europese toneel. Meer dan tweehonderd jaar is het verbrokkelde ‘land van iedereen en niemand’ in de greep van buitenlandse mogendheden die elkaar bestrijden om hun machtspositie te behouden of uit te breiden.
Politieke versnippering, de macht van de Kerk en het gebrek aan saamhorigheidsgevoel staan een zelfstandige ontwikkeling in de weg. Toch ontstaat in deze ogenschijnlijk stille periode, en in weerwil van de heersende apathie, de voedingsbodem voor de gebeurtenissen die uiteindelijk leiden tot het Risorgimento en de eenwording van Italië.
In Italië, de lange weg naar eenwording (1600–1870) reis je langs vorsten en pausen, revolutionairen en staatslieden, veldslagen en diplomatieke intriges. Tegen de achtergrond van een snel veranderend Europa laten zij zien hoe de ideeën van de Verlichting en de Franse Revolutie, de gebeurtenissen in de napoleontische periode en het verzet tegen de Restauratie ook Italië beïnvloeden en de droom van een nationale staat aanwakkeren – aanvankelijk alleen in intellectuele kringen en later ook onder de burgerij.
Het ontstaan van het Koninkrijk Italië was, zoals het boek laat zien, meer een uitvloeisel van spelingen van het lot dan het resultaat van een geregisseerd plan. In de nieuwe staat woonde nog geen Italiaans volk en het smeden van een natie moest nog beginnen.
Juist die spanning tussen politieke eenheid en nationale identiteit – of liever gezegd het gebrek daaraan – maakt deze geschiedenis tot een meeslepend verhaal, dat laat zien hoe het moderne Italië zich heeft gevormd en waarom erfenissen uit het verleden tot op de dag van vandaag doorwerken.

Lees alvast een fragment
‘Cavour wilde zijn nieuwe regering een zo laag mogelijk ‘Piemontees’ gehalte meegeven en nam er, verstandig doserend, exponenten uit alle windhoeken in op. Hij verwachtte een periode van luwte, maar kreeg meteen te maken met storm, aangewakkerd door Garibaldi, die zich gesteund voelde door de in binnen- en buitenland gerezen verontwaardiging over de ongepaste bejegening die hij had moeten ondervinden van de kant van de koning en het establishment uit Turijn.
Toen er in het parlement werd gedebatteerd over de vraag wat men moest doen voor de vrijwilligers die aan de strijd hadden deelgenomen, kon afgevaardigde Garibaldi uiteraard niet ontbreken. Hij trad de zaal binnen met zijn rode hemd aan, de poncho over zijn schouders geslagen, onder een daverend applaus ter linkerzijde en een ongepast geroezemoes aan de rechterzijde waaruit afkeuring en sarcasme klonk.
Na het woord te hebben gevraagd kwam hij onmiddellijk ter zake: ‘Sprekend over de Armata meridionale (het vrijwilligersleger) zou ik moeten vertellen over roemruchte gebeurtenissen. De wonderen die deze armata verrichtte, werden enkel overschaduwd wanneer de koude, vijandige hand van de regering zijn boosaardige werk deed…’
Er brak een pandemonium los en de zitting moest een kwartier geschorst worden. Cavour waakte ervoor zich te laten meeslepen in het tumult en bracht, zoals men van hem gewend was, de zaak terug tot de kern: ‘Er is, tussen de generaal en mij, iets wat ons van elkaar scheidt: ik heb gemeend mijn plicht te doen door de koning te adviseren Nice over te dragen.’
Toen het incident achter de rug was en Cavour zich voorbereidde om de immense problemen van de eenwording aan te pakken, werd hij onverwachts getroffen door ziekte. Wat er aan de hand was, konden de artsen destijds niet ontdekken.
Eind mei kwam de graaf ’s avonds thuis na het gebruikelijke bezoek aan zijn vriendin Bianca Ronzani en voelde hij koortsrillingen, maar hij maakte zich er niet ongerust over. Twee dagen later hield hij, koortsvrij, op zijn slaapkamer een vergadering met zijn ministers.
’s Avonds steeg de thermometer echter naar veertig graden. In een delier sprak Cavour over hervormingen, wetten en plannen en in heldere momenten benadrukte hij dat het nieuws over zijn ziekte niet naar buiten mocht komen, want de aanstaande uitschrijving van een staatslening mocht daar geen nadelige gevolgen van ondervinden.
Zijn nicht Giuseppina, die hem het meest dierbaar was, vroeg of hij wilde biechten. Cavour knikte en zei: ‘Ik wil dat men weet dat ik sterf als een goed christen.’
De volgende dag kwam de koning op bezoek. Cavour herkende hem, pakte zijn hand en fluisterde: ‘Ik heb Uwe Majesteit veel te zeggen en uit te leggen, maar ik ben te ziek. Ik zal Farini sturen om alles in detail te bespreken…
Alstublieft geen staat van beleg, geen absoluut bewind. Met de staat van beleg kan iedereen regeren… Garibaldi is een man van eer, ik wens hem niets slechts toe. Hij wil naar Rome trekken en naar Venetië, dat wil ik ook; niemand heeft groter haast dan wij.
Wat Istrië en Tirol betreft, dat is een andere zaak. Dat zal het werk zijn van een andere generatie. Wij hebben genoeg gedaan; we hebben Italië gemaakt, ja, Italië…’
Toen de biechtvader binnenkwam om het laatste sacrament toe te dienen, zei hij: ‘Frate, frate, een vrije kerk in een vrije staat!’ Cavour werd vijftig jaar oud.
Op 6 juni verspreidde zich het nieuws van zijn dood en ging Turijn in de rouw. Iedereen leefde oprecht mee: ook degenen die Cavour niet hadden gemogen, moesten hem op dat moment zijn politieke genie en zijn gedrevenheid nageven.
De Engelse premier Peel betreurde zijn heengaan en oppositieleider Palmerston verklaarde dat de aan zijn nagedachtenis verbonden geschiedenis gold als ‘een van de uitzonderlijkste, ik zou zelfs zeggen de meest romantische in de annalen van de wereld.’
De democraat Ferrari, die hem altijd verbeten had tegengewerkt, sprak in het parlement grote woorden uit: ‘Wat u vandaag ook doet, ga naar Rome, ga naar Venetië, de graaf van Cavour zal u leiden, voorgaan, raad geven.’
Niet in staat om enige empathie op te brengen, schreef de katholieke pers dat Cavour de biechtvader had laten komen om zijn politiek af te zweren en er vergiffenis voor te vragen.
In werkelijkheid weet niemand wat zich tussen de priester en de stervende afspeelde, aangezien pater Giacomo da Poirino weigerde daarover te spreken, zelfs tegenover de paus, toen die hem liet ontbieden. Hij beriep zich op het biechtgeheim.’
Lees verder in

Italië, de lange weg naar eenwording (1600-1870) | Indro Montanelli & Mario Cervi | vertaald door Alfons Caris | ISBN 9789464975294 | € 29,95 | uitgeverij Aspekt
Het boek is verkrijgbaar bij de reguliere boekhandel en bij bol.com, maar je kunt ook een exemplaar aanschaffen bij Alfons Caris zelf, tegen de gereduceerde prijs van € 25,95 (inclusief verzendkosten).
Ben je geïnteresseerd, stuur dan een e-mail met je naam- en adresgegevens naar a.caris@planet.nl en maak € 25,95 over op rekeningnummer NL30 INGB 0529 6998 93 t.n.v. A. Caris. Alfons stuurt je dan zo spoedig mogelijk een exemplaar toe, desgewenst met persoonlijke boodschap, dus ook perfect als cadeau voor een Italiëliefhebber die meer wil weten over deze voor Italië zo belangrijke periode.
De geschiedenis van Italië in vijf delen
Met dit boek heeft vertaler Alfons Caris een prachtige serie over de geschiedenis van Italië voltooid. De volledige serie bestaat uit Italië, de donkere eeuwen (400-1000), Italië, de opkomst van de stadstaten (1000-1250), Italië, de bloeitijd (1250-1500), Italië, de 16e eeuw en Italië, de lange weg naar eenwording (1600-1870).

