Download gratis de Ciao tutti app!

Hotel Portofino – heerlijke historische roman die je meeneemt naar de Italiaanse Rivièra

Ben je nog op zoek naar een heerlijk zomerboek? Hotel Portofino neemt je mee terug in de tijd naar de Italiaanse Rivièra, waar Hotel Portofino een stoet aan glamoureuze gasten uit de Britse upper class verwelkomt voor een heerlijke zomer.

Kort na de opening stapelen de problemen zich echter al op voor eigenaar Bella Ainsworth. Ze heeft te weinig personeel en geld en bovendien zijn haar eersteklas gasten veeleisend en lastig te behagen. Daarnaast wordt ze het doelwit van een corrupte fascistische politicus.

Haar grootste probleem is echter dat haar aristocratische, sluwe echtgenoot – wanhopig om zijn rijkdom en status te behouden – achter haar rug om zijn eigen plannen smeedt, met grote gevolgen…

Lees alvast een fragment uit Hotel Portofino

‘Bella liep over de glanzende mozaïektegels, legde een schone witte handdoek bij de wastafel en zette een geurkaars op een richel naast het reusachtige bad op pootjes.

De eerdere huurders in april – een ouder echtpaar, vreselijke zeurpieten uit Guildford – hadden geklaagd over stank. Bella had niet kunnen ontdekken wat er mis was. Maar bij de Drummond-Wards zou ze geen enkel risico nemen.

Tegen de tijd dat ze de badkamer weer uit kwam, was Paola klaar met het bed en stond ze ernaast in afwachting van Bella’s oordeel. Paola was een oorlogsweduwe uit het dorp. Ze had grote donkere ogen en krullend ravenzwart haar – dat ze naar achteren had ge­bonden zodat het glanzend langs haar nek naar beneden viel.

Ze was even aantrekkelijk als betrouwbaar. Maar Bella had de laatste tijd een verandering in haar opgemerkt. Een ongebruikelijke gere­serveerdheid, gecombineerd met iets primairs, iets suggestiefs. Ze kon er moeilijk de vinger op leggen, maar als Paola een man was geweest, zou Bella hebben gezegd dat ze paradeerde.

De sprei moest nog iets worden rechtgetrokken. Bella deed een stap naar achteren en knikte goedkeurend. ‘Eccellente,’ zei ze met een glimlach. Paola glimlachte ook, maar ze ontweek de scherpe blik van haar werkgeefster.

Waarom maak ik me zorgen? vroeg Bella zichzelf af. Waarom kan ik me niet ontspannen?

Haar rationele kant wist dat het antwoord voor de hand lag. Er stond deze zomer veel op het spel. Niet alleen de reputatie van het hotel, maar ook Lucians toekomst en – het deed haar pijn het te moeten toegeven – haar huwelijk met Cecil. Ze had soms het gevoel dat het aan een zijden draadje hing. Maar met haar personeel had ze in elk geval geluk gehad.

Betty, hun kokkin, en haar zoon Billy waren al in Londen bij hen geweest, en daarvoor in Yorkshire. Ze waren als familie voor haar en Bella vertrouwde hen onvoorwaardelijk, hoewel God wist dat ze nog steeds hun draai probeerden te vinden in deze nieuwe, vreemde wereld. Ze had een goed gevoel over Constance – Lotties nieuwe kindermeisje dat door Betty was aanbevolen.

Paola daarentegen bleef een onbekende factor. Na een uur in haar gezelschap vroeg Bella zich af of ze eigenlijk wel een woord Italiaans verstond. Terwijl ze daar toch zo haar best voor deed.

Als kind was Bella al geobsedeerd door Italië. Op kostschool had ze reproducties van beroemde Italiaanse schilderijen boven haar bed gehangen, en ze had inwendig gekookt toen de nonnen die de scepter zwaaiden haar hadden verzocht Botticelli’s De geboorte van Venus weg te halen omdat het obsceen zou zijn.

Voor Bella stond Italië voor waarheid, schoonheid en goedheid. Het was een baken, hoogverheven, dat stralen puur mediterraan licht uitstraalde die als scheermesjes dwars door het halfduister van het vochtige, mistige Londen sneden.

Cecil hield ook van Italië. Dat beweerde hij althans. Maar het was Bella’s idee geweest om hun huwelijksreis in Portofino door te brengen. Ze zuchtte bij de herinnering aan die zorgeloze dagen. Het was vreemd te bedenken dat de dochter die tijdens die reis was verwekt nu weduwe was, en hun zoon een gewonde veteraan uit de ergste oorlog die iedereen zich kon herinneren.

Het was nog vreemder dat het nu 1926 was en dat zij 48 was. De jaren waren als een schaduw voorbijgegaan. En dan was er natuurlijk nóg een gevoel van verlies. Maar dat on­derdrukte ze, voor zover mogelijk. Als ze het een kans gaf om voet aan de grond te krijgen, dan zou ze nooit meer ergens anders aan denken.

Maar waar ze pas écht moeite mee had was het feit – en het wás een feit – dat Cecil en zij ooit jong en verliefd waren; dat ze tedere, zwoele nachten hadden doorgebracht, starend naar het glinsterende water, waarna ze naakt in de baai van Paraggi zwommen terwijl de zon opkwam boven de bergen.

Tijdens die eerste reis naar Portofino waren er vurige kussen ge­weest in de maanverlichte stilte van achterstraatjes, en een keur aan nieuwe smaken en sensaties – verrukkelijke zoute prosciutto en vijgen die zo vers waren dat ze tintelden op haar tong.

Terwijl Cecil tennis speelde bij het hotel trok Bella eropuit, over oude ezelpaadjes naar boven, naar de boerderijen en olijfgaarden op de heuvels. Ze had door vergrendelde hekken gekeken naar tuinen vol felgekleurde bloemen en zich afgevraagd wie daar zou kunnen wonen – en of zíj diegene ooit zou zijn? Ze had naar de kantwevers op het dorpsplein gekeken en daarna op warme rotsen gelegen om de zon te absorberen terwijl de hagedisjes over haar blote benen kropen.

Het was natuurlijk een veel formelere tijd geweest, waarin een vrouw in haar eentje op afkeurende blikken en opgetrokken wenk­brauwen kon rekenen. Maar daar had Bella zich niet door laten weer houden. Waarom zou ze ook? Ze was een ‘New Woman’, zoals de vrouwen over wie ze in romans had gelezen, die een inkijkje kreeg in een nieuwe realiteit.

Op een dag was ze, aangetrokken door de gestreepte gevel, naar de San Martino-kerk geklommen, hoog boven de haven. Op een in het zwart geklede oude vrouw met een gehaakte sjaal over haar hoofd na was zij de enige bezoeker geweest.

Toen ze de wierook opsnoof, haar vingers in het heilige water doopte en een kruisje sloeg – ze was niet katholiek, maar het leek gepast – had ze het gevoel gehad dat ze toneelspeelde, maar er tegelijkertijd bij hoorde, en ook dat was een openbaring voor haar geweest, iets wat ze in haar achterhoofd kon houden om er later gebruik van te kunnen maken.

Zoveel van het leven hing af van rituelen en prestaties, vooral nu ze een hotel runde en de rol vervulde van zowel beheerder als conciërge. Het voelde dwaas om wat ze deed een roeping te noemen. Maar het had iets religieus. Ze was er ook goed in – dat wist ze. Wat de herinnering aan Cecils aanvankelijk sceptische houding des te pijnlijker maakte.

‘Een hotel openen? In Portofino?’ Ze zaten in de salon van hun hoge, smalle huis in Kensington en Cecil had zijn glas net bijge­schonken met single malt. ‘Waarom zouden we dat in hemelsnaam willen?’

Hij wist precies hoe hij haar moest ondermijnen. Maar die ene keer had ze geweigerd zich te onderwerpen.

‘Het zou een avontuur zijn,’ zei ze enthousiast. ‘Een nieuw begin. Een manier om de oorlog en alle vreselijke dingen die hij ons gezin heeft aangedaan te vergeten.’

‘Een hotel runnen is vreselijk vermoeiend. Denk eens aan alle on­zinnige dingen waarmee je je bezig zou moeten houden. De juiste stoelen kopen voor het terras. Uitstapjes naar musea organiseren. Het is allemaal zo…’
‘Burgerlijk? Provinciaals?’

‘Nou… ja. En ook…’ Cecils mond vertrok alsof hij naar het mot juste zocht, ‘… prozaïsch. Waar op zich niets tegen is, behalve dat jij, Bellakins, nooit prozaïsch bent. Dat is de reden waarom ik met je getrouwd ben. Nou ja, een van de redenen.’ Hij liet zich met een zucht achteroverzakken in zijn favoriete leunstoel. ‘Bovendien is er tegenwoordig zoveel concurrentie. Als je tenminste toeristen uit de betere kringen hoopt aan te trekken.’

Daar kon ze niets tegen inbrengen. Elk jaar in november zagen ze de Britten uit betere kringen naar zonniger oorden trekken, waar ze bleven tot de winter voorbij was. Sommigen zwoeren bij Cannes, anderen gaven de voorkeur aan het Lido di Venezia of de gezondheids­voordelen van Baden-Baden. Biarritz was in opkomst als toevluchts­oord wanneer de hitte van de Franse Rivièra ondraaglijk werd.

De Italiaanse Rivièra was echter nog vrij onontdekt. Er was uiteraard een Britse kolonie – waar in de wereld was die níét? – en de grotere hotels hadden zelfs tennisbanen en zwembaden.’

Lees verder in

Hotel Portofino | J.P. O’Connell | vertaald door | ISBN 9789024599516 | € 21,99 | uitgeverij Luitingh-Sijthoff | bestel Hotel Portofino bij je lokale boekhandel of via deze link bij bol.com (ook beschikbaar als e-book)

Schrijf je (gratis) in voor de Ciao tutti nieuwsbrief

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.