Download gratis de Ciao tutti app!

M. De man van de voorzienigheid – het tweede deel van Scurati’s romanreeks over Mussolini

Het is begin 1925. Benito Mussolini staat aan de rand van de dood vanwege een heftige maagzweer die zijn leven van binnenuit bedreigt. Hiermee opent M. De man van de voorzienigheid, het tweede deel van Antonio Scurati’s wervelende trilogie over Benito Mussolini.

Het is de opvolger van de bestseller M. De zoon van de eeuw, waarvoor Antonio Scurati in 2019 de prestigieuze Premio Strega kreeg (en dat nu verkrijgbaar is in een midprice-editie). Dit vuistdikke eerste deel van de trilogie bestreek de periode 1919-1924.

Alles wat Scurati in deze twee delen beschrijft, is gebaseerd op verslagen, documenten en ander historisch materiaal. De schrijver moest zich begeven in het hol van de leeuw: de gedachtewereld van deze ongekend eerzuchtige en gewelddadige leider. Een ervaring die hem bijna zijn geestelijke welzijn kostte.

Toen Scurati in 2019 in Amsterdam was ter van de promotie van zijn eerste boek, mochten we hem interviewen. Via deze link lees je het fascinerende vraaggesprek terug.

foto: Mondadori Portfolio / Opale

De man van de voorzienigheid
Bij de start van het tweede deel heeft het regime van Mussolini net een ernstige crisis overleefd na de moord op de socialistische leider Giacomo Matteotti. De moord is gepleegd door fascistische knokploegen en Mussolini neemt, na eerdere ontkenning, de verantwoordelijkheid op zich alsof het een verdienste is.

Niet veel later laat hij zich uitroepen tot Duce, dictator van Italië. In de jaren die volgen breidt de macht van Mussolini zich steeds krachtiger uit; Paus Pius XI stelt zelfs dat Mussolini door de voorzienigheid gezonden is.

Door zijn indrukwekkende vermenging van feit en fictie laat Antonio Scurati je ervaren hoe het is om in het centrum van de macht te zitten. Aanstekelijk en psychologisch treffend beschrijft hij de periode van 1925 tot 1932, de eerste jaren van Mussolini als Duce, de jaren waarin de democratie verdween.

Lees alvast een fragment
Dit fragment speelt zich af op 15 februari 1925, in Rome. ‘De adem is muf, de pijn in de onderbuik drukkend, het braaksel is groenig, gestreept met bloed. Zijn bloed.

De inktbedrukte vellen dwarrelen in de onwelriekende plas. Onmogelijk om de krant te lezen. Zijn roemrijke lichaam vol zure hypersecreties en gassen slikt lucht en hapt naar zuurstof met het hoofd achterover op de leuning van de bank. Maar rondom wervelt de kamer in een carrousel van open wonden in het zwerende slijmvlies.

Eerlijk gezegd is dat slaapvertrek, de alkoof waarin de regeringsleider bij toerbeurt zijn talrijke maîtresses ontvangt, een weinig gezellige plek, ook als het er niet stinkt naar bloederige kots.

Rood en zwart fluweel aan de wanden; in de hoek een knielbankje vol bidprentjes, gekregen van volksvrouwen, en vol medailles, geschonken door mannen uit de oorlog; die groteske opgezette steenarend met gespreide vleugels, gevangen in het luchtruim van Udine tijdens een bijeenkomst van knokploegleden; op de grond vloerbedekking, eveneens rood, in trek voor haar natuurlijke behoeften bij de jonge leeuwin, een geschenk van vurige bewonderaars.

Een salon, een slaapkamer, een dienstvertrekje en niet eens een keuken. En overal een hardnekkige paardencircuslucht. Welkom in de woning van de jongste minister-president van Italië en de wereld.

De pijn heeft hem weer te pakken, houdt aan, dof, dwingend. Misschien zou hij met zijn laatste beetje adem om hulp moeten roepen. De Leider van het fascisme kan echter niet bedelen om assistentie van een dommelige bewaker op de overloop of van Cesira Carocci, zijn Umbrische middelbare dienstbode, zo dom als een geit, zo mager als een spijker aan het kruis. Het is ook niet voor het eerst.

Al weken, al maanden doen zich periodiek de crises in zijn slokdarm voor. Ze dienen zich aan met een rare eetlust, een vruchteloze, misselijke honger, als een dor huwelijk, een schijnzwangerschap, daarna komen winderigheid, boeren.

De week daarvoor bespeurde Ercole Boratto, zijn vaste chauffeur, vanaf de bestuurdersplaats zijn pestilente adem. Bij de eerste bocht van de Via Veneto zocht hij de Leider vanuit zijn ooghoek, maar het achteruitkijkspiegeltje bleef leeg.

Toen de chauffeur zich omdraaide naar de achterbank, trof hij hem ineengedoken aan op zijn knieën, zijn handen tegen zijn opgezwollen buik, de befaamde ogen verworden tot spleetjes en de bekleding besmeurd met maagsappen. Ze moesten hem naar zijn bed slepen, dubbelgevouwen als na een beroerte, met de zakdoek van een chauffeur om zijn mondhoeken af te vegen.

Dat is er geworden van Benito Mussolini, de Leider van het fascisme, een spijsverteringskanaal. Niets meer. De purgeermiddelen en hun werking. Dat is zijn enige zorg. Onze-Heer Jezus Christus heeft alles fout gedaan: hij had ons anders moeten maken, de darmen moeten vergeten.

Hij had ons zo moeten scheppen dat we ons voedden met lucht, of ons het voedsel moeten laten opnemen zonder dat het er weer uit hoefde. Maar hij heeft de mens veroordeeld tot de eeuwige strijd om zijn ingewanden te legen, tot de lijdensweg van hardlijvigheid.

En zo komt het nu dat hij, de Leider van de zwarthemdlegioenen, de veroveraar van Italië en de meest bewonderde Italiaan ter wereld, na een bord spaghetti met tomatensaus drie dagen lang geen stoelgang heeft. En zo ja, dan draait hij een bolus van teerachtige stront, pijnlijk en scherp als een pruimenpit.

En toch rookt hij niet, drinkt hij haast niet meer, doet hij regelmatig aan sport en volgt hij een streng dieet. Hij kent echter de reden van dit alles: het komt door de Grote Oorlog en de massa dat zijn spijsvertering is verpest.

Al dat in de loopgraven naar binnen gewerkte blikvlees en al die zakjes met broodjes die hij kocht op een stationnetje na een massabijeenkomst en haastig verorberd op de achterbank, terwijl de trouwe Boratto hem naar de volgende bijeenkomst reed.

De voornaamste schuld treft echter Giacomo Matteotti, de onverzettelijke opposant, de ‘salonsocialist’, de zoon van landeigenaren die zich heeft opgeofferd voor de arme boeren. Dat lijk dat is teruggevonden door een teefje in een bosschage op het Romeinse platteland, dubbelgeklapt als een boek, met zijn benen onder zijn rug gevouwen in een te krappe, haastig met oneigenlijke middelen – een ijzervijl – gegraven kuil, aangestampt en summier toegedekt met aarde. Aan het lijk van Giacomo Matteotti dient de schuld van deze weerzinwekkende obstipatie te worden toegeschreven.

En aan die idioot van een Giovanni Marinelli, de benepen, armetierige penningmeester van de fascistische partij die, toen Matteotti het zwijgen moest worden opgelegd, ten einde twee lire te besparen, ten einde geen briefjes van duizend uit te geven waarvan beroepskrachten lekker konden eten en met een snol naar bed, in zee was gegaan met vier warhoofden en met zijn krentenwegerij de gruwelijkste politieke moord van de eeuw veroorzaakte.

En zo had de schrieperigheid van een eenvoudige bureaucraat een geïsoleerde, fanatieke opposant veranderd in een hedendaagse, heldhaftige martelaar in de strijd om de vrijheid. En hem, de triomferende Leider van het fascisme, in een pijnlijke kluwen verwrongen ingewanden. En hem gedwongen – terwijl de beschuldigende getuigenissen zich opstapelden, de oppositiepers tekeerging, links de noodklok voor de vrijheid en de rest van het land de doodsklok voor Benito Mussolini luidde –, hem gedwongen om al zijn naaste medewerkers op te offeren als een Russische vorst die om zijn huid te redden de koetsiers opvoert aan de wolven. Allemaal weg: Cesare Rossi, Aldo Finzi, De Bono, Marinelli, zelfs Balbo. Redde wie zich redden kan.

Maar toen was 3 januari gekomen. De dag van de tegenaanval. De dag waarop Benito Mussolini, recht op de vestingtoren van het premierschap in zijn eentje de storm van het parlement had getrotseerd en had gezegevierd. De dag waarop Benito Mussolini ‘Ik’ had gezegd. Ik alleen – had hij gebruld – draag de politieke, morele, historische verantwoordelijkheid voor wat er is gebeurd. Ik ben Italië, ik ben het fascisme, ik ben de zin van de strijd, ik ben het grootse drama van de geschiedenis. Als iemand mij aan deze knoestige tak durft op te hangen, moet hij nu opstaan en de zeep en het koord tevoorschijn halen.

Niemand was opgestaan. Het was tot een krachtmeting gekomen en de democratie was weerloos gebleken. Daarom had ze zich onderworpen.’

Lees verder in

De man van de voorzienigheid | Antonio Scurati | vertaald door Jan van der Haar | ISBN 9789463810715 | € 29,99 | uitgeverij Podium | bestel M. De man van de voorzienigheid bij je lokale boekhandel of via deze link bij bol.com

Lees je liever het originele boek in het Italiaans? Bestel dan via deze link het e-book M. L’uomo della provvidenza bij bol.com.

Schrijf je (gratis) in voor de Ciao tutti nieuwsbrief

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *