Ontdek de verhalen van Rosa van Gool, voormalig Italië-correspondent voor de Volkskrant, en Willem Van Mullem, VRT-journalist. Ze nemen je in hun nieuwe boeken allebei mee op reis door een ander Italië dan je wellicht al kent, voorbij de bekende plekken en clichés.

Via Italia – Rosa van Gool
In Via Italia ontdekt Rosa van Gool de moderne Italiaanse realiteit achter de clichés. Wat klopt er van de vele stereotypen en wat niet, maar vooral: waarom zijn platgeslagen ideeën over Italië zo diep verankerd?
Hoe komt het beeld dat (buitenlandse) media schetsen, van pasta, pizza en la dolce vita, tot stand? Waarom hebben Italianen een veel zwartere kijk op hun land dan buitenlanders?
Via journalistieke reizen door het hele land en ontmoetingen met Italianen uit alle lagen van de samenleving krijg je een inkijkje achter de schermen: van voetballende nonnen tot een bejaarde vuurwerkproducent.
Rosa van Gool laat zien hoe toerisme het zelfbeeld van Italië vormde. ‘Geen land heeft haar eigen mythe zo vervolmaakt,’ weet ze na vijf jaar zoeken naar de werkelijkheid achter de glanzende façade. ‘Daarin schuilt de tragiek. Verliefd worden op Italië is eenvoudig. Van Italië houden is, zeker als inwoner, een stuk moeilijker.’

Een voorproefje van Via Italia
‘De nacht van Napels rook naar zilte lucht en vuurwerk. ‘Ooo, mamaaaa, mamaaaa, weet je waarom mijn hart zo hard klopt?’ hoorde ik een groep mannen op de boulevard zingen.
Meteen beantwoordden ze hun eigen vraag, met een gebrul uit het diepst van hun kelen: ‘Ik heb Maradona gezien, ik heb Maradona gezien!’ Toen volgde het slot van het bekende Napolitaanse supportersliedje: ‘O, mama, ik ben verliefd.’
Ik hoorde het gezang toen ik op de avond van 25 november 2020 door Napels liep. Drie weken eerder was ik naar Rome verhuisd en die namiddag zwierf ik nog door de zachte herfstzon in de Romeinse wijk Trastevere.
Niet ver van mijn nieuwe appartement genoot ik van de vrijheid die bij mijn verse wonderlijke droombaan hoorde, toen plotseling mijn telefoon ging.
‘Heb je het al gehoord?’ vroeg de buitenlandchef vanuit Amsterdam op opgewonden toon. Het is vermoedelijk de nachtmerrie van elke beginnende correspondent om die vraag te krijgen, en al helemaal om hem met een stamelend ‘nee’ te moeten beantwoorden.
Dat deed ik toch maar, want het was waar. Intussen begonnen er in rap tempo rampscenario’s over elkaar heen te buitelen in mijn hoofd, van een zware aardbeving in Umbrië tot een terroristische aanslag op de metro van Milaan.
‘Diego Maradona is dood,’ klonk het aan de andere kant van de lijn. Ik slaakte een (hopelijk onhoorbare) zucht van opluchting. Verdrietig nieuws, maar ik hoefde niet zonder enige ervaring met nieuwsverslaggeving op een tragische rampplek af te stormen.
Bovendien had ik mijn eerste reportagereis eerder dezelfde maand uitgerekend naar Napels gemaakt, dus de hoofdstad van Zuid-Italië was geen onbekend terrein meer voor me.
Een paar uur later stapte ik uit een taxi bij het stadion van Napoli, nadat ik snel mijn koffertje in een hotel in het centrum van de stad had achtergelaten. Officieel gold er op dat moment een avondklok in Napels vanwege de coronapandemie, maar daar trokken zowel de voetbalsupporters als de autoriteiten zich op de avond van Maradona’s dood weinig van aan.
Langs het hek had zich meteen een altaar gevormd voor de overleden Argentijnse stervoetballer, die kort ervoor zijn zestigste verjaardag gevierd had. Essere Napoletano è meraviglioso – ‘het is geweldig om Napolitaan te zijn’ – stond er in het Napoli-blauw op een spandoek geborduurd. Rode grafkaarsjes, zoals je overal in Italiaanse kerken vindt, hielden het doek op zijn plek.
Ik sprak vaders en zonen, moeders en dochters, die me keer op keer hetzelfde verhaal vertelden: Maradona liet de zon schijnen in het door ellende geplaagde Napels. […]
Het klinkt wat oneerbiedig, maar de dood van Maradona was voor mij als beginnende buitenlandse correspondent het perfecte drama om te verslaan. De emoties van de geïnterviewden lagen voor het oprapen, maar de rouw kwam voor niemand zo dichtbij dat het echt tragisch werd.
Bovendien spreekt alles in Napels tot de verbeelding, zeker als het om voetbal gaat. Muurschilderingen, vuurwerk en uitbundige menigten in helblauwe Napoli-shirts langs de boulevard doen het goed op beeld. Maar ook een ander element ervan is mediageniek, en een rode draad in de berichtgeving over Italië: een zekere speelsheid, lichtheid of zelfs komische kant.
Want ja, voor veel Napolitanen is Maradona’s keuze voor hun stad een verhaal over verlossing, en hun emoties zijn echt. Tegelijkertijd gaat verslaggeving over Maradona’s dood of voetbal in Napels – zelfs binnen Italië – ook altijd minstens deels over de aan waanzin grenzende emotionele betekenis die de Napolitanen aan het spelletje toedichten.
Ook voor dat verhaal is geen betere hoofdpersoon te bedenken dan Diego Maradona. Want wie vertolkt het idee van spelen als zin van het leven beter dan de Argentijn? Denk alleen al aan Maradona’s legendarische warming-up op de tonen van Live Is Life, in voorbereiding op de Uefa Cup-finale in München in 1989.
De manier waarop hij met losse veters een Duits voetbalstadion en de wereld in vervoering bracht, is eerder een dans dan een warming-up, en boven alles een spel.’
Lees verder in

Via Italia | Rosa van Gool | ISBN 9789089683762 | € 21,99 | uitgeverij Meulenhoff | bestel Via Italia bij je lokale boekhandel of bij bol.com (ook beschikbaar als e-book)
Theater van de schoonheid – Willem Van Mullem
Achttien jaar geleden verloor VRT-journalist Willem Van Mullem zijn hart aan Italië. Het kostte hem echter een volwassen leven om te begrijpen dat je Italië nooit helemaal kunt begrijpen. Soms is het beter om gewoon mee te doen.
Daarover schreef hij Theater van de schoonheid, over warme ontmoetingen, feesten en familie, veel woorden en gebaren, chaos en tragiek, het Vaticaan en Lampedusa, pasta en politiek.
Het doel van dit boek is de Italiaanse code te kraken. Stap in dit theater van de schoonheid, waar de façade vaak belangrijker is dan de werkelijkheid, waar mooi soms ook té mooi kan zijn.

Lees alvast een fragment uit Theater van de schoonheid
‘Donderend over Romeinse straatstenen. Alleen de ronkende klanken van een Vespa uit de jaren zestig. Al de rest is roes. Achterop bij grote broer. Daar is de vonk overgeslagen. Liefde die nooit meer zou verdwijnen. Liefde voor een stad, liefde voor een land, liefde voor een volk.
Ik ben zestien in 2002. Samen met papa ga ik naar grote broer in Rome. Hij gaat een jaar in het buitenland studeren en wij mogen op bezoek. Ik zeg ‘wij mogen op bezoek’, want grote broer krijgt liefst niet te veel Belgische gasten over de vloer. Ik zal jaren later zelf begrijpen waarom. Als niet-Italiaan studeren in Italië, dat is eigenlijk niet zo hard studeren. Er valt veel meer te ontdekken dan de handboeken of lessen alleen.
Als kind zijn we kat en hond, grote broer en ik. Hij vindt me een verwend nest. Ik kijk naar hem op, maar mag dat natuurlijk niet te hard laten blijken. Rome is een keerpunt. Achter op die Vespa sla ik mijn armen krachtig om hem heen. Omdat het een hobbelige rit is, maar ook omdat een hechte band daar via een stevige houdgreep uitgesproken wordt. West-Vlamingen kiezen sneller voor gebaren dan voor woorden.
Papa heeft goed begrepen dat hij zijn jongens even moet loslaten. De musea overdag doen we samen, de uitstapjes ’s avonds laat hij wijselijk aan zich voorbijgaan. Daarom zitten we nu samen op die azuurblauwe Vespa. Hij heeft zelfs een koosnaampje voor haar: Maya.
Een bij, geen wesp. Maar toch una Vespa, wat dus letterlijk ‘wesp’ betekent. Het heeft me jaren gekost om dat fijnzinnige woordspelletje te begrijpen. Deze rit wordt het begin van mijn Italiaanse avontuur, al zal ik ook dát pas vele jaren later zien.
De tocht start bij valavond en de zon nestelt zich achter het indrukwekkende Colosseum. Dat Colosseum wordt zowaar nog indrukwekkender bij dit spel van zonlicht en schaduw. We rijden langs het Circus Maximus. Met mijn ogen dichtgeknepen hoor ik de paardenhoeven en razende wielen die er ooit gereden moeten hebben.
Op dat ogenblik studeer ik Latijn op een Brugse middelbare school en ik lijk even door mijn geschiedenisboeken te rijden. Het verkeer is intens, grote broer net niet overmoedig. Wie hier niet assertief rijdt, wordt omvergereden. Die regel geldt op de meeste Italiaanse wegen.
Het is een filmscenario, al is het al eens geschreven. In 1953 komt de film Vacanze Romane uit, Roman Holiday. Zwart-wit, met een topcast. Audrey Hepburn en Gregory Peck vertolken de hoofdrollen.
Hepburn speelt een prinses die het helemaal gehad heeft met het verstikkende protocol van het koningshuis. In Rome ontsnapt ze op een nacht uit haar hotel en ontmoet ze de Amerikaanse journalist Joe, gespeeld door Gregory Peck. Hij laat haar het echte leven zien.
Hij laat haar het Romeinse leven zien. Weg van alle plichtplegingen en gouden koetsen met paarden. Achter op een Vespa ontdekt ze de schoonheid van de stad en uiteraard valt ze voor de charmes van de Amerikaanse reporter.
Vijftig jaar na Peck en Hepburn maak ik een gelijkaardig momentje mee. De stad zal op dat specifieke moment voor altijd een plekje in een kamer van mijn hart innemen. Eentje van waaruit uitchecken nooit meer mogelijk is.
Ik kijk die avond met opengesperde mond hoe er in vloeiend Italiaans eten wordt besteld. Ik glim van trots als er met een ober wordt gedold. Jaren later pas kom ik te weten dat grote broer vaak zijn plekjes op restaurant reserveerde onder de naam Il piccolo Belga.
Grote broer is niet groot van gestalte en daarom kreeg hij er algauw de koosnaam ‘de kleine Belg’. De cirkel is rond als ik vele jaren later in een van zijn favoriete Romeinse restaurants beland.
Na afloop ga ik langs bij de baas om de rekening te betalen. Hij houdt zijn beide handen horizontaal evenwijdig voor mijn gezicht. Een hand ter hoogte van de wenkbrauwen, de andere vlak boven mijn bovenlip. Hij probeert op die manier mijn ogen en mijn neus te isoleren.
‘Je doet me aan iemand denken’, zegt hij.
‘Ik ben de broer van Il piccolo Belga’, verlos ik de man die al te lang door zijn complete klantenbestand aan het graven is.
‘Lo sapevo!’ roept hij me toe. Dat hij het wist.
Hij laat zijn hele restaurant wachten, rent naar de keuken en schreeuwt naar de kok dat de broer van de kleine Belg hier is. Potten en pannen kletteren nog harder dan anders en de opwinding in de keuken is voelbaar tot aan de bar.
De baas vertelt in geuren en kleuren hoe hij grote broer nog altijd ziet zitten met dat bordje pasta all’amatriciana. Verborgen achter een weelderige krullenbol. De rekening is vlak voor deze hele surreële scène betaald en al snel komt er een fles limoncello op tafel. Op de gezondheid van de kleine Belgen.’
Lees verder in

Theater van de schoonheid | Willem Van Mullem | ISBN 97893491151 | € 24,99 | uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts | bestel Theater van de schoonheid bij je lokale boekhandel of bij bol.com