Ga op pad met onze City Walks!

Granaatappelijs

Op mijn zoektocht naar het lekkerste Italiaanse ijs in Amsterdam miste ik een smaak die ik tijdens mijn laatste bezoek aan Italië tot de lekkerste ijssmaak heb verkozen: granaatappelijs. Er gaat niks boven dit smaakvolle, helderrode ijs, dat overigens misschien nog wel lekkerder smaakt met een bolletje vanille-ijs erbij voor het contrast. Bewerkelijk is het wel, dus misschien niet zo gek dat geen enkele Amsterdamse ijssalon zich er dagelijks aan waagt.

Ingrediënten: 5 granaatappels | 1 citroen | 200 g suiker

Haal de pitjes uit de granaatappels. Doe dit wel voorzichtig, want een rijpe granaatappel kan erg spatten en het rode sap maakt vlekken die moeilijk te verwijderen zijn. Doe de pitjes in een pan en pers de citroen erboven uit. Schenk er een half glas water bij en roer de suiker erdoor. Laat het geheel een kwartier zachtjes koken. Wrijf het mengsel door een zeef en laat het goed afkoelen. Draai vervolgens in de ijsmachine van dit granaatappelsap in ongeveer dertig minuten een heerlijke granaatappelsorbet, oftewel gelato melagrano.

granaatappel

Siciliaans testament – Rosita Steenbeek

In Siciliaans testament van Rosita Steenbeek vond ik een fragment waarin het granaatappelijs als toetje wordt opgediend. Het granaatappelijs wordt hier vast niet voor niets opgediend; de vrucht staat symbool voor de melancholie die door het hele boek heen te voelen is.

Siciliaans testament gaat over een Nederlandse vrouw die naar Sicilië terug is gekeerd om haar voormalige geliefde te bezoeken, die stervende is. Waar ze vroeger midden in la dolce vita belandde en de liefde geen grenzen kende, komt ze nu terecht in een duister drama, met een oude verbitterde man, zijn schizofrene zoon en een tirannieke butler. De fysieke en mentale ontluistering van de oude psychiater en man van de wereld staan in schril contrast met de schoonheid van het eiland en de uitbundige feestelijkheden rond de beschermheilige van de stad, Sant’Agata.

Siciliaans testament is een hartstochtelijke ode aan Sicilië en ademt een zoete melancholie om wat was en nooit meer zal zijn. Lees maar een stukje mee:

’s Avonds eten ze op het door kaarsen verlichte terras van Sant’Elena, onder de hoge bomen waarin krekels boven de romantische muziek van de pianobar uit proberen te komen, naast hen het maanverlichte strand en de glanzende zee.

Ze was hier gelukkig geweest. En ongelukkig. Ze hield van hem en hij van haar. Ze leefde in het hier en nu, met hart en ziel en zinnen. Alles wat haar grond vormde, waarmee ze was grootgebracht, het Griekse theater, oude kerken, beeldende kunst en geschiedenis, vond ze hier. In andere opzichten was het jetsetbestaan van strand en nachtclubs, motorboten, luchtig vertier, in strijd geweest met alles wat ze kende en had nagestreefd. Maar de ondergrond was dramatisch, dat had ze altijd gevoeld, zoals hun relatie dramatisch was, want onmogelijk. Omdat ze zo aan hem verslingerd was kon hij haar kwetsen zonder het te willen. Dan had ze het gevoel dat ze een vastgelegde rol moest spelen in het leven dat hij al veertig jaar leidde. Nu raakt hij haar niet meer op die manier en dat is tegelijkertijd droef en bevrijdend. Ze voelt geen drang te vechten om zijn aandacht. Ze vindt het wel erg dat hij somber is en ze betreurt het dat ze daar weinig aan kan doen.

Er staat geen risotto alla zarina meer op de kaart, risotto met kaviaar, die ze hier vroeger altijd namen, wel risotto al nero di seppia, risotto in zwarte inktvisseninkt.
Achter de oleanders ziet ze het huisje met balkon dat ooit speciaal voor Roberto als appartement was ingericht. In de drukste periode van de zomer zaten ze vaak hier omdat Roberto geen zin had om heen en weer te rijden tussen de villa en de zee en ook omdat het hier levendig was en vol zat met artiesten die optraden tijdens het festival. Ze ziet zichzelf daar voor de spiegel staan om zich op te tutten voor een feestdiner en hoe het zweet van haar gezicht bleef druipen. Ook toen woei de scirocco en hield het eiland dagen in zijn gloeiende greep met temperaturen die zelfs ’s nachts niet onder de veertig graden daalden.

‘Beetje bitter,’ zegt Roberto melancholiek, ‘dat de dingen niet meer zijn zoals ze waren.’
Dat zei hij twintig jaar geleden ook en daar had ze vaak om gehuild.
‘Ook mooi,’ zegt hij nadat ze een tijdje zwijgend hebben gegeten. ‘Ieder mens heeft seksuele gevoelens, de laagste mensensoort, de dieren. Ze volgen hun driften en instincten, maar dit wat wij hebben is bijzonderder.’
Ze kijkt naar hem. Hij niet naar haar.
‘Diepe affectie, van hart en ziel.’
Dan ziet ze even een weemoedige glimlach.

Toe nemen ze granaatappelijs, zoet en bloedrood.
‘Ik heb veel fout gedaan, me door instincten laten beheersen. Wat is ervan over? Niks.’ Als hij de kracht zou hebben zou hij zich meteen weer in datzelfde leven storten, daar maakt ze zich geen illusies over.

Na het eten gaan ze zitten aan een tafeltje bij de rand van de dansvloer, een gedeelte van het grote terras dat door een bloemenhaag wordt gescheiden van het restaurant. De pianist speelt ‘Mala femmina’, zoals vroeger als ze hier verschenen. ‘Slechte vrouw, zoet ben je als suiker, je gezicht dat van een engel, en dat alles om mij te misleiden.’ Nadat Roberto dit lied een paar keer als verzoeknummer had laten zingen, zetten de zangers in alle pianobars het in zodra zij binnenstapten.

‘Champagne?’
Even later wordt er met een ingetogen knal een fles ontkurkt.
Ze toasten.
‘Op ons,’ zegt ze, ‘op wat is geweest, en op dat we hier weer zijn.’

© Rosita Steenbeek

Ontdek onze droomplekken in Italië!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *