Download gratis de Ciao tutti app!

Verre vaders – de memoires van Marina Jarre

In Verre vaders vertelt de Italiaanse auteur Marina Jarre het verhaal van haar bijzondere jeugd, die begint in Letland in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw.

Marina wordt geboren in een gecompliceerd gezin: haar ongrijpbare, knappe vader (een Letse jood die in 1941 omkwam), haar strenge moeder (een Italiaanse protestant die Russische literatuur vertaalde), haar zus en haar Letse grootouders.

Namens uitgeverij Wereldbibliotheek mogen we een fragment uit Verre vaders delen.

Van Letland naar Italië

Marina Jarre vertelt over haar kindertijd en puberteit, eerst als Duitstalige minderheid in Riga, daarna in Italië. Na de scheiding van haar ouders in 1935 wordt ze namelijk naar haar grootouders van moederskant gestuurd, Franstalige protestanten die ten zuidwesten van Turijn wonen, geen vanzelfsprekend thuis voor een jood in fascistische Italië.

Marina’s memoires gaan over tijd, taal, vrouwelijkheid, verbondenheid en vervreemding, en centraal staat de vraag wat een thuis betekent voor degenen die er geen hebben – of meer dan één.

Lees alvast een fragment uit Verre vaders

‘Er zijn dagen dat de hemel boven Turijn immens is. Dagen van een zomerhitte die al vanaf de vroege ochtend de horizon doet zinderen, die aan de ene kant de heuvels vertroebelt, aan de andere kant de bergen.

Bij zonsopgang ritselen de bomen met weidse, bladerrijke golven in een trage, continue beweging die zich uitspreidt over de hele stad. De hemel omspant het geheel en is overal even opaak en geel-grijs, even roerloos en zonder een enkele wolk.

Tegen deze hemel zwermen en kwetteren de zwaluwen. Iets later, tegen achten, sluiten de steeds langzamer golvende bomen zich om de vogelzang, tot hun beweging geheel tot stilstand komt. De hemel wordt dan felgeel en het geluid van auto’s begint de straten te vullen.

Toevallig hoor ik Gianni en een paar van zijn vrienden praten over hoe Turijn was in hun kindertijd en tienerjaren, toen ze nog gingen schaatsen op de ‘Italia’. Hier was toen dat loopbruggetje over de spoorbaan, daar liepen ze door de straat met de bordelen, of door die Via Roma van vroeger, nog bochtig, en vol met oude winkeltjes. Turijn eindigde bij het Mauriziano-ziekenhuis, daarachter waren alleen nog maar grasvelden.

Als ze over dit Turijn praten zijn Gianni en zijn vrienden absoluut niet droevig, ze voelen geen enkel gemis. Ik heb Gianni alleen een keer horen zeggen dat hij het jammer vond dat een paar jaar geleden de rails van tramlijn 8 zijn weg gehaald.

‘Die kijken nog wel op hun neus,’ zei hij wrokkig, ‘als er straks geen benzine meer is!’ En toen hij op een dag door het Valentino-park liep, vond hij het ook jammer dat daar de reusachtige araucaria uit de botanische tuin was omgehakt; een stuk stam ervan stak als een enorm grijs wrakstuk nog door de omheining heen.

Hij praat over mensen, en terwijl hij praat verkleint de stad zich tot een nauwe cirkel waarin iedereen elkaar kent. ‘Die had als klein meisje al kromme benen,’ mijmert hij bij een voorbijkomende vrouw.
‘Ken je haar?’
‘Nee, maar we zaten bij elkaar op de lagere school, zij zat ook op de Silvio Pellico.’

Hij mist dat Turijn van vroeger niet, bedenk ik, omdat hij het helemaal niet kwijt is. Hij is zijn kindertijd niet kwijtgeraakt. Vaak benijd ik anderen hun kindertijd.

Het overkomt me zelfs dat ik opeens jaloers ben op een kind in een wandelwagen of op jonge zwangere vrouwen, met hun keurige, sierlijke buiken. Het is een jaloersheid die oplaait uit het ongemak dat ik altijd al in me draag, uit het hinderlijke besef dat ik me beter op de hoogte moet stellen, dat ik buitengesloten ben, en uit het heimwee naar het oude Turijn, dat ik wél voel, het oude Turijn waaruit, onveranderd, het kind in de wandelwagen en de jonge elegante vrouw met haar dikke buik voortkomen.

Het heimwee dat Gianni en zijn vrienden niet lijken te voelen, voedt zich met dat wat ik niet weet, met dat wat ik niet heb gezien, met geuren die ik niet heb geroken, met het bestaan van de ander die ik niet was.

Ik woon al meer dan dertig jaar in Turijn, en de nieuwe stad, die de oude kern omringt, ken ik door en door. Die is samen met mij gerijpt en ouder geworden, met in het noorden en westen de enorme boulevards geflankeerd door een ononderbroken rij hoge huizen, met de nieuwe villa’s in de luxe woonwijken op de heuvel, en met de enigszins nevelige en schaarser bebouwde buurten bij de snelweg naar Milaan, waar je overal benzinestations ziet, en hogerop allerlei reclameborden.

Ooit heb ik een zomer lang door Turijn gelopen met een botanisch handboek. Om vijf uur ’s middags ging ik de straat op en wandelde dan langs de buitenkant van grote tuinen in het centrum en de Crocetta-buurt, of ik ging de parken in. Ik probeerde dan de bomen die ik zag met behulp van de beschrijvingen en illustraties in het boek hun naam te geven.

De zomerwind deed stoffige flarden papier opwaaien naar de dikke kruin van de witte paardenkastanjes. In de tuin ernaast bloeide een honingboom, terwijl in een klein parkje in Via Bertolotti de acacia’s in bloei stonden.

In het La Marmora-park waren de bladeren van de judasboom – die bij zonsondergang soms donkerblauw lijken onder de onweersluchten die in de zomer altijd maar over de stad trekken, als zwarte sluisdeuren die open- en dichtgaan, nu eens in het noorden, dan weer in het zuiden – die bladeren van de judasboom, zei ik, waren van een intens lichtgroen, met een blauwig schijnsel.

Als ik zo om me heen keek – zou dat een vleugelnoot zijn of een hemelboom? – werd ik soms overvallen door vage, onduidelijke opwellingen van solidariteit jegens de mensen die, net als ik, in de volle zomer door de straten van Turijn liepen.

Terwijl ik langs al die plaatsen wandelde, straat na straat, over stoffige trottoirs bezaaid met stukken papier, platgetrapte ijsjes, condooms, injectienaalden, hondenpoep, werd de straat gaandeweg dé plaats, de enig mogelijke plaats, niet meer te onderscheiden van andere plaatsen, en alle mensen op die trottoirs, en ik tussen hen in, waren ook niet meer van elkaar te onderscheiden.

Ik zag opeens nieuwe blokkendozen van gebouwen aan nieuwe modderige, eindeloze en naakte boulevards, gebouwen die zo ver uit elkaar kwetsbaar leken in hun eenzaamheid, maar daarna geordend werden in zanderige kringen met dunne boompjes – netelbomen? Of er waren opeens rechte rijen esdoorns die de grote parkeerplaats tussen het San Giovanni Vecchio-ziekenhuis en het Beursgebouw omzoomden.

Het waren gewaagde veranderingen, die natuurlijk zouden leiden tot latere, ook weer avontuurlijke aanpassingen, door een onzichtbare hand, allemaal in slechts één nacht verricht.

Discutabel waren zeker de telefooncellen, een exacte kopie van de machines uit sciencefictionfilms om door ruimte of tijd te reizen. Machines die in die films inderdaad net zo normaal zijn als deze telefooncellen in Turijn, die ons iedere dag doen beseffen dat we wel zo’n reis kunnen gebruiken, dat die reizen heel natuurlijk zijn.

Dit is de plaats zonder naam, die gelijk is aan andere plaatsen, en mijn tijd, die gelijk is aan de tijd van alle anderen. Ik zal niet meer vluchten.

Toen ik als klein meisje fantaseerde over weglopen van huis, was Italië het land waar ik naartoe wilde vluchten. Italië, het geboorteland van mijn moeder, waar het altijd warm was en je heel lang in de tuin kon blijven. De diarree die ik in de zomervakanties daar altijd kreeg van te veel onrijp fruit, had ik daar best voor over.

Mijn zus en ik zijn geboren in Riga. Een foto van mij toen ik vijf was: mijn haar in twee staartjes aan weerszijden van mijn piepkleine gezicht; gekleed in het mooie gestreepte fluwelen jurkje – zoals al mijn jurken door mijn moeder uitgekozen – met daaroverheen het dunne huis-schortje, sta ik naast het poppenhuis, één hand op het platte dak, waar ik mijn pop Willi stevig vasthoud. Vlak naast me staat de kooi met de kanarie Pippo. Ik glimlach liefjes maar onwillig en staar zijwaarts in de verte.

Op een andere foto zit ik, met zo’n zelfde halve glimlach boven mijn koppige kin, en ook weer met mijn blik op iets anders, naast mijn moeder en zusje, dat juist met stralende, nieuwsgierige ogen recht vooruit kijkt. Mijn moeder staat er en profil op, mijn kant op gedraaid, en glimlacht trots en ontroerd. Ze heeft twee minuscule rimpeltjes bij haar ooghoeken.

Mijn zelfbewustzijn is verbonden met alle angsten die ik had, en mijn bewustzijn van anderen met het verschijnen van mijn zusje in mijn leven.’

Lees verder in

Verre vaders | Marina Jarre | vertaald door Philip Supèr (oorspronkelijke titel: I padri lontani) | ISBN 978 90 284 5226 8 | € 22,99 | uitgeverij Wereldbibliotheek | bestel Verre vaders bij je lokale boekhandel of via deze link bij bol.com

Schrijf je (gratis) in voor de Ciao tutti nieuwsbrief

Een reactie

  1. Dit mooie boek wil ik graag lezen, daarom heb ik meegedaan.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.