Ga op pad met onze City Walks!

Schimmenrijk

Schimmenrijk, een van de eerste boeken van Rosita Steenbeek, speelt zich af in de Maremma, in en om de plekken waar Etruskische overblijfselen gevonden zijn. De hoofdpersoon is de Nederlandse Lisa, die in een diepe crisis raakt als haar vriend Lorenzo, een archeoloog uit het gebied van de Etrusken, plotseling sterft. Lisa is zozeer verlamd door verdriet dat zelfs haar hartsvriendin Heleen, met wie ze jarenlang lief en leed heeft gedeeld in hun gezamenlijke appartement in Rome, haar niet kan helpen.

Bijna een jaar na het overlijden van Lorenzo, besluit Lisa een reis naar zijn geboortegrond in het zuiden van Toscane te maken om het verdriet in de ogen te zien en in de hoop meer te weten te komen over de raadselachtige omstandigheden rondom zijn dood.

Het is het begin van een avontuurlijke en tegelijk louterende tocht. Lisa komt in aanraking met de geheimzinnige wereld van tombaroli en fiumaroli, grafrovers en rivierschuimers, die haar rondleiden door het Dodenrijk. ’s Nachts daalt ze met hen af in beschilderde Etruskische tombes. Uiteindelijk weet ze via verborgen wegen niet alleen de ware toedracht rond de dood van Lorenzo te achterhalen, maar ook het spoor terug te vinden naar haar eigen leven. Haar vriendin Heleen zal haar daarbij op een onverwachte, paradoxale manier de hand reiken.

Schimmenrijk is een aangrijpende roman over verbondenheid en vergankelijkheid, vriendschap en liefde – en over het vieren van het leven in het aanzicht van de dood. Een fragment:

‘Angela gebaart Lisa haar te volgen over het geploegde land naar een lange, dichte haag van hoog riet. Boven hen, op de heuvel, ligt Saturnia dat in het licht van de laatste zon uit goud lijkt opgetrokken. Aurinia, stad van het goud, heette het vroeger, voordat Saturnus het zijn naam gaf, de god die regeerde in het gouden tijdperk, toen overal vrede heerste en iedereen gelukkig was.

Als ze dichter bij de haag komen, klinkt opnieuw geluid van water. Langs de riethalmen klimt haagwinde omhoog, dunne steeltjes met groene hartjes. Ze lopen verder tot ze bij een open plek zijn, als een loge.

Blauwwit water kolkt en borrelt voorbij, er komen dampen vanaf. Lisa kijkt naar Angela. Dit moet de plek zijn waar ze met Lorenzo had zullen baden, ’s nachts, bij kaarslicht.

Ze trekken hun kleren uit en hangen die aan de takken van een olijfboom, zoals de Etruskische meisjes dat deden op een vaas die ze in het museum had gezien.

Voorzichtig stappen ze in de warme beek. De stroming is sterk en ze moeten zich stevig vasthouden om niet te worden meegetrokken. Van twee kanten buigt het riet over hen heen en vormt zo een tunnel, een poort over een weg van dampend water. Lisa kan niet zien waar die weg begint en waar hij eindigt.

Hier lijkt de grens tussen droom en leven te vervagen. Ze stelt zich voor hoe Lorenzo langzaam uit de nevels opdoemt. Blijf daar, gebaart hij, in de wereld waar de dingen nog contouren hebben. Ze knippert met haar ogen. De oever is bruingroen met vlak boven het wateroppervlak een wit uitgeslagen rand. Overal ziet Lisa die groene hartjes van de winde, als in de tombe van Tarquinia, als tegen de muur van Lorenzo’s balkon.

Koesterend is het water. Voor het eerst wordt ze weer gestreeld, warm, zacht, sterk. De lange bladeren van de riethalmen wuiven als haren. De zwavelstank begint vertrouwd en bijna aangenaam te worden.

Ze zwemmen een eindje, het water sleurt hen mee.
‘Kijk uit,’ roept Angela. ‘Hier is een waterval.’
Net op tijd grijpen ze zich vast aan het riet. Dan dalen ze voorzichtig af, langs de zijkant, en gaan een meter lager zitten, onder het neerstortende water.

De stralen spatten op Lisa’s huid, als handen van honderden trommelaars slaan ze, jagen haar bloed door armen, buik, dijen. Even lijken al haar tobberijen op te lossen. Even lijkt ze alles te vergeten. Voor het eerst voelt ze weer dat ze een lichaam heeft. Ze blijven een tijd zo zitten, tot ze gloeien.

Angela haalt een hand modder van de oever, van vlak boven de waterspiegel. Het is bruinig, kleiachtig. ‘Dit is wat ze in al die mooie potjes stoppen en over de hele wereld duur verkopen.’

Ze smeert de klei op Lisa’s arm, dan op haar eigen armen en op haar gezicht. Lisa volgt haar voorbeeld. Het is een aangename sensatie, die smeuïge klei met haar hand van de oever te schrapen, zichzelf ermee in te smeren. Ze gaan op de wal zitten om ook de rest van hun lijf met een laag te bedekken en de modder te laten drogen. Langzaam veranderen ze van kleur en worden groen. Groen als het riet.

De avond valt.
‘Het wordt snel koud als de zon weg is,’ waarschuwt Angela. Met veel moeite waden ze tegen de stroom in, terug naar de plek waar ze hun spullen hebben achtergelaten. Ze spoelen de modder van hun lijf.

Als ze het water uit stappen, bibberen ze van de kou. Angela vist een handdoek uit haar rugzak en haastig drogen ze zich af. Op dat moment komt er een tractor langs. ‘Complimenti alla mamma!’ roept de jonge boer geestdriftig. Lachend kleden ze zich aan en in hoog tempo lopen ze de berg op, naar het stadje, terwijl het land de deken van de nacht over zich heen trekt.’

Schimmenrijk
Rosita Steenbeek
ISBN 9789044615913
€ 19,95
uitgeverij Prometheus

Ontdek onze droomplekken in Italië!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *