Download gratis de Ciao tutti app!

Het huis aan de rivier – de lotgevallen van de familie Casadio

De familie Casadio woont al sinds mensenheugenis in het dorp Stellata, aan de rivier de Po in het noorden van Italië. Ze leiden een simpel, hardwerkend boerenbestaan, maar alles verandert als Giacomo Casadio verliefd wordt op Viollca Toska, een zigeunermeisje met een onverklaarbare gave.

De afstammelingen van Giacomo en Viollca worden geboren als blonde dromers met blauwe ogen of als donkerharige avonturiers met donkere ogen. Ze delen allemaal het verlangen om het lot uit te dagen en hun dromen na te jagen.

Het huis aan de rivier is een familiesaga en een historische roman ineen. In de loop van bijna tweehonderd jaar volgt Daniela Raimondi met veel gevoel voor drama en emotie de lotgevallen van de familie Casadio – een bonte verzameling personages waarvan generatie op generatie geraakt zal worden door ongeluk en voorspoed tijdens alle grote omwentelingen in de Italiaanse geschiedenis.

Geniet alvast van een fragment
‘Het is de schuld van een zigeunerin dat onze familie zo is ontspoord.’ Dat zei mijn grootmoeder vaak, haar witte schort voorgebonden en haar mouwen opgestroopt tot haar ellebogen, terwijl ze voorbereidingen trof om pastadeeg te gaan maken.

Vervolgens begon ze onze familiegeschiedenis te vertellen vanaf die gitaanse oermoeder en ondertussen liet ze de eieren in de bloemvulkaan vallen. Een kleine polsbeweging en krak, daar ging een ei; nog zo’n beweging en krak, daar ging het tweede. Ze kneedde het deeg terwijl ze praatte, huilde en lachte.

Ze geloofde rotsvast dat het huwelijk van een van onze voorvaderen met een zigeunerin ervoor had gezorgd dat de helft van onze familie een bleke huid en blauwe ogen had, terwijl de andere helft geboren werd met ravenzwart haar en donkere ogen.

Het waren niet zomaar kletspraatjes van een oude vrouw. De aankomst van de zigeuners in het dorpje Stellata, waar mijn familie vandaan komt, staat beschreven in een eeuwenoud document dat wordt bewaard in het historisch archief van de Biblioteca Ariostea in Ferrara.

De zigeunerkaravaan was in het dorp verschenen op een dag dat de regen met bakken uit de hemel viel. Het was november en het goot al weken aan één stuk. De velden gingen schuil onder een handbreedte water; daarna waren de paden verdwenen, de straten, de binnenplaatsen en uiteindelijk zelfs het marktplein.

Om zich te verplaatsen namen de mensen hun toevlucht tot boten. Stellata was veranderd in een soort Venetië in het klein, maar dan een armoedige versie, zonder paleizen en gondels en met bouwvallige huizen, vermolmde sloepen en het brakke water van de rivier.

De huifkarren waren knarsend de schipbrug over de Po af gehobbeld en hadden daarna de dijkweg genomen. Het water gutste neer en de poten van de trekdieren zakten weg in de blubber. De wielen blokkeerden, het hout kraakte, en uiteindelijk zaten de wagens muurvast in de modder.

De mannen probeerden ze tot diep in de nacht los te krijgen, maar bij vijf huifwagens lukte dat niet, zodat de zigeuners in afwachting van beter weer hun kamp moesten opslaan in het dorp.

Toen het ophield met regenen, werden de wagens losgewrikt en de wielen vervangen, maar door een reeks gebeurtenissen zagen de vreemdelingen zich genoodzaakt hun vertrek telkens uit te stellen: eerst moesten ze de afloop van een zware bevalling afwachten, daarna kreeg iemand dysenterie, vervolgens ging er een paard dood. Toen de zigeuners eindelijk klaar waren om hun weg te vervolgen, nam een van de strengste winters van de eeuw het dorp in een ijzige greep. Doorreizen leek iedereen een krankzinnig idee.

Om de verveling van de lange wintermaanden te verdrijven ging een van de zigeuners aan de slag als hoefsmid, anderen begonnen rieten manden, teugels, zeven en tamboerijnen te verkopen op de markt, weer anderen maakten muziek op doopfeesten en bruiloften. De lente kwam en ging; in de zomer brak de tyfus uit en moest het dorp in quarantaine.

Naarmate de seizoenen verstreken sloop de dagelijkse sleur onvermijdelijk het leven van de zigeuners binnen. Bijna zonder dat de dorpelingen van Stellata het doorhadden, ging hun afkeer van de nieuwkomers over in vertrouwdheid.

Oude mensen stierven, kinderen werden geboren en jongelui werden verliefd zonder al te veel op de verschillen te letten. Feit is dat slechts enkele generaties later een derde van de inwoners van Stellata zigeunerbloed in zijn aderen had.

En hier verschijnt mijn betovergrootvader Giacomo Casadio ten tonele. In Stellata stond hij bekend als een eenling met een zwaarmoedig karakter. De natuur had hem echter gezegend met een levendige verbeelding, en van jongs af aan gaf hij blijk van visionaire bevlogenheid. Hij droomde ervan om schepen te bouwen, maar niet de eenvoudige schuiten die je alle dagen voorbij zag komen op de Po.

Hij fantaseerde over vaartuigen met een ruim waarin niet alleen graan, hout, hennep en kleinvee konden worden verscheept, maar ook koeien en paarden. Kort samengevat: Giacomo Casadio had een schip voor ogen dat veel weg had van de Ark van Noach.

Dat idee had hij als kleine jongen gekregen, in de pastorie. Al bladerend in een bijbel was hij op een plaatje gestuit van de ark die op het punt stond uit te varen. Het was een prachtig schip, met een bolle buik, raampjes waar koppen van leeuwen en giraffen door staken, en daaronder rijen eenden, hanen en kippen, en natuurlijk koppeltjes geiten, dromedarissen, schapen en ezels.

Een schip dat de zondvloed kon trotseren en alle levende wezens op aarde zou redden! Dat Bijbelse beeld had het zaadje van zijn obsessie geplant. Toen hij wat ouder was, begon Giacomo arken te bouwen op het erf achter zijn huis. Hij had er goed over nagedacht: de rivier was altijd al de snelste manier geweest om mensen, karren en dieren te vervoeren. En dan waren er nog de vissers, de kikkervangers, de zanddelvers… Stellata, waar de Po breed en diep was, kon een grote rivierhaven worden.

Het kostte hem drie jaar om zijn project te voltooien. Toen de ark klaar was, wachtte Giacomo tot 4 december – de naamdag van de heilige Barbara, de beschermvrouwe van de schippers – om hem te water te laten.

Die ochtend gonsde Stellata van de opwinding. Het hele dorp was uitgelopen om het schouwspel vanaf de dijk gade te slaan. Even later arriveerde ook de pastoor met het kruisbeeld, de misdienaars en het wijwater. Het schip werd naar de rivier gereden op een enorme kar waar twaalf ossen voor waren gespannen.

Zodra ze de modderige waterkant bereikt hadden, begonnen de sterkste mannen aan de ark te sleuren, waarbij ze de boomstammen waar hij op rustte een voor een verlegden, en lieten hem zo van de kar glijden, en dan verder over de oever. Er klonken verbaasde en bemoedigende kreten, er waren glijpartijen en momenten van gespannen verwachting, maar uiteindelijk dreef de ark op de Po.

Uit de menigte steeg daverend gejuich en applaus op. Met zijn kenmerkende grote, slungelige passen en een triomfantelijke blik ging Giacomo aan boord. Zijn blauwe ogen straalden toen hij de mensenmassa op de oever groette en hij stak zijn borst vooruit van trots. In zijn hele leven had hij zich nog nooit zo gelukkig gevoeld.’

Lees verder in

Het huis aan de rivier | Daniela Raimondi | vertaald door Lies Lavrijsen | ISBN 9789403137018 | € 20,99 | uitgeverij Cargo | bestel Het huis aan de rivier bij je lokale boekhandel of via deze link bij bol.com (ook verkrijgbaar als e-book)

Schrijf je (gratis) in voor de Ciao tutti nieuwsbrief

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *