Inspiratie voor een Italiaanse kerst

Het Caravaggio-vonnis – thriller op het Toscaanse platteland

In Het Caravaggio-vonnis – een thriller van de hand van voormalig hoofdcommissaris Marco De Franchi – worden op het platteland van Toscane twee bijna identieke kinderen ontvoerd.

Een van hen weet te ontsnappen en vertelt wat er is gebeurd, maar de jonge commissaris Valentina Medici weet zeker dat hij iets verbergt. Dan verdwijnt er nog een kind en begint de tijd te dringen.

Valentina vermoedt een gruwelijk complot, maar wordt alleen geloofd door Fabio Costa, een uit de gratie geraakte collega met een duister verleden. Samen moeten ze op zoek naar een nietsontziende moordenaar met een morbide, wrede obsessie, die hen steeds een stap voor lijkt te zijn.

Het is Valentina’s eerste officiële onderzoek, maar al snel vreest ze dat het ook haar laatste zal zijn. Want niemand kan zo diep de duisternis in duiken en daar ongeschonden uit terugkeren…

Lees alvast een fragment

‘Het jongetje rende door de berm, als een dier dat vlucht in de nacht. De man in de auto moest aan de beroemde foto van Kim denken, het Vietnamese meisje dat wanhopig wegvluchtte terwijl de napalm haar rug verbrandde.

Maar dit was de SR74, de Maremmana, de regionale autoweg, die op dit stuk pal langs het hoogste punt van het dorpje Sorano liep, waarvan de lichten schitterden in het donker, en die het boerenland van Grosseto eromheen doorkliefde.

De man keek of er niemand achter hem reed en remde voorzichtig af. Hij zette zijn Toyota Highlander vlak langs de heuvel stil. Op zijn koplampen na was het donker. Het jongetje rende verder en verdween in de bocht die de automobilist net had genomen.

De man stapte uit de auto en rende het kind achterna. Hij had geen tijd om zijn gele veiligheidshesje te pakken en hij hoopte dat er geen andere auto’s zouden komen. De autoweg werd hier smaller en als er uit de bocht waarin het jongetje verdwenen was ineens een auto zou opduiken, zou die niet genoeg tijd hebben om te remmen.

Het jongetje zag er doodsbang uit en de man vreesde dat schreeuwen hem nog meer angst zou aanjagen en dat het dan van schrik het struikgewas zou induiken om te verdwijnen in de begroeiing. Dan zou hij het kind niet meer kunnen terugvinden.

Het kind was vast uitgeput. Binnen een paar minuten had de man hem ingehaald. Hijgend greep hij hem beet. ‘Stop!’ zei hij. Hij had amper tijd om te registreren hoe mager en koud de blote arm was die hij had vastgegrepen, want het jongetje draaide zich om en beet in zijn hand.

De man schreeuwde het uit van pijn, maar onderdrukte de neiging om de arm los te laten. In plaats daarvan sloeg hij zijn armen om het kind heen en probeerde de wervelwind van schoppen en stompen te kalmeren. Hij fluisterde: ‘Stop, kalm maar, alsjeblieft. Ik wil je helpen. Ik wil je alleen maar helpen.’

Het jongetje schreeuwde onverstaanbaar. Zijn ogen draaiden weg in hun kassen en hij verloor het bewustzijn in de armen van de man. Toen pas stopte er nog een auto, die hen beiden vastpinde met zijn meedogenloze koplampen. De man bleef roerloos staan en kon zich voorstellen welk effect dit schouwspel op de automobilist moest hebben.

Een lange, grote man met in zijn armen het bewusteloze lichaam van een jongetje van tien, twaalf jaar, compleet naakt.

Ze reden in een grote, babyblauwe Subaru. Een koekblik op wielen, volgens Angelo Zucca, de assistent die dienstdeed als haar chauffeur. Valentina had liever een minder opzichtige auto gehad. Maar je moet het doen met wat je familie je geeft, en haar familie was de centrale operationele dienst van de Italiaanse Staatspolitie, de SCO.

De reis was kort. Minder dan twee uur, inclusief het half uur waarin ze zich moesten losmaken uit de verkeersdrukte op de grote ringweg. Valentina had van dat half uur gebruikgemaakt om de informatie door te nemen die ze bij hun vertrek had gekregen en die ze snel op haar laptop had gezet.

In feite was het maar weinig substantieels. Misschien niet eens genoeg om inmenging van de SCO te rechtvaardigen. Maar Giuseppe Falcone, de chef, had zich niet laten vermurwen: ‘Jij moet het doen, niet een van je collega’s. Ik heb de chef van de opsporingseenheid van Grosseto niet bepaald hoog zitten. Het is heel goed mogelijk dat die de boel onderschat heeft. We moeten er snel achter komen of we echt nodig zijn. Zo niet, dan neem je afscheid en maak je meteen rechtsomkeert.’ Valentina had gehoorzaamd. Zoals altijd.

Het meisje dat bij de ingang van het politiebureau op hen stond te wachten was klein en tenger, en had een grote bos zwarte krullen. ‘Mevrouw Medici?’ vroeg ze terwijl ze haar de hand schudde. Ze gaf Valentina niet eens tijd om te antwoorden. ‘Ik ben inspecteur Blasi. Roberta Blasi. Aangenaam.’

Blasi had een energieke handdruk, in tegenstelling tot haar voorkomen. Haar ogen schitterden. Angelo Zucca stelde zich op zijn gebruikelijke ongeïnteresseerde manier voor, daarna ging Blasi hen voor het bureau in.

‘Misdrijven tegen de persoon vallen niet onder mijn werkveld,’ legde ze uit terwijl ze de bewakingsbalie passeerden en ze naar de agent gebaarde dat hij de gasten niet naar hun identiteitsbewijzen hoefde te vragen. ‘Maar ik zal de situatie voor u schetsen, als u dat niet erg vindt.’

‘Bent u niet betrokken bij het onderzoek?’ vroeg Valentina verbaasd toen ze naar de kantoren van de opsporingseenheid liepen. Blasi werd rood. ‘Deze zaak valt niet onder de bevoegdheid van mijn afdeling. Maar we hadden dienst toen ze belden en we waren de eersten ter plaatse… We weten nog niet precies waar het om gaat. De meeste collega’s geloven niet dat het echt een ontvoering van een minderjarige is.’

‘U ook niet?’
‘Ik weet nog niet wat ik moet denken.’
‘Goed,’ onderbrak Valentina haar, die de nonchalance waarmee ze de zaak hier leken te behandelen zat was. ‘Vertel me dan maar zoveel mogelijk.’

Angelo Zucca maakte van de gelegenheid gebruik om op de rand van een bureau te gaan zitten, met een raadselachtige glimlach in zijn dikke baard. Hij draaide al behoorlijk wat jaren mee bij de Dienst en zijn houding zei: ‘Maakt u zich niet druk, mevrouw, dit zijn provinciaaltjes, daar doe je niets tegen.’

Valentina kende dit psychologische mechanisme erg goed: elke keer dat de specialisten van de SCO zich in het onderzoek van de ‘lokalen’ mengden, riep dat bij die laatsten een soort achterdocht op en ontstond er vaak een of andere wedstrijd.

Alleen had zij nul interesse in die competitie. Haar taak was gaan waar ze naartoe gestuurd werd, beslissen of er reden was voor de Dienst om het veld te betreden en weer zo snel mogelijk weggaan. Er lag genoeg achterstallig werk op haar te wachten, ze had helemaal geen tijd voor politieke spelletjes tussen agenten.’

Lees verder in

Het Caravaggio-vonnis | Marco De Franchi | vertaald door Rianne Aarts & Dorette Zwaans (oorspronkelijke titel: La condanna dei viventi) | ISBN 9789401618113 | 21,99 | Xander Uitgevers | bestel Het Caravaggio-vonnis bij je lokale boekhandel of via deze link bij bol.com (ook beschikbaar als e-book)

Schrijf je (gratis) in voor de Ciao tutti nieuwsbrief

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.