Download gratis de Ciao tutti app!

Bloemen van steen – het verhaal van de Portatrici tijdens de Eerste Wereldoorlog

Tijdens de Eerste Wereldoorlog strijdt het Italiaanse leger in een reeks veldslagen tegen Oostenrijk-Hongarije. Hoog in de Alpen ontstaat al snel een loopgravenoorlog. In de sneeuw en ijle lucht vechten duizenden jonge mannen voor hun leven. Er volgt een wanhopige oproep aan de bevolking om de manschappen te helpen.

Honderden vrouwen uit de onderliggende dorpen komen in actie. Ze zijn van alle leeftijden en met gevaar voor eigen leven torsen ze manden vol voedsel en munitie omhoog de bergen in naar het front. Ze worden Portatrici genoemd, Draagsters, en uiteindelijk zijn zij het die de lichamen van de jonge mannen weer de berg af zullen dragen.

In Bloemen van steen volgt Ilaria Tuti de lotgevallen van vijf bijzondere vrouwen door de ogen van Agata, een jonge vrouw die tegelijkertijd moet zorgen voor haar stervende vader. Agata’s verhaal, en dat van Caterina, Viola, Lucia en Maria, geeft deze vrouwen hun rechtmatige plaats in de geschiedenis terug.

Een fragment uit Bloemen van steen
‘Als kind zag ik hier in de bergen een roedel wolven. Mijn vader wees ze me aan, tussen de met sneeuw beladen takken door, net voorbij het heuveltje dat ons bescherming bood. Het was een rondtrekkende groep op de andere oever van de beek.

Ik wist zeker dat ik hun geur in de wind kon opsnuiven. Die is me bijgebleven: natte vacht en dolend leven, een zurige warmte, ongetemd bloed. Het geweer bleef om mijn vaders schouder.

‘Wolven eet je niet,’ zei hij in een fluistering, waarin sporen van zijn bulderstem doorklonken. Hij had een brede borstkas, ik vond het heerlijk om te voelen hoe die onder mijn wang schudde telkens wanneer hij in lachen uitbarstte.

Met die woorden legde hij alles uit, leerde hij me een levenswet en gaf me een bewustzijn mee dat ik nooit ben kwijtgeraakt. Mijn vader heeft altijd geweten wat de plaats van de mens in deze wereld is.

De beesten, die met hun afgesleten klauwen over het ijs schraapten, leken in niets op de wolven uit de sprookjes. Ze waren mager en bochelig. Goudgele ogen en snuiten die waren ingevallen van de honger, net als bij ons. De ijskou gaf al Gods schepselen er die winter van langs.

De wolf die vooropliep was kreupel, het vrouwtje dat volgde had leeggezogen tepels die rakelings over de grond scheerden. De twee jongere exemplaren waren niet veel meer dan welpen, hun tred verried ongerustheid: ze wisten dat ze niet in staat waren voor zichzelf te zorgen. Hun vacht wees op ontbering en uitputting: grote kale plekken toonden de kromming van de ribben onder de huid. Mijn angst sloeg om in medelijden. De roedel was op sterven na dood.

Ik heb de wolven daarna nooit meer in deze streek gezien. Ook nu, nu ik volwassen ben, vraag ik me nog vaak af wat er van hen geworden is. Toch is het alsof ik ze hier weer voor me zie. Alleen zijn het nu mensen, bevolken ze deze kerk terwijl de pastoor de bedompte lucht met wierook besprenkelt.

Bijna alle kerkbanken zijn leeg. De gebogen hoofden zijn die van vrouwen en een enkel kind. De zieken zijn thuisgebleven. Gezonde mannen zijn er niet meer in Timau. De oorlog is uitgebroken.

De kerkdeur zwaait open en we draaien ons onmiddellijk om, als dieren die op hun hoede zijn. Er komt een officier binnen, snelle voetstappen, laarzen die over de gewijde vloer stampen. Hij loopt naar de pastoor zonder hem de kans te geven van de preekstoel te komen.

In een oorlog is niets heilig en deze zoon van de oorlog is daar een treffend voorbeeld van. We zien hoe zijn mond met dunne lippen woorden formuleert die alleen zij tweeën kunnen horen. Don Nereo is van streek als hij zich daarna tot ons wendt.

‘De bataljons in de Carnia-zone kampen met problemen,’ kondigt hij aan. ‘Het Commando Logistiek en de Genie vragen om onze hulp. Ze hebben schouders nodig om de verbindingen met de depots beneden in de vallei zeker te stellen.’

De generaals en strategen van het opperbevel hebben eindelijk begrepen wat boeren en houthakkers altijd al wisten: er zijn geen begaanbare wegen die naar het zijgebergte voeren, geen bergpaden om levensmiddelen en munitie met pakezels naar boven te brengen.

De verdedigingslinies liggen geïsoleerd op de bergtoppen, duizenden jonge soldaten zijn de uitputting nabij, en dat is nog maar het begin. Ik heb van ze gedroomd vannacht, ze baadden in het bloed. Ze gleden als bleke bloemen voorbij, door een purperrode stroom meegevoerd naar het dal.

De stem van de pastoor trilde toen hij onze hulp inriep en ik weet waarom. Hij schaamt zich. Hij weet wat hij van ons vraagt. Hij weet wat het betekent om die meedogenloze hellingen te beklimmen, urenlang, en dat te doen terwijl granaten als de toorn Gods boven onze hoofden ontploffen.

Naast hem staat de officier, hij kijkt ons geen enkele keer aan. Dat zou hij wel moeten doen. Dan zou hij zich realiseren wie en wat hij voor zich heeft. Dodelijk vermoeide wolvinnen, hongerige welpen. Hij zou zich realiseren wat we zijn: een roedel op sterven na dood.’

Lees verder in

Bloemen van steen | Ilaria Tuti | vertaald door Hilda Schraa | ISBN 9789403122311 | € 20,99 | uitgeverij Cargo | bestel Bloemen van steen bij je lokale boekhandel of via deze link bij bol.com (ook beschikbaar als e-book)

Benieuwd naar nog meer boeken van Ilaria Tuti? Lees dan ook Kind 39 en De slapende nimf.

Schrijf je (gratis) in voor de Ciao tutti nieuwsbrief

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *