Ga op pad met onze City Walks!

Belijdenissen van een Italiaan

Vóór 1861 was Italië een hopeloos samenraapsel van kleine stadstaatjes en gebieden die bezet waren door Frankrijk, Spanje of Oostenrijk. De Italiaanse auteur Ippolito Nievo (1831-1861) was een van de felste voorvechters van de Italiaanse eenheidsstaat. In zijn korte, bewogen leven schreef hij vele werken, waarvan Belijdenissen van een Italiaan het bekendste is. Hij stierf in de strijd voor eenheid: onderweg van Sicilië naar Napels leed zijn stoomboot schipbreuk voor de kust van Sorrento.

Belijdenissen van een Italiaan opent met de woorden van Carlino Altovito: ‘Ik werd geboren als Venetiaan, maar zal […] sterven als Italiaan.’ Carlino groeit op in het kasteel van Fratta, in de provincie van Venetië. Gegrepen door nationalistische gevoelens trekt hij al jong naar de Italiaanse centra van de macht: Venetië, Genua, Rome, Milaan en Napels. Ook de liefde kruist zijn pad, maar die gaat niet over rozen: Pisana, met haar temperamentvolle karakter, trekt hem voortdurend aan, maar stoot hem ook af.

In de vorm van een ironisch, autobiografisch relaas schetst Nievo de roerige jaren voor de Italiaanse eenwording, het Risorgimento. Hij stelt ons voor aan een stoet onvergetelijke personages: de graaf van Fratta, die nauwelijks kan lopen door een verroest zwaard dat hij altijd om zijn middel draagt; zijn kanselier, een schriel, mager mannetje dat loenst en dat als een angstig haasje achter de graaf aanhupt, en monseigneur Orlando, die door zijn vader voorbestemd werd krijgsheer te worden, maar bidden boven vechten verkoos.

Voor de lezers van Ciao tutti alvast een stukje uit het eerste hoofdstuk van Belijdenissen van een Italiaan:

‘Ik ben geboren als Venetiaan op 18 oktober van het jaar 1775, op de dag van de evangelist Sint-Lucas, en ik zal door Gods genade sterven als Italiaan, wanneer de Voorzienigheid, die op ondoorgrondelijke wijze de wereld regeert, dat wenselijk acht.

Ziedaar de moraal van mijn leven. En omdat niet ik deze moraal gemaakt heb maar de tijd dat gedaan heeft, kwam het dus bij mij op dat een naïeve beschrijving van wat de geschiedenis in het leven van een mens teweeg kan brengen, misschien nuttig zou kunnen zijn voor degenen die in andere tijden de vruchten van de gebeurtenissen uit het verleden mogen plukken.

Nu, in het jaar 1858 van de christelijke jaartelling, ben ik een oude man van over de tachtig, en toch nog jong van hart, misschien wel meer dan ik ooit in mijn harde jeugd en moeizame mannelijkheid geweest ben. Ik heb veel meegemaakt en veel geleden. Toch heb ik ook nooit gebrek gehad aan momenten van troost, die meestal niet herkend worden in tijden van tegenspoed, welke altijd de overhand lijken te hebben over de menselijke mateloosheid en zwakheid. Maar wanneer ze dan later, in hun ware gedaante van onoverwinnelijke talismannen tegen ieder kwaad, in de herinnering terugkeren, brengen ze hoop, rust en vrede in de ziel. Ik bedoel hiermee die gevoelens en denkbeelden die zich niet door omstandigheden van buiten laten leiden maar ze juist glorierijk beheersen en er een slagveld voor volop strijd van maken.

Mijn inborst, mijn geest, mijn opvoeding, mijn daden en mijn latere ontwikkeling: zij vormen zoals bij ieder mens een mengsel van goed en kwaad. En als het geen schaamteloos vertoon van bescheidenheid zou zijn, zou ik ook nog als punt van verdienste kunnen aanvoeren dat het kwaad een groter aandeel heeft gehad dan het goed. Maar dat zou allemaal de moeite van het beschrijven niet waard zijn, als ik niet geleefd zou hebben op het breukvlak van de twee eeuwen uit de geschiedenis van Italië die men zich nog lang zal heugen. Toen namelijk ontsproten voor het eerst de kiemen van het politieke denken dat vanaf de veertiende tot de achttiende eeuw doorbrak met de werken van Dante, Machiavelli, Filicaia, Vico en vele anderen die ik wegens mijn gebrek aan ontwikkeling en belezenheid nu niet weet te noemen

Ik ben dus door het feit, een ander zou misschien wel zeggen het ongeluk, dat ik in deze tijd geleefd heb op het idee gekomen alles wat ik gezien, gehoord, gedaan en meegemaakt heb, op te schrijven, vanaf mijn vroegste jeugd tot de beginnende ouderdom, toen de ongemakken van de leeftijd, de toegeeflijkheid tegenover jongeren, de gematigde denkbeelden van een oudere en, laat ik dat ook maar zeggen, de vele en vele tegenslagen van de laatste jaren mij dwongen terug te keren naar de landelijke omgeving waar ik ooit getuige was van het laatste en lachwekkende bedrijf in het grote drama van de feodaliteit.

Mijn eenvoudige verhaal is niet belangrijker voor de geschiedenis dan een voetnoot van de onbekende hand van een tijdgenoot bij de tekst van een zeer oud document. Ik vind dat het persoonlijk handelen van iemand die niet zo bekrompen is dat hij zichzelf ingraaft tegen de narigheden van de gemeenschap, noch zo stoïcijns dat hij zich daar openlijk tegen verzet, noch zo wijs of trots dat hij ze uit minachting links laat liggen, op een of andere manier een weergave moet zijn van het gemeenschappelijke en nationale handelen dat het persoonlijk handelen in zich opneemt, net zoals een vallende druppel de richting van de regen aangeeft.

De beschrijving van mijn lotgevallen zal dus min of meer een beeld zijn voor de ontelbare individuele levensverhalen die, vanaf het verval van de oude politieke orde tot het in elkaar flansen van de huidige, samen het grote Italiaanse verhaal vormen. Ik zou me kunnen vergissen, maar misschien zijn er wel wat jongelui die hierdoor op de gedachte komen zich te matigen in de overmoed van hun gevaarlijke illusies en misschien zullen een paar van hen het langzaam maar zeker begonnen werk met bezieling voortzetten en zullen vervolgens velen vastberaden doorgaan na al hun aarzelingen, waardoor ze eerst honderd dwaalwegen beproefd hebben alvorens die ene weg naar de ware toewijding aan het openbare welzijn te vinden.

Zo dacht ik er tenminste over in al die negen jaren waarin ik, stukje bij beetje, naargelang de herinnering en de inspiratie het mij ingaven, bezig was met het opschrijven van deze aantekeningen. Ik ben er met een vast vertrouwen mee begonnen op de avond van een grote nederlaag en ik ben er in deze jaren van herboren ijver mee doorgegaan als was het een lange boetedoening. Ook ben ik door dit schouwspel van de zwakheden en de kwaadaardigheden uit het verleden overtuigd geraakt van de grotere kracht en de meer gerechtvaardigde verwachtingen van het heden.

Voordat ik ze nu ga overschrijven, wilde ik eerst in deze korte inleiding beter de gedachte omschrijven en rechtvaardigen die mij, reeds oud en ongeletterd, misschien vergeefs tot de moeilijke kunst van het schrijven heeft aangezet. Maar de helderheid van de gedachten, de eenvoud van de gevoelens en de waarheid van mijn verhaal zullen het gebrek aan welsprekendheid wel goedmaken en, meer nog, aanvullen: in plaats van roem zal de welwillendheid van mijn goede lezers mij bijstaan.

Op de drempel van het graf, nu al alleen op de wereld, door zowel vrienden als vijanden verlaten, vrij van tijdelijke zorgen en vooruitzichten, door mijn leeftijd vrij van de hartstochten die mij maar al te dikwijls bij mijn oordeel lieten dwalen, en verlost van de vluchtige illusies van mijn bescheiden ambities, heb ik een enkele vrucht van mijn leven geplukt, de vrede in mijn ziel. Daarin leef ik tevreden, daarop vertrouw ik, daarop wijs ik mijn jongere broeders omdat het de meest benijdenswaardige schat is en het enige schild om zich mee te verdedigen tegen de kuiperijen van valse vrienden, het bedrog van laaghartigen en de aanmatigingen van machtigen.

Er is nog iets wat ik beslist kwijt moet en wat uit de mond van een tachtigjarige toch misschien met enig gezag mag klinken, en dat is dat ik het leven als iets goeds ervaren heb, waar nederigheid ons toestaat onszelf te beschouwen als piepkleine radertjes in de wereldgeschiedenis en oprechtheid van gemoed ons voorhoudt dat het welzijn van vele anderen veel belangrijker is dan alleen het onze. Mijn aardse bestaan, als mens, is nu dan toch bijna ten einde. Tevreden over het goede dat ik heb gedaan en in de overtuiging dat ik het door mij begane kwaad voor zover mogelijk heb goedgemaakt, hoop en vertrouw ik er alleen nog maar op dat mijn leven zal uitmonden en opgaan in de grote zee van het zijn.

Ik geniet nu van een vrede die lijkt op die geheimzinnige baai aan het eind waarvan de onvervaarde zeeman een doorgang vindt naar de oneindig kalme oceaan van de eeuwigheid. Maar voordat mijn gedachten onderduiken in de tijd waarin alle tijden hetzelfde zijn, storten ze zich nog één keer in de toekomst van de mensen aan wie zij het in alle vertrouwen overlaten om hun eigen schulden uit te boeten, hun eigen verwachtingen te verwezenlijken en hun eigen beloftes waar te maken.’

© Ippolito Nievo (vertaling: Jan van Geldrop)

Bestel “Belijdenissen van een Italiaan” hier via bol.com

Ontdek onze droomplekken in Italië!

Een reactie

  1. Nooit van gehoord, maar zeker interessant als je op zoek bent naar een persoonlijk verslag vd Risorgimento, een van de spannendste periodes uit de Italiaanse geschiedenis. Jammer alleen dat je een stuk uit de inleiding neemt, lijkt me niet echt representatief voor het hele boek: nogal formeel en ingewikkeld?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *