Naar hoofdinhoud Naar navigatie
18 april 2026

Twee Prinsen – reis mee naar Rome in de nieuwe roman van Splinter Chabot

Wanneer Richard naar het kleurrijke, zonnige Rome vlucht, ontmoet hij de engelachtige Matteo. Terwijl ze de Eeuwige Stad en elkaar ontdekken, probeert Richard zich te verzoenen met zijn verleden.

Verlost van zijn streng gereformeerde ouders en het grauwe platteland lijkt Richard voor niets en niemand bang, maar zijn stoerheid blijkt al snel een pose, een schild waarmee hij zijn onzekerheden probeert te verbergen. Het is de liefde van de speelse, sensuele Matteo die hem helpt zijn angsten te overwinnen.

Voor korte tijd is Rome de hemel op aarde, totdat Richard en Matteo zich ook daar moeten verstoppen voor de blikken, meningen en vuisten van anderen. Deze keer zal Richard het er niet bij laten zitten.

Twee Prinsen is een meeslepende roman over vrijheid en onvrijheid, over religie, liefde en lust en over twee jongens die voor even in een sprookje leven.

Lees alvast een fragment uit Twee Prinsen

‘Ik kijk hem aan en vraag me af wanneer hij weg zal gaan, áls hij al weg zal gaan. Gisternacht stonden we nog samen in de Trevifontein. Toen hij vanochtend naast me wakker werd, had hij zijn hoofd op mijn borst gelegd.

We hadden gezoend, geknuffeld, maar geen seks gehad. Dat wilde ik voor later bewaren. Zijn hoofd was rustig op en neer gegaan op mijn borst. Langzaam waren we weer in slaap gevallen, nu wandelden we door de Romeinse straten.

Het is warm, einde ochtend, zonnestralen zetten Rome in een gouden gloed. Om ons heen vliegen meesjes. Ze waren me nog niet eerder opgevallen, de afgelopen dagen dat ik hier in mijn eentje was, maar nu lijken ze opeens overal aanwezig te zijn. Hun gefluit heeft iets vrolijks.

Via de Porta Pinciana lopen we het park Villa Borghese in. Verderop in het gras zit een groepje priesters en pastoors met elkaar te picknicken. Het gras is gelig, droog, en als ik er met mijn voeten in ga staan, voel ik hoe het prikt. De zon laat het gras naar water snakken.

We zijn onderweg naar Casino Nobile, een klein paleis in het park met daarin de Galleria Borghese. Ik wil de beelden van Bernini en de schilderijen van Caravaggio zien en nog meer wil ik daar met Matteo rondwandelen.

Zonder dat ik het wil toegeven aan mezelf, vraag ik me af wat Matteo met me doet. Ik word zenuwachtig als hij naar me kijkt, ik voel tintelingen als hij me aanraakt en kippenvel als hij me kust. Als ik naar zijn gezicht kijk, heb ik het idee dat Bernini hoogstpersoonlijk in de hemel dit gezicht heeft gebeeldhouwd en het daarna pas, met goedkeuring van God, richting de aarde is gestuurd. Af en toe kijk ik naar de blauwe lucht, in de hoop dat ik een teken krijg waarom ik juist nu en juist hier deze jongen ben tegengekomen.

[…]

‘Eigenlijk,’ hoor ik onze tourguide zeggen, ‘is deze galerij een soort anti-Vaticaanmuseum. Scipione Borghese, die verantwoordelijk is voor het grootste gedeelte van de kunstverzameling kocht vaak de kunst die niet werd gewaardeerd of zelfs werd afgewezen door het Vaticaan en die de beroemdste kunstwerken heeft bemachtigd. Ik zal jullie die werken laten zien. en hoe er allerlei kleine pesterijen in het gebouw zijn verstopt, maar eerst gaan we naar een van de beroemdste beelden uit de collectie.’

Hij zegt het terwijl we net met een kleine groep de trappen op zijn gelopen en de eerste grote ruimte van het gebouw betreden. Het is er schitterend versierd, met goud, krullen, eindeloze schilderingen, vol overdaad maar wel smaakvol. De ruimte ademt rijkdom, het is bombastisch, imponerend en overweldigend. Hier zou je eeuwig willen wonen, of op de grond willen liggen en net zolang blijven liggen totdat je langzaam wegzakt in eeuwig slapen.

In het midden van de ruimte staat een beeld gemaakt door Bernini. Een beeld dat gaat over de mythe van Proserpina en Pluto. Vanaf de sokkel torent het hoog boven ons uit. De tourguide vertelt over hoe Proserpina op een dag wordt ontvoerd door Pluto, god van de onderwereld. Tevens is Pluto de broer van Jupiter en Jupiter is de koning van de goden en god van de hemel.

Proserpina is de dochter van Ceres, die de godin is van landbouw, oogst, vruchtbaarheid en moederliefde. Proserpina wordt dus ontvoerd door de verliefde Pluto. Ceres is zo verdrietig dat ze uiteindelijk Jupiter smeekt om Proserpina terug te laten keren. Dat kan echter niet; Proserpina heeft zes granaatappelpitjes gegeten in de onderwereld en daardoor is ze voor eeuwig gebonden aan die onderwereld.

Uiteindelijk wordt er een pact gesloten; zes maanden per jaar is Proserpina op aarde bij haar moeder, zes maanden per jaar is ze in de onderwereld bij Pluto. En het mooiste, zo vertelt de tourguide, is dat het een verklaring is van de seizoenen.

Als Proserpina op aarde is bij haar moeder Ceres, dan bloeit de wereld. Het wordt lente en zomer, alles leeft, alles krijgt kleur, alles wordt versierd. Maar als Proserpina terug moet naar de onderwereld van Pluto, dan rouwt Ceres, en dan rouwt dus ook de aarde.

Alles verwelkt, alles wordt donker en regenachtig alles wordt grijs en duister: de herfst en de winter breken aan. De herfst en de winter zijn dus eigenlijk de rouwmaanden van een moeder die haar dochter kwijt is. En nu ik dat hoor, weet ik dat ik voor altijd anders naar de herfst en de winter zal kijken.

‘Zou je ooit zo verliefd op me kunnen worden dat je me zou ontvoeren?’ vraagt Matteo me opeens terwijl ik in gedachten naar het beeld sta te kijken. Hij vraagt het op een fluistertoon, niemand anders mag het kennelijk horen.

Ik moet lachen, en zonder na te denken antwoord ik: ‘Ja.’
Hij schrikt er niet van, glimlacht en geeft me een kus op mijn wang.
Terwijl hij een stukje verder loopt, blijf ik voor het beeld staan. Op de een of andere manier blijft het m’n aandacht trekken.

Ik blijf kijken. Het beeld is schitterend en angstaanjagend tegelijk. Midden in de ontvoering heeft Bernini de tijd stilgezet; het lijkt of hij de ontvoering gadesloeg, op het juiste moment zijn afstandsbediening pakte, en zo de hele wereld op pauze zette. Je ziet hoe Pluto Proserpina heeft vastgepakt, hoe hij haar meesleurt, ontvoert.

En je ziet hoe Proserpina zich verzet, hoe ze schreeuwt, hoe ze Pluto weg wil duwen. Ik krijg de neiging haar te willen helpen, iets in mij wil Pluto aanvallen, hem wegduwen, Proserpina verlossen van de verstikkende armen en wurgende greep waarmee hij Proserpina vasthoudt. Een woede stroomt door mijn aderen, een woede die me overvalt.

Ik merk dat mijn vingers trillen. Een rilling schiet over m’n rug. Even denk ik terug aan vroeger. Aan het mistige en grijze gebied waar ik vandaan kom. Aan de velden die verminkt oogden als er net was geploegd. En ik realiseer me hoe de wurgende, grijpende, ontvoerende armen van Pluto precies dezelfde tentakelachtige armen zijn zoals ik die heb gevoeld toen ik mijn eigen leven wilde leiden, maar dat niet werd toegestaan.

Ik merk hoe mijn ademhaling onrustig wordt, hoe mijn rug klam wordt, hoe mijn spieren zich langzaam beginnen aan te spannen – ik lijk één stuk ijzer te worden. Ik krijg het idee dat mijn verleden, mijn ouderlijk huis, mij nu opeens, net zoals dat gebeurde met Proserpina, gaat ontvoeren, mij terug gaat sleuren naar de plek waar het altijd herfst en winter leek, waar zo weinig geleefd werd, en wat zo ver weg lijkt van hier, waar kleur, lente en zomer zijn – waar leven is. En vrijheid. Ik dreig te gaan schreeuwen, maar m’n stem lijkt te zijn verdwenen, mijn kaken zijn verstijfd. Alles zit op slot.’

Lees verder in

Twee Prinsen | Splinter Chabot | ISBN 978904887658727 | € 26,99 | Hollands Diep | koop Twee Prinsen bij je lokale boekhandel of bij bol.com (ook beschikbaar als e-book)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Ciao tutti is hét startpunt voor je vakantie naar Italië, bomvol persoonlijke tips. Buon viaggio!