Ga op pad met de Ciao tutti City Walks!

Villa Triste

Een heerlijk boek voor het weekend – met meer dan genoeg pagina’s om je urenlang in Toscane te wanen…

Het verhaal gaat over de zusjes Caterina en Isabella Cammaccio, die tijdens de Tweede Wereldoorlog gedwongen worden de moeilijkste beslissingen van hun leven te nemen. Beslissingen waarvan de consequenties nog jarenlang zullen doorwerken…

Veertig jaar later moet Alessandro Pallioti een merkwaardige moordzaak op een oude man oplossen. De vermoorde man blijkt een held voor de verzetsleden van de Tweede Wereldoorlog te zijn geweest. Hij is doodgeschoten en er is zout in zijn mond gepropt. Hoe meer Pallioti zich in de zaak verdiept, des te meer komt de geest van de oorlog tot leven. Als hij het dagboek van Caterina tussen het bewijsmateriaal vindt, wordt een ontstellende geschiedenis van het verzet en het leven van twee zussen opgerakeld.

Een fragment:

‘Mijn zus, Isabella, was verdwenen. Ze had kortstondig haar opwachting gemaakt in de salon, maar nu zag ik door de halfopenstaande deur van de paskamer haar hoed verlaten op een roze doorgestikte canapé liggen.

De hoed was lelijk, maar mijn moeder had erop aangedrongen. Het was vandaag mama’s vijftigste verjaardag en in plaats van met mij mee te gaan, was ze thuisgebleven om toe te zien op de voorbereidingen voor het feest dat we gaven, en had ze Isabella in haar plaats afgevaardigd. Voor we vertrokken had mama ons eraan herinnerd dat de signora onder geen beding haar zin mocht doordrijven over het aantal knopen op de manchetten van mijn jurk, en daarna had ze er en passant op gestaan dat we een hoed zouden dragen. De mijne was lichtgroen en paste bij mijn jurk, die van Isabella was een blauw strooien exemplaar met een broche op de rand. We gaven allebei hoegenaamd niets om hoeden, maar wat Isabella vooral vreselijk vond was dat iemand haar vertelde wat ze aan moest trekken. Ze was negentien en net begonnen aan haar tweede jaar aan de universiteit, waar – zo deelde ze mijn moeder mee – niemand een hoed droeg. Toen we het huis verlieten, plantte ze het gewraakte voorwerp op haar hoofd en mopperde dat ‘het haar niet zou verbazen als het ding in de rivier zou waaien’.

Maar dat was niet gebeurd. Want tegen de tijd dat we onze fietsen uit de schuur hadden gehaald en de heuvel waren afgereden door de Porta Romana en langs de afgrond van de Via Serragli, waarna we eindelijk bij de rivier aanbelandden, dachten we allang niet meer aan hoeden, of die nou lelijk waren of niet.

Op de Lungarno aangekomen, beseften Isabella en ik allebei tegelijk dat er iets mis was. Die wetenschap flitste snel en onmiskenbaar als een stroomstoot door ons heen. Door het eeuwige tekort aan benzine was er toch al nooit meer zoveel verkeer, maar nu reed er helemaal niets. We wachtten even, keken naar beide kanten en zagen dat de lange, rechte laan griezelig stil was. Onder aan de muren stond het rietgras suf en stil en stroomde de Arno traag en glazig. Nevel glinsterde boven het bruine water. Maar ondanks de hitte was er niemand die op de brug voor ons liep of tegen de leuning hing. In plaats daarvan stonden mensen op een kluitje bijeen. Hechte groepjes die niet meer op de stoep pasten. Stemmen die gonsden als een zwerm bijen.

Isabella en ik keken elkaar aan. De vreemde geladenheid die in de lucht hing was ons niet geheel onbekend. De stad had al eerder zo aangevoeld, nog maar zes weken geleden, toen Mussolini was afgezet. Sindsdien had het hele land eigenlijk in staat van verbijstering verkeerd, alsof het al ronddwalend uit een diepe slaap probeerde te ontwaken. Nu leek er iets anders aan de hand te zijn, maar ik kon niet bedenken wat. De geallieerden hadden een eerste poging gedaan het vasteland in Calabrië binnen te vallen – maar dat was al dagen geleden. Oud nieuws. Bovendien was het zo ver weg dat het net zo goed in het buitenland gebeurd had kunnen zijn.

Zonder iets te zeggen stapte Isabella van haar fiets en gaf die aan mij. Ik duwde het stuur tegen mijn dij en keek toe hoe ze op het dichtstbijzijnde groepje mensen afliep. Enkele ogenblikken later kwam ze terug; haar raar uitziende hoed in de ene hand, en met de andere hand gebarend, alsof ik moest raden wat ze te zeggen had. Toen ze bij me kwam staan, viel ze stil; haar blik naar binnen gekeerd, alsof ze probeerde te bevatten wat ze zojuist gehoord had.

‘Issa?’ vroeg ik uiteindelijk. ‘Isabella? Wat is er?’
Uit haar gezichtsuitdrukking maakte ik op dat de koning misschien dood was, of anders Winston Churchill, of Stalin, of de paus. Maar dat was het allemaal niet. Mijn zus keek me aan, haar blauwe ogen donker.
‘Ze zeggen dat het voorbij is.’
‘Voorbij?’
‘Ja.’ Ze knikte.
‘Wat is voorbij?’
‘De oorlog.’
Ik staarde haar aan.
‘De oorlog?’
‘In Italië, althans,’ zei ze. ‘Het is maar een gerucht. Maar ze zeggen dat Badoglio uit Rome is vertrokken.’

Isabella greep haar fietsstuur vast, maar stapte niet op. Zonder nadenken stapte ik zelf van mijn fiets.
‘Uit Rome vertrokken?’
Ik wist dat ik net een papegaai was, of een idioot, of allebei. Maar de woorden wilden niet tot me doordringen. De geallieerden hadden toch niet op de een of andere manier Rome weten te bereiken en de premier verjaagd? In nog geen week tijd? Zonder dat wij er iets over gehoord hadden?

‘Waarom zou hij uit Rome vertrekken? Hoe bedoel je?’ vroeg ik. ‘Waar heb je het over?’
Mijn zus begon te lopen. Ik voegde me bij haar. Toen we in de buurt van de Piazza Goldoni waren, zag ik mensen uit gebouwen komen en bij elkaar gaan staan.
‘Een wapenstilstand.’ Isabella keek naar me, haar ogen dwaalden opzij vanonder de rand van haar hoed
‘Een wapenstilstand?’
Daar had je de papegaai weer. Wrevel trok over haar gezicht.

‘Ze zeggen dat Badoglio een wapenstilstand heeft gesloten met de geallieerden,’ zei ze nadrukkelijk, alsof ze het tegen een dove had. ‘Hij schijnt vanavond om acht uur een verklaring af te leggen op de radio. Om te zeggen dat Italië niet langer in oorlog verkeert. Met Amerika of Engeland of wie dan ook,’ voegde ze eraan toe voor het geval ik het niet had begrepen.

Ik had het echter wel degelijk begrepen. Maar al te goed. Ik staarde haar aan. Intussen staken we de piazza over en sloegen de straat in waar de kleine, geduchte signora haar salon had.
‘Maar…’ zei ik.
Isabella knikte. ‘Ik weet het.’

Ze keek omlaag en concentreerde zich schijnbaar op de neuzen van haar schoenen. We liepen de straat in en bleven staan. Rollen satijn, een van linten gemaakt mandje witte rozen en enkele paren kleine, roze schoenen omringd door wolken van tule sierden de etalage van de salon.
Daarachter zagen we de voorkamer – zacht en roze als een moederschoot – en de deur naar de paskamers achterin, die op een kier stond.

‘Ik weet het,’ zei Isabella. Ze keek op, zag mijn gezicht en maakte de gedachte af die nog maar nauwelijks bij me op was gekomen. ‘Ik weet het,’ zei ze nogmaals. ‘Als wij niet tegen de geallieerden vechten, hoe zit het dan met de Duitsers?’

Mijn mond werd droog. Mijn verloofde, Lodovico, was marineofficier; arts op een hospitaalschip dat onderweg was vanuit Noord-Afrika. Hij werd elk moment in Napels verwacht. Over twee maanden zou hij verlof krijgen en naar Florence komen, en dan zouden we trouwen.’

Lees dit prachtige waargebeurde verhaal en laat je meevoeren naar Florence!

Villa Triste | Lucretia Grindle | vertaald door Saskia Peterzon-Kotte | A.W. Bruna Uitgevers | bestel Villa Triste als e-book via deze link bij bol.com

2x per week Italiaanse inspiratie

Meld je aan voor de Ciao tutti nieuwsbrief - en ontvang de digitale editie van onze City Walk Klassiek Rome als cadeautje:

Ontdek de mooiste vakantieadressen in Italië

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *