Download gratis de Ciao tutti app!

Verzonken stad – de reconstructie van het leven van Marta’s vader

Verzonken stad, de debuutroman van Marta Barone, prijkte op de longlist voor de Premio Strega 2020, de belangrijkste literaire prijs in Italië. Ook won Marta Barone met deze reconstructie van het leven van Marta’s vader de Premio Vittorini én de Premio Fiesole, maar bovenal veroverde ze met haar verhaal de harten van vele lezers.

In Verzonken stad ontdekt Marta na de dood van haar vader dat hij lid was van een extreemlinkse groepering. Ze weet eigenlijk niets van zijn verleden, beseft ze, en ze besluit haar vaders leven te reconstrueren.

Door contact op te nemen met haar vaders vroegere vrienden en in archieven te speuren, slaagt ze erin zijn geschiedenis te ontrafelen en een antwoord te vinden op de vele vragen die ze heeft.

Wie was deze jonge arts, die altijd de kant koos van de armen en zich steeds inzette voor een ander, en die werd gearresteerd omdat hij lid was van een terroristische groepering? En waarom heeft hij haar, zijn dochter, nooit verteld over die jaren?

Marta bouwt geleidelijk een beeld op van een complexe man die leefde in een complexe tijd: de activistische jaren zeventig in Noord-Italië. Ze leert zijn vele stiltes beter begrijpen, zijn relatie ten opzichte van de dood, en ze leert te houden van de jonge vrolijke en genereuze man die haar vader was voordat hij ten onrechte in de gevangenis belandde.

Lees alvast een fragment
‘Dit verhaal kent niet een begin, maar twee; minimaal twee, want zoals bij alles in het leven is het lastig te bepalen wat er begint en wanneer, welke duizelingwekkende reeks toevalligheden er schuilgaat achter iets wat zomaar ineens lijkt te gebeuren, of welk gezicht zich naar een ander toe draaide op een bepaald moment in het verleden, waarmee het startsein werd gegeven voor de willekeurige opeenvolging van gebeurtenissen en schepsels die ertoe heeft geleid dat wij ter wereld kwamen.

Het eerste begin is – dit kan ik met redelijke zekerheid stellen – het moment dat ik werd geboren. Het was maart en het sneeuwde, en het jaar was 1987. Mijn ouders hadden elkaar pas een paar jaar ervoor ontmoet en ze zouden drie jaar erna definitief uit elkaar gaan.

Ik ben geboren uit een vrouw die een gat in haar hoofd had. Dertien jaar eerder had mijn moeder een ongeluk gehad. Ik moest na mijn geboorte een week ter observatie in het ziekenhuis blijven omdat ik moest afkicken van de anti-epileptica die zij nog steeds moest slikken.

Van dat hele ongeluk destijds, de coma en alle operaties heeft ze alleen een deukje overgehouden op de plek waar ze een stuk schedel mist, vervangen door een metalen netje dat vervolgens in de loop der tijd begroeid raakte met haar dunne, fijne haar. Ze slaapt altijd op de andere kant, want ze heeft nog steeds pijn aan het ontbrekende stuk hoofd.

Je zou kunnen zeggen dat ik hoe dan ook ben voortgekomen uit dat gat. Mijn hele bestaan is te danken aan die wond, een deur die werd geopend naar de veelheid aan mogelijkheden.

Toen mijn moeder op haar drieëntwintigste omviel met een motor die door een ander werd bestuurd, was ze samen met diegene onderweg om documenten te gaan ophalen die ze nodig zouden hebben voor hun huwelijk. Dat huwelijk kwam er uiteindelijk niet van.

En zo is dus in zekere zin het traject van mijn moeder die toen nog niet mijn moeder was, van die jonge meid met het spitse gezicht van de foto’s uit die tijd, van haar lichaam dat op het asfalt van een provinciale weg werd geslingerd, omgebogen tot een nieuw, onomkeerbaar traject waaruit vervolgens het mijne zou ontstaan.

Het tweede begin van het verhaal valt samen met het najaar dat ik zesentwintig was, ook al had ik daar toen nog geen flauw idee van, het moment dat ik vertrok uit het huis en de stad waar ik mijn hele leven had doorgebracht, en van Turijn naar Milaan verhuisde.

Ik huurde daar een eenkamerflat op de derde verdieping van een palazzo uit de jaren twintig. Er was een houten vloer en een wit hoekkeukentje en het werd tot aan de avond overspoeld met zonlicht – iets wat ik later deprimerend zou gaan vinden, maar destijds nog niet. Het was de eerste plek die helemaal van mij was en die was me bijna even dierbaar als menselijke warmte.

Doordeweeks was ik alleen. Ik ging ‘a ochtends vroeg de deur uit en dwaalde zonder een duidelijk doel door de stad. Het waren de eerste dagen van september, en na een koude, regenachtige zomer was het alsnog warm geworden; er hing een drukkende hitte in de nog stille straten.

Als ik vanuit mijn straat de hoek omsloeg, naar een andere weg met de verheven naam Via Beato Angelico, ‘engelachtige zalige’, klonk er soms in die gonzende stilte van een balkon ergens heel hoog een zingende kanarie, en aan dat klaterende gezang – dat onmiskenbare gezang dat klinkt als een telkens herhaald ‘rrriii-rrrooo-rrraaa’ tot het zich opent in een langgerekte, schelle toon – herkende ik nog steeds meteen dat het een waterslager was (en even werd de tere schaduw van de volière waarin ik als kind met mijn oom de nestjes controleerde over het trottoir geworpen, met zijn groene, indringende geur).

In de roerloze lucht leek

het of de lege gebouwen van de bètafaculteiten in de wijk waar ik woonde al duizenden jaren verlaten waren. Ik liep soms hele dagen, sloeg lukraak allerlei straten in, en pakte alleen af en toe mijn mobiel om op de plattegrond te controleren waar ik was beland. De stad was een volslagen onbekende voor me en ik ook voor haar, en dat was in zekere zin geruststellend.

Soms bewoog de lucht doordat er een plotselinge bries opstak. Dan gleden de plukjes wolken over de gevels van de palazzi en zetten ze kortstondig een bepaald detail in het volle zonlicht: een smeedijzeren balkon, een schreeuwende mond op het kapiteel van een dakvenster. De kleur van de huizen veranderde, trilde en kwam dan weer tot stilstand. Ik ging zitten lezen op de bankjes in de schaduw.

In het park van Porta Venezia hief een jonge vrouw een kindje met een katoenen petje ter hoogte van haar borst op, met zijn gezicht naar een boom gericht. Met bungelende voetjes bestudeerde de baby vol belangstelling de boomstam en hield zijn vlakke handjes tegen de schors. De moeder glimlachte lichtjes, met een opgetrokken wenkbrauw, alsof ze een geheim wist.

Als ik ‘s avonds na een afspraak weleens de metro terug nam, liep ik door een straat waar de grote boogramen van de scheikundefaculteit een ambergeel licht uitstraalden in de duisternis achter de dichte, donkere takken van de olmen.

Een keer, in een straatje achter Piazzale Loreto, kwam ik langs een wasserette waar drie Slavisch uitziende matrozen zaten. We keken elkaar door de etalageruit aan met dezelfde verbijsterde uitdrukking, alsof mijn aanwezigheid daar even onwaarschijnlijk was als die van hen. Russische matrozen in een Milanese wasserette! Ik haalde mijn schouders op – zoals het hoort in dat soort gevallen – en liep verder.’

Lees verder in

Verzonken stad | Marta Barone | vertaald door Manon Smits | ISBN 9789026353468 | € | uitgeverij AmboAnthos | bestel Verzonken stad bij je lokale boekhandel of via deze link bij bol.com (ook verkrijgbaar als e-book)

Lees je liever in het Italiaans? Bestel dan via deze link het e-book Città sommersa.

Schrijf je (gratis) in voor de Ciao tutti nieuwsbrief

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *