Naar hoofdinhoud Naar navigatie
23 oktober 2026

Tafelgenoten – verhalen van Alba de Céspedes

Achttien verhalen, achttien etentjes, achttien vrouwelijke hoofdrolspeelsters. Alba de Céspedes laat je in Tafelgenoten aanschuiven bij vrouwen wier leven wordt ingeperkt door een sociale realiteit die trouw eist aan moeizame, perspectiefloze rollen en patronen.

Alles blijft in het hart hangen, impulsen veranderen in zelfbeschuldiging of doven uit in onbegrip en onvermogen tot communicatie. De kunst van Alba de Céspedes ligt in het vermogen om dat opschorten, verinnerlijken, binnenhouden, het níét uitspreken, feilloos te interpreteren en weer te geven in proza dat resoneert.

Als geen ander is ze in staat om de grote drijfveren van de ziel achter kleine, schijnbaar onbeduidende handelingen op te sporen en voor ons, lezers, te definiëren.

Lees alvast een fragment

Als voorproefje delen we alvast een fragment uit het verhaal met de titel Het bruidje: ‘Toen ze de huizen in zicht kregen, zette Giovanni zijn koffer op de grond en wees: ‘Kijk, daar is het dorp.’

Ook Maria zette haar koffer neer en voordat ze iets terugzei streek ze over haar rood aangelopen gezicht van de inspanning, over het bezwete haar. Toen antwoordde ze: ‘Mooi, hoor.’

En in een poging om haastig te genieten van de korte stop keek ze aandachtig naar de huizen die in de verte te zien waren op de zonovergoten vlakte; maar de huizen, bomen en weilanden versmolten in haar ogen tot een groene nevel.

Nog steeds hoorde ze het obsessieve gedreun van de trein, ze had het gevoel alsof ze nog de hele tijd heen en weer werd geschud.

‘Ben je moe?’ vroeg haar echtgenoot.
‘Nee, hoor,’ antwoordde ze glimlachend. Meteen pakte ze met haar pijnlijke, rode hand de zware koffer weer vast, tilde hem wankelend onder het gewicht op en liep verder, met geheven hoofd, zodat er wat frisse lucht door haar haar zou waaien.

‘Het is warm,’ zei Giovanni, ‘een stuk warmer natuurlijk dan waar jij vandaan komt, maar je went eraan. Weet je, normaal is er een bus van het station naar het dorp, net zo’n grote als in de stad… of nou ja, zo ongeveer. Hij reed nog tot een dag of wat geleden; nu is hij geschrapt vanwege de benzine.’

‘Wat maakt het uit?’ zei ze. Een brede lach zat verstard op haar gezicht, een lach zonder charme, een grimas. Nog even en dan zijn we bij de bocht, dacht ze, o, waren we maar alvast bij de bocht, zal ik het halen? Zal ik het halen? Ze was bang dat ze zou moeten toegeven: Ik kan niet meer.

‘Als we hadden geschreven, we komen zo en zo laat aan, dan was Michele ons komen ophalen met zijn paard.’

Als bij toverslag zag Maria het paard midden op de weg verschijnen, een mooi paard en een koets. Ze stelde zich voor dat ze de koffer op de bok gooide, instapte, achteroverleunde tegen de kussens en zich zittend liet voorttrekken, zonder nog die kwelling in haar opgezwollen, vermoeide voeten, en dat gewicht van de koffer dat haar hand in brand zette.

Intussen bleef Giovanni maar herhalen: ‘Dom van me, ik had Michele moeten schrijven.’

Michele, Domenico en papa. Tijdens de reis had hij het aan één stuk door over hen gehad, alsof zijn vader en zijn broers nu pas weer in zijn herinnering waren opgedoken, met alle genegenheid en gewoonten waar hij in die twee jaar niet meer aan had gedacht.

Vanaf het moment dat ze de vorige dag op de trein waren gestapt, twee uur nadat ze uit de kerk waren gekomen, leek hij, in plaats van samen met haar te genieten van de nieuwe stap in hun gezamenlijke liefdesleven, plotseling bij zijn familie te zijn teruggekeerd.

Misschien omdat hij zijn uniform had ingeruild voor zijn burgerkleren,  hij de geur van het zuiden had herkend, een geur van vertrouwde plekken en personen. Naarmate ze dichter bij zijn ouderlijk huis kwamen, sloeg zijn vermoeidheid steeds meer om in een opgewonden spanning waardoor hij zijn pas versnelde.

Intussen bleef hij maar kletsen, hij wees naar de rivier, de boerderijen, en stelde de dichtstbijzijnde huizen aan haar voor alsof het mensen waren. ‘Kijk! Daar woont de schoolmeester, en daar de zus van mijn moeder zaliger’, waarbij hij zijn blijdschap om alles terug te vinden aanzag voor de wens om het zijn bruidje te tonen.

Zij knikte zonder iets te zien: ‘Mooi,’ herhaalde ze versuft, voortdurend op het punt om te stoppen, haar schoenen uit te trekken en te zeggen: ‘Ik kan niet meer.’

Ineens hield Giovanni haar aan haar arm tegen, hij gebaarde dat ze stil moest zijn, ook al deed ze haar mond niet open, en verkondigde opgetogen: ‘Kijk: na de brug nemen we het steegje. Zie je dat huis? Dat is het.’

Afgezonderd in een groot stoppelveld stond een witte boerderij, met maar een paar bomen eromheen. De zomer woedde genadeloos over de vlakte: de weilanden waren geel, de hagen stoffig, het beekje stroomde tussen gloeiend hete keien door. Maria versnelde haar pas over de dorre balken van het bruggetje, bang dat ze het zouden begeven en dat ze in dat verraderlijke water, als kokende olie, zou storten.

Popelend van ongeduld liep Giovanni al een paar stappen voor zijn vrouw uit, maar toen kwam hij bij haar terug, grinnikend als iemand die een verrassing in petto heeft.

‘Ze hebben ons vanochtend niet zien komen,’ zei hij, ‘en nu verwachten ze ons niet meer. Ze denken dat we morgen aankomen. En dan stap ik ineens binnen en zeg: Daar zijn we dan!’

Hij had het meer tegen zichzelf dan tegen haar en liep uitgelaten verder, in die druk­kende hitte, bungelend met zijn koffer. Hij vroeg haar niets eens meer: ‘Ben je moe? Heb je het warm?’, wellicht geïrriteerd omdat ze zo sloom liep.

Maar Maria merkte het niet eens; ze was er niet mee bezig dat ze op het punt stond om als pasgetrouwde bruid aan te komen in het huis waar haar schoonvader en zwagers, die zij niet kende, op haar wachtten, en het kwam ook niet bij haar op om haar haar te fatsoeneren zodat ze een goede indruk zou maken. Haar enige gedachte was dat ze bij dat witte huis moest zien te komen.

Eindelijk bereikten ze het erf. Giovanni rende naar het raam op de begane grond en gluurde lachend naar binnen, zijn ogen wijd opengesperd in een kinderlijke uit­drukking, maar hij werd teleurgesteld.

Hij gebaarde naar zijn vrouw dat er daar niemand was, dat ze misschien boven lagen te slapen; hij maande haar te wachten, duwde de deur open die op een kier stond en verdween naar binnen.

Er stond een bankje op het erf, tegen de muur. Maria strompelde erheen en eindelijk kon ze neerploffen, totaal uitgeput; haar koffer had ze laten staan. Ze trapte haar schoenen uit door met de neus van de ene tegen de hak van de andere te duwen.

Zo bleef ze zitten, tegen de muur geleund, met haar ogen dicht, versuft door die plotselinge weldaad die vanuit haar benen via haar heupen en rug opsteeg tot aan haar nek en haar gezicht. Het voelde alsof ze door stralende ruimtes zweefde, wegzakte in verfrissende blauwgroene diepten.

Er kwamen lichte briesjes over haar heen als golven op het strand. En die grauwe, eindeloze nacht, en de zware geuren van de overvolle coupé, en de stoffige stations, ‘kom mee, pak je koffer, we moeten overstappen’, en dat ellenlange sjokken in de zon, dat leek nu echt allemaal voorbij. Ze was aangekomen.’

Lees verder in

Tafelgenoten | Alba de Céspedes | vertaald door Manon Smits (oorspronkelijk titel: Invito a pranzo) | ISBN 9789493486065 | € 26,99 | Meridiaan Uitgevers | koop Tafelgenoten bij je lokale boekhandel of bij bol.com

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Ciao tutti is hét startpunt voor je vakantie naar Italië, bomvol persoonlijke tips. Buon viaggio!