Download gratis de Ciao tutti app!

Stad van de levenden – over een van de schokkendste moorden in de moderne geschiedenis van Rome

In het voorjaar van 2016 wordt in een appartement in een van de buitenwijken van Rome de jonge Luca Varani vermoord. Hij werd eerst langzaam gemarteld en stierf daarna een uiterst pijnlijke en eenzame dood. De daders zijn twee jongens, niet veel ouder dan het slachtoffer, met een heel normale achtergrond.

De zaak krijgt meteen veel publiciteit. Kranten en televisieprogramma’s speculeren erop los, maar er lijkt geen enkel motief te zijn. Als journalist van de krant La Repubblica schrijft Nicola Lagioia veelvuldig over de moord op Luca Varani. Hij raakt direct gefascineerd, en ziet gaandeweg een verband tussen het gedrag van de daders en de wetteloosheid die Rome teistert.

Bijna vijf jaar lang volgt Nicola Lagioia de zaak op de voet. Hij interviewt familie en vrienden en correspondeert uitvoerig met een van de daders in de gevangenis. Hij daalt af in een schaduwstad, een tweede Rome dat via verwaarlozing en corruptie wordt overgenomen door het kwaad.

Lees alvast een voorproefje
‘Op 1 maart van het jaar 2016, een lichtbewolkte dinsdag, waren de hekken van het Colosseum net opengegaan om de toeristen de beroemdste ruïnes ter wereld te laten bewonderen. Duizenden lichamen liepen naar de loketten. De een struikelde over de stenen. De ander ging op zijn tenen staan om de afstand tot de Tempel van Venus te meten.

Daar in de verte kookte de stad van woede in haar eigen verkeer, in bussen die om negen uur ‘s ochtends al motorpech hadden. Onderarmen scandeerden scheldwoorden door de open raampjes. Aan de rand van de straat schreven verkeersagenten boetes uit die niemand ooit zou betalen.

‘Ja hoor… Ga dat maar aan de burgemeester vertellen!’ De medewerkster van loket nummer vier barstte in een spottend gelach uit, tot hilariteit van haar collega’s. De toerist op leeftijd staarde haar door het glas verbijsterd aan. Hij zwaaide met twee valse toegangskaartjes die hij kort daarvoor had gekocht bij twee valse medewerkers op de archeologische site.

Dat ‘gaan klagen bij de burgemeester’ was een van de meest gemaakte grappen van de afgelopen weken. Het was begonnen in de gemeentekantoren en had zich vervolgens verspreid onder taxichauffeurs, hoteleigenaren, vuilnismannen en schaafijsverkopers die, bij gebrek aan een duidelijkere autoriteit, door toeristen werden aangeklampt te midden van de oneindig slecht functionerende stedelijke dienstverlening.

De toerist trok zijn wenkbrauwen op. Was het mogelijk dat zelfs de echte autoriteit, in dat officiële tenue, hem in de maling nam? Achter hem werd het geroezemoes van de menigte steeds luider.

‘Volgende!’
De toerist verroerde zich niet. De lokettiste bleef hem aanstaren, een kille glimlach tekende zich af op haar gezicht.
‘Next one!’

Veel van deze toeristen hadden de nacht doorgebracht in de goedkope hotels in de wijk Monti, in de afgeleefde bed & breakfasts rond de Porta Maggiore. Met de neus omhoog om een engel te bewonderen, waren ze languit op hun gezicht gevallen. Gestruikeld over een vuilniszak, over de omgevallen paal van een verkeersbord.

In de lucht het sneeuwwitte marmer, op straat de ratten. En de meeuwen aten de ratten. Wie niet goed was geïnformeerd, had tevergeefs staan wachten tot er een bus kwam, maar was daarna te voet naar het Colosseum gegaan. Daar stonden ze nu.

Je zou je kunnen opwinden over hoe traag de rij vorderde, maar de levenloze schoonheid overrompelde hen allemaal: de hemel boven de bogen van travertijn, de tweeduizend jaar oude zuilen, de basilica van Maxentius. Onheil weerklonk in de grandeur, alsof onzichtbare krachten in staat waren om iedereen die hen tegensprak het schimmenrijk in te sleuren. Een dreiging waar de Romeinen warm noch koud van werden.

De lokettiste hielp een andere toerist. Dat deed ook haar collega van het loket ernaast. Voor de loketten stond een ontzagwekkende menigte, maar ze hadden wel erger meegemaakt. Het Jubeljaar van Barmhartigheid was slecht begonnen. Een fiasco, schreven de journalisten die de paus slechtgezind waren. Het jaar van vergeving der zonden, van verzoening, van sacramentele boetedoening trok niet meer pelgrims dan het aantal dat kwam voor de viering van het jaar van libatie, van straffeloze anarchie, van verantwoordelijkheden afschuiven.

De oude toerist stapte uit de rij en liep in de richting van Piazza dei Cinquecento. Naast hem liep een jongen. Ze bereikten de straat en verdwenen tussen de oleanders.

‘Zeg, wat stinkt hier zo?’ zei de lokettiste ineens. Ze staarde naar haar beeldscherm, haar hand op de muis. Een Chinese toerist stond te wachten op zijn coupons.

Nadat ze de printopdracht had gegeven, keek de lokettiste naar haar hand. Ze schrok op. Naast de muismat waren twee roodbruine vlekken verschenen. Voordat de lokettiste met haar ogen kon knipperen, waren het drie vlekken geworden. En nu zaten er al vier vlekken op haar bureau. ‘Mijn god!’

De Chinese toerist week achteruit. De lokettiste sprong geschrokken overeind, overvallen door het ergste gevoel dat een inwoner van deze stad denkt te kunnen hebben: bezocht worden door rampspoed waarvoor alle anderen gespaard blijven. Ze keek omhoog. Er vielen druppels van het plafond.

Toen deed de lokettiste wat iedereen in Rome doet als bij een openbare instantie het bloed van de muren druipt. Ze riep haar leidinggevende. Een paar uur later waren twee van de vier loketten van het Colosseum gesloten.’

Lees verder in

Stad van de levenden | Nicola Lagioia | vertaald door Welmoet Hillen | ISBN 9789403136714 | € 29,99 | uitgeverij De Bezige Bij | bestel Stad van de levenden bij je lokale boekhandel of via deze link bij bol.com (ook verkrijgbaar als e-book)

Schrijf je (gratis) in voor de Ciao tutti nieuwsbrief

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *