Ga op pad met onze City Walks!

‘Schaduw’ – een moordende thriller die zich afspeelt in Rome

‘Een explosief debuut: sterk verhaal, een plot dat nergens faalt, spanning die tot het eind overeind blijft staan en personages die een onuitwisbare indruk achter laten,’ zo schreef The Huffington Post over Schaduw, de debuutroman van Mirko Zilahy.

Drie moorden in drie dagen. De lijken verwond met de precisie van een chirurg. Afgeslacht als beesten. De verstikkende regen die Rome in zijn greep houdt, spoelt alle sporen weg. Het motief van de moordenaar mysterieus, zijn werkwijze curieus. Maar één man is in staat dit geheim te ontrafelen: Enrico Mancini.

Gebukt onder het verlies van zijn vrouw, neemt hij de opdracht met grote tegenzin aan. Eén ding is direct duidelijk: niets berust op toeval. Zal het Mancini lukken de moordenaar te slim af te zijn en zijn grotere plan te ontrafelen?

Een fragment:

‘Rome, maandag 1 september, ’s nachts
Boven het hoge stalen raster scheen de koude schijf van de maan wazig door het water dat de hemel over de stad loosde. Aan de oever van de Tiber, tussen het puin van de oude zeepfabriek Mira Lanza, bewoog een schaduw in de wirwar van de struiken. Op de grond de sporen van duizenden stappen, op en neer van de schuilplaats aan de Lungotevere Gassman naar de weg. Met snelle pas en zijn lichaam naar voren gebogen verborg hij zich voor de blikken achter de ramen die uitkeken op de gesloten krotten tussen de rivier en de gebouwen aan de Viale Marconi.

Het was koud die avond. Hij was doorweekt en uitgehongerd, en hij was uit zijn schuilplaats gekropen, de straat op, tot aan de snackbar aan de Via Stradivari, op zoek naar etensresten of wat kleingeld. Maar de regen van begin september had de mensen gedwongen thuis te blijven en die maandag was er niet één klant. Daarom had hij het rondje achterlangs gemaakt en de dikzak met zijn rode muts, die de laatste trekjes van een Camel zonder filter nam, om een broodje gevraagd. Voordat hij kon aandringen had die andere man, met zijn kaalgeschoren kop, een biertje in zijn hand en een zwart T-shirt, tegen hem geschreeuwd: ‘Nog steeds hier? Ga weg, kankerzigeuner!’

De jongen had begrepen welke kant het op ging en had zich omgedraaid om weg te gaan. Maar dat gelach en de klap op zijn rug, een moment voordat de fles op de grond brak, hadden hem even verlamd. Daarna was hij zonder na te denken weggerend, in de regen, weer terug op zijn dunne, vieze beentjes. Bij de Ponte di Ferro was hij niet meteen rechts afgeslagen om in de diepe, bekende bosjes te duiken, maar was hij de brug over gegaan, omdat de ergernis om verslagen af te druipen de overhand had genomen. Via het grindpad was hij bij de staalplaten rond de eeuwige bouwplaats aan de Rivierhaven gekomen. En hij was de bouwplaats op gegaan.

Het ging harder regenen, waardoor het maanlicht boven het geraamte van de grote Gashouder werd versluierd. Nat door het zilveren schijnsel transformeerden de spillen, de beweegbare kroonraderen, de ringvormige balken en de pneumatische membraanpompen de hoge metalen constructie in een monster dat half gebouw en half machine was, bekleed met een ijzig stalen weefsel. De waterdruppels, die eraan waren blijven hangen en die door de bleke gloed werden doorboord, lieten de omtrekken vervloeien en gaven zo het idee dat dat absurde cilindrische gevaarte op het punt stond om zijn eigen as te gaan draaien.

Beschermd door drie identieke kleine gashouders en een reeks vervallen betonnen gebouwtjes, waakte het ijzeren kolos over de bocht van de Tiber die tachtig jaar daarvoor het grootste en bedrijvigste industriële centrum van de stad had gehuisvest. De gasfabrieken, de thermo-elektrische centrale en de oude douane hadden hun tegenhanger aan de overkant van de rivier in het verlaten gebouw en de bakstenen schoorsteen van de zeepfabriek, de graanopslag van het Agrarisch consortium en de in onbruik geraakte industriële graanmolens Mulini Biondi.

Op korte afstand rechts ervan liep de oever ongeveer tien meter schuin af tot aan de blaadjes net onder het wateroppervlak. Na de enorme hitte van augustus had de regen van de afgelopen week het niveau van de rivier snel doen stijgen en nu stond het water hoog. Het stroomde, vuilgroen, de funderingen en de pijlers van de Ponte di Ferro geselend. Voor hem stonden drie vale gebouwen met donkere, schuine daken en met ramen die met gekruiste houten planken waren dichtgetimmerd. Hij liep ze voorbij en stond voor de indrukwekkende zandkleurige bouwwerken van de oude Magazzini Generali, wakend en zwijgend als rustende mastino’s.

Op zoek naar een schuilplaats begaf hij zich naar het dichtstbijzijnde bouwwerk, en toen hij onder het afdak stond kon hij weer ademhalen en keek hij omhoog naar het gebouw, van waaruit twee enorme stalen armen kwamen die over de oever van de rivier staken. Het waren de brugkranen die ooit de gigantische lieren ondersteunden die werden gebruikt om de goederen en de kolen op de aken te verplaatsen.

Terwijl het minder hard ging regenen, nam zijn nieuwsgierigheid de overhand en liet hij zijn schuilplaats achter zich om tussen de skeletachtige, in het donker gehulde bouwsels door te gaan lopen. Aan de linkerkant staken twee torentjes van gewapend beton af met erboven grote cilindrische tanks, ijzeren constructies en rasters en waterreservoirs die wie weet waarvoor dienden. De lucht was zwaar en hij had moeite met ademen, ondanks de harde windvlagen die, ergens in de verte, een klok deden schommelen. Het geluid van de wind en die lugubere en subtiele echo deden hem rillen.

Maar hij was niet bang, wat de jongens van zijn oude kamp ook zeiden, die twee stommelingen met wie hij wedjes maakte wie het meeste bruikbare afval in de afvalcontainers zou vinden of hoeveel auto’s er tussen het ene en het andere rode stoplicht voorbij zouden komen. Na het overlijden van zijn moeder waren ze begonnen hem uit te lachen, en soms kafferden ze hem uit. Ze lieten hem altijd het moeilijkste deel van hun klusjes doen en noemden hem ‘schijterd’, omdat hij doodsbang was voor de zwerfhonden van het kamp. Maar wat kon hij eraan doen dat ze hem blaffend achtervolgden telkens als hij in de latrine ging plassen?

Daarom was hij in augustus uit het kamp gevlucht en had hij zich daarheen verplaatst, langs de rivier, zich verstoppend tussen de dorre takken van de verlaten zeepfabriek. Daar had hij een schuilplaats gebouwd, onder het dak en tussen de drie muren van een klein bijgebouw die nog overeind stonden. Binnen groeide een grote vijgenboom waarvan de stam door het kapotte plafond tevoorschijn kwam. De asgrijze schors was glad en droeg de tekenen van zijn mes: een heleboel melkwitte littekens die als kalender fungeerden. Hij had de onderste vruchten allemaal opgegeten toen hij net was aangekomen, en wanneer hij niks beters vond, gebruikte hij de grote bladeren die binnen handbereik waren om zich na zijn behoeften af te vegen. Hij had zelfs een bed gemaakt, met lakens die hij van een balkon aan de Viale Marconi had gestolen, en een matras dat bij een afvalcontainer was achtergelaten.

Je kon alles van hem zeggen, behalve dat hij een bangerik was. Hij was inmiddels elf jaar en woonde al alleen. Tuurlijk, het lukte hem niet altijd om de dag goed door te komen en met een volle maag naar bed te gaan, maar hij mocht niet klagen. Altijd beter dan bij de stoplichten, in de metro of voor San Paolo werken en met een plastic bekertje in de ene en een versleten bidprentje in de andere hand te bedelen.

Hij liep nog enkele tientallen meters verder, stopte en ging op zijn hurken zitten. Met één hand doorzocht hij de grond tot hij een grote, poreuze, helemaal grijze steen vond. Hij pakte hem en stond op om om zich heen te kijken, op zoek naar een zichtbaar doelwit in het halfdonker. Hij trok zijn schouders op en draaide, als een discuswerper, een heel rondje op zijn linkervoet om zich af te zetten, stopte abrupt en slingerde de steen hard en ver weg. De steen vloog recht op een blinkend gebouw af. Het leek op een hoge stalen kathedraal met twee witte waterreservoirs als klokkentorens. In de hoefijzervormige binnenruimte was een soort metalen vloer te zien.

De steen viel. Maar van de vloer kaatste geen enkel geluid terug, niet eens het schelle gekletter dat de jongen had verwacht.’

Lees verder in

Schaduw | Mirko Zilahy | vertaald door Aniek Njiokiktjien | ISBN 9789401606943 | € 19,99 | Xander Uitgevers | bestel Schaduw via deze link bij bol.com | ook verkrijgbaar als e-book

 

Ontdek onze droomplekken in Italië!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *