Naar hoofdinhoud Naar navigatie
19 september 2026

Ik zou graag teruggaan in de tijd – Judith Hermann

In Ik zou graag teruggaan in de tijd treedt Judith Hermann in de voetsporen van haar grootvader en reist naar het Poolse Radom, waar hij tijdens de Tweede Wereldoorlog voor de SS gestationeerd was. Zijn lang ontkende geschiedenis wordt onderdeel van haar leven daar.

Vanuit Polen reist ze door naar haar zus in Napels, die archeologe is en zich vooral op haar gemak voelt bij het opgraven van objecten van veel langer geleden, dingen die niet haarzelf en haar familieafkomst betreffen. Ook bij haar stuit Hermann op weerstand als ze het onderwerp ter sprake brengt.

Hermann probeert grip te krijgen op de herinneringen en de erfenis voor de volgende generaties en woorden te geven aan het zwijgen.

Lees alvast een fragment

‘Van Krakau reisde ik door naar Napels. […] Ik nam de trein via Innsbruck naar de Brennerpas, tussen Wenen en Innsbruck minderde hij vaart, en kwam tot stilstand.

Mijn medereizigers keken op van hun mobiele telefoons, ze keken uit het raam, rolden met hun ogen en zeiden, ach Duitsland. De trein stond een tijdje stil, een denkpauze. Hij begon weer te rijden, versnelde, bracht ons Oostenrijk weer binnen.

Ik stapte in Innsbruck uit en reed meteen verder naar de pas, ik wilde niet meer in Oostenrijk zijn, ik wilde helemaal nergens meer zijn, ik wilde in beweging blijven, steeds verder weg.

Een uur in Brennero, waarover ik had gelezen dat het de pijngrens van Europa was. Op dit binario 1 hadden Hitler en Mussolini elkaar de hand geschud, in het salonrijtuig hadden ze plannen gemaakt, het had gesneeuwd, Duitse soldaten hadden in de natte sneeuw staan wachten tot ze mochten inrukken, terug naar de warmte, naar waar het droog was, het gesprek had tweeënhalf uur geduurd, het station leek sindsdien niet veranderd te zijn.

Ik trok de koffer. die licht was, omdat al mijn spullen onderweg waren in een pakket waarvan ongewis was of het ooit zou aankomen, en ik zou er geenszins mee gezeten hebben als dit pakket zou verdwijnen, ik trok de lichte koffer langs het verleden naar een Italiaans restaurant aan de andere kant van het spoor; ik was wekenlang niet meer in een restaurant geweest.

Ik ging aan een tafeltje zitten tussen verhitte gezinnen met rode wangen die de hele dag in de buitenlucht hadden doorgebracht, misschien hadden ze geskied, hoewel ik vanuit het raam van de trein geen sneeuw had gezien, alleen sneeuw op de toppen, de hellingen waren grijs en kaal geweest.

Wanneer had ik me voor het laatst zo geborgen gevoeld als bij deze Italiaan tegenover het spookachtige station met een bord hete soep en een glas wijn, ver van alles, niemand wist waar ik was, ik was op de pas.

Tussen de bergen. Op de bodem. Zonder bezit, aan het eind van een fase, bezig met allerlei soorten vragen en met een ticket voor de nachttrein naar Roma Termini in de zak van mijn jas, waarmee ik ongedeerd de Radomse winter was doorgekomen.

Ik zat drie kwartier in deze dankbare toestand aan de tafel tussen de andere mensen, toen betaalde ik, trok de koffer terug naar het station, waarboven nu stuifsneeuw dwarrelde, losse, verwonderde vlokken, die echter op steenslag en schuine oppervlakken bleven liggen. De trein stond al op de rails, donker en afgesloten, er woei een ijskoude wind over het perron, en ik wachtte geduldig en instemmend tot de deuren open zouden gaan.

Mijn zus woont al jaren in Italië. Ze is archeologe, ze heeft in Berlijn en Rome gestudeerd, is in Bergamo gepromoveerd, ze heeft zich hoofdzakelijk beziggehouden met graven, niet alleen met het verleden dus, maar ook nog eens met de doden uit het verleden, een vakgebied dat met betrekking tot hetgeen mij bezighield bijna iets amusants had kunnen hebben, iets verwants.

Maar dat had het niet. Integendeel. Mijn zus en ik praten nooit over deze verbanden. Als ons in een onbekend gezelschap naar onze beroepen wordt gevraagd, zegt mijn zus, eerst naar mij, dan naar zichzelf wijzend, zij schrijft, ik graaf. Ik stem daarmee in. Meer zeggen we niet. De afstandelijkheid komt van beide kanten.

Mijn zus informeert niet naar mijn werk, ik niet naar dat van haar, voor zover ik me kan herinneren is dat altijd al zo geweest, en het verandert nauwelijks. In de jaren dat mijn zus in Berlijn studeerde, had ik de indruk dat ze voor archeologie had gekozen omdat het Archeologisch Instituut het verst weg was. Aan de rand.

Het bevond zich aan het einde van de gang, achter de archieven, ik haalde mijn zus er soms op en moest altijd zoeken, het was in alle vertrekken pikdonker, alleen in de laatste zaal wierp een projector vergeelde foto’s van puinhopen op de muur, haar studiegenoten zaten in het schemerduister een eind uit elkaar aan scheve lessenaars, de meeste hadden hun hoofd op het tafelblad gelegd.

Ik had mijn zus kunnen vragen waarom ze deze faculteit had gekozen, ik heb het haar niet gevraagd, ik neem aan dat ik genoeg met mezelf te stellen had. Vervolgens ging ze naar Rome.

In Rome heb ik haar begin jaren negentig een keer opgezocht. Ze woonde in een woongroep met andere studenten archeologie, de woongroep deed denken aan het instituut in Berlijn, ook in Rome waren de vertrekken stoffig en donker, met in elk daarvan een piekerende persoon aan een tafel, met de rug naar de anderen toegekeerd, bezig met iets wat moeilijk over te brengen en allang voorbij was.

De kamer van mijn zus was een ruime kast met twee deuren. Door de ene ging je naar binnen, de andere kwam uit op een Frans balkon. In de kast stonden een stapelbed en een stoel, meer plek was er niet. Mijn zus sliep in het bovenste bed en studeerde op het onderste.

Toen ik op bezoek was, sliep ik onderin, streek ’s morgens de lakens glad, betrad in mijn nachthemd het balkon en poetste daar mijn tanden, terwijl mijn zus uit het bovenste bed naar beneden kwam, haar kleren uitspreidde op het onderste, zich aankleedde, de kast verliet, met espresso in het Bialetti-potje en twee kopjes op een dienblaadje terugkwam, ik had me in de tussentijd aangekleed. Ik dronk de espresso op het balkon, zij dronk de espresso zittend op de rand van het bed, toen gingen we op pad. Bij het ochtendgloren.

We gingen altijd bij het ochtendgloren op pad, het was juni en de stad was al voor de middag zo bloedheet dat je je niet meer buiten kon ophouden, bovendien was mijn zus erop gespitst om mij straten en pleinen zonder mensen te laten zien, en dat lukte haar.

De verlaten Campo de’ Fiori, Piazza Venezia, Piazza di Spagna. Trastevere. De Ponte Sant’Angelo, geen mens te bekennen. Piazza della Madonna dei Monti, uitgestorven. Onder de zuilengalerijen van het Sint-Pietersplein pelden daklozen zich uit slaapzakken, en zij wasten zich bij de fonteinen.

De Spaanse Trappen. Niemand op de Spaanse Trappen. Rome was een vacuüm, een schilderij van Giorgio de Chirico, door wiens surrealistische schaduwen we ons haastig voortbewogen, steeds langs de muren van palazzi; we praatten niet veel met elkaar tijdens mijn bezoek, ik kan me geen enkel gesprek herinneren, behalve één keer, toen mijn zus persoonlijke vragen ten strengste verbood.’

Lees verder in

Ik zou graag teruggaan in de tijd | Judith Hermann | vertaald door Herman Vinckers | ISBN 9789493486102 | € 23,99 | Meridiaan Uitgevers | koop Ik zou graag teruggaan in de tijd bij je lokale boekhandel of bij bol.com (ook beschikbaar als e-book)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Ciao tutti is hét startpunt voor je vakantie naar Italië, bomvol persoonlijke tips. Buon viaggio!