Download gratis de Ciao tutti app!

En de wereld was jong – een prachtig portret van het naoorlogse Keulen, Hamburg en San Remo

In het boek En de wereld was jong, het eerste deel van een trilogie, schetst Carmen Korn een prachtig portret van het naoorlogse Europa. Ze neemt je mee naar Keulen, Hamburg en San Remo.

Gerda Aldenhoven en Elisabeth Borgfeldt, tien en elf jaar oud, leren elkaar in 1912 kennen aan het Oostzeestrand. Ze worden vriendinnen voor het leven.

Als lezer stap je in hun leven op het moment dat de jaren vijftig aanbreken, het eerste decennium na de Tweede Wereldoorlog. Een decennium vol grote en kleine momenten, geluk en verdriet, hoogte- en dieptepunten. Feesten die gezamenlijk worden gevierd, uitdagingen die moeten worden aangegaan.

Gerda en haar man Heinrich hebben ooit een huis geërfd aan de Pauliplatz in Keulen. Ze wonen er nog altijd, samen met hun kinderen Ursula en Ulrich en Heinrichs ongehuwde nichten, die hun eigen woning hebben verloren bij een nachtelijk bombardement.

Heinrich heeft een kunstgalerie, maar de zaken lopen niet bijzonder goed. Sinds de oorlog hebben de mensen geen wanden meer waar ze de schilderijen aan zouden kunnen ophangen.

Ook bij Elisabeth en Kurt in Hamburg is het wat krap geworden. Op de eerste verdieping van hun woning is een gezin uit Silezië ingekwartierd en zelf slapen ze nu in het kamertje naast de keuken.

Hun bed hebben ze afgestaan aan dochter Nina en kleinzoon Jan, die inmiddels al vijf is en zijn vader Joachim nooit heeft gekend. Die wordt sinds maart 1945 in Rusland vermist.

Heinrichs zus Margarethe is nog voor de oorlog van Keulen naar het Italiaanse San Remo verhuisd. Haar man Bruno stamt uit een welvarend geslacht van bloemenhandelaars.

Margarethe leidt een comfortabel leventje aan de Rivièra, maar gaat gebukt onder het afhankelijk zijn van haar schoonmoeder Agnese, die het familievermogen beheert en er klakkeloos van uitgaat dat hun zoon Gianni in de toekomst de bloemenhandel overneemt. Dat de twintigjarige jongeman weleens andere plannen zou kunnen hebben, is voor Agnese onvoorstelbaar.

Hoe verschillend ze de nieuwjaarsdag van 1950 ook doorbrengen, ze vragen zich allemaal hetzelfde af: zullen onze oorlogswonden eindelijk helen? En wat zal de toekomst ons brengen?

Lees alvast een fragment
‘Koude lucht stroomde naar binnen toen ze het raam naar de straat opendeed. Koud genoeg om straks de hermelijn te dragen. De diepblauwe hemel zette je op het verkeerde been; in de nieuwjaarsnacht was de temperatuur gedaald.

De Via Matteotti leek vier verdiepingen beneden haar zelfs te glinsteren. Margarethe hield niet van de hermelijnjas, maar haar schoonmoeder zou gekrenkt zijn als ze hem niet droeg naar het grote familiediner in Ristorante Royal.

De Canna’s lieten graag zien wat ze hadden, en daar hoorde ook de hermelijn bij. La pelliccia reale. Een koninklijke bontjas. Tenslotte had Italië nog niet lang geleden een koning gehad.

Haar schoonmoeder vond het vreselijk dat Umberto vier jaar geleden het land uit was gezet. Dat was nog eens een fijne man. Un uomo gentile. Nu moest hij in den vreemde wonen.

Woonde Margarethe in den vreemde? Of was San Remo allang thuis voor haar geworden? Haar zoon was nog in Keulen geboren. Een jaar na Hitlers machtsovername waren ze naar het land van haar man vertrokken, Bruno had het Italiaanse fascisme draaglijker gevonden dan het Duitse, maar ook het klimaat in het Keulse museum waar hij als curator had gewerkt was veranderd.

Margarethe Canna, geboren Aldenhoven, zuchtte bij de gedachte aan haar schoonmoeder en de hermelijn. Bruno’s moeder voerde haar voornaamheid terug op het feit dat ze uit een Venetiaanse familie stamde, al was ze bepaald niet in een palazzo opgegroeid.

Haar ouderlijk huis had in een arbeiderswijk gestaan.Welstand was pas in haar leven gekomen door haar huwelijk met een zoon van de Canna’s. Had Margarethe ooit aan de verwachtingen van haar schoonmoeder voldaan? Ze was niet opgegroeid in een kolenhok, ook al deed Agnese soms alsof dat zo was, maar in een vooraanstaande Keulse familie.

Margarethe schudde haar hoofd. Waarom nam Bruno’s moeder zoveel van haar gedachten in beslag? Was ze na bijna zestien jaar nog altijd niet gewend aan die verwaandheid van haar?

‘Trek die jas dan gewoon niet aan.’
Prego?’ vroeg Margarethe, hoewel haar man Duits had gesproken.
‘De hermelijn,’ zei Bruno. ‘Ik zie dat je je hoofd schudt. En je trekt je schouders op. Tekenen van ongenoegen bij jou.’

Ze draaide zich om. ‘Op dit soort momenten weet ik weer precies waarom ik twintig jaar geleden met jou ben getrouwd.’
‘Je bent met mij getrouwd omdat je in verwachting was van ons kind. Gianni is overigens al wakker. Ik was net bij hem, hij doet opdrukoefeningen. Een van zijn goede voornemens, neem ik aan.’

‘Ik zou liever gewoon met ons drietjes naar San Romolo gaan en ergens in een locanda een hapje eten in plaats van in het Royal.’
Margarethe zag het al voor zich: haar schoonmoeder aan het hoofd van de tafel, de vettige padrone die haar in de watten legde. De grote zilveren schaal met de fazant die veel te lang voor de winkel van de poelier in de Via Palazzo had gehangen. In het Royal kookte men zoals in het nabijgelegen Frankrijk. Inclusief bestorven wild.

‘Zou je liever weer in Keulen willen wonen?’
‘Nee, Bruno, ik woon hier graag. Alleen Agnese maakt me het leven moeilijk en ze wordt met het jaar hardvochtiger. Dat ik katholiek ben is het enige aan mij wat haar goedkeuring kan wegdragen.’
‘En dat je haar een kleinzoon hebt gegeven.’
‘Maar de miskramen verwijt ze me.’
Questo non è vero,’ zei Bruno.
‘Je weet dat het zo is.’

‘Kom mee naar de keuken en drink een kop koffie met me. Dan kunnen we over gisteravond roddelen en ook nog wat linzen eten. Dat zal mama’s eerste vraag zijn. Zolang ik me kan herinneren maakt ze zich zorgen dat we in het nieuwe jaar zonder geld komen te zitten omdat we met oud en nieuw niet genoeg linzen hebben gegeten.’

‘Laten we liever de panettone aansnijden.’ Bij de koffie had ze liever een plakje luchtige cake met gekonfijt fruit dan koude linzen. ‘Neem op zijn minst een eetlepel vol,’ zei Bruno. ‘Dan hoef ik niet te liegen.’

Margarethe liep langs hem heen de gang in. Toen hij in de keuken aankwam, zat ze al op de linzen te kauwen, die deze keer wel erg al dente waren uitgevallen.
‘Je vindt mij een lafaard.’
‘Wat betreft die hermelijn zul je een held worden vandaag als je het restaurant betreedt met een vrouw in rode mantel.’
‘Ja,’ zei Bruno. ‘Dat zal ik. Met een vrouw in een heel erg rode mantel.’ Hij trok de schaal naar zich toe en begon de linzen op te eten.

‘Gisteravond met Donata en je broer was heel geslaagd,’ zei Margarethe. ‘Hun vrienden uit Bordighera zijn sympathieke mensen.’ Ze pakte het grote mes, sneed de panettone aan en legde twee plakken op de dikke witte porseleinen bordjes die ze alleen in de keuken gebruikten.

‘Ik geniet nog na van het moment waarop de borsten van mijn schoonzuster uit haar decolleté vielen. Dat zou een feest zijn geweest voor mijn moeder. Donata zou minstens een dozijn weesgegroetjes als boetedoening hebben gekregen voor dat decolleté.’

Donata had het al niet gemakkelijker dan Margarethe. Ze was weliswaar geboren en getogen in San Remo, maar nog altijd kinderloos en ondanks haar inmiddels bijna tweeëndertig jaar niet één enkele keer zwanger geweest.

Una colomba secca noemde Bruno’s moeder de vrouw van haar jongste zoon. Een droog duifje. Ze was zeer ontevreden over de vruchtbaarheid van haar schoondochter. Waarom verdroegen ze Agnese Canna allemaal? En nog zonder klagen ook?

Omdat ze het geld in handen had dat de Canna’s al tientallen jaren verdienden met de bloemenhandel? Nee, dacht Margarethe. Het was niet het geld, het waren de familiebanden.

Bruno en zijn broer Bixio zouden zich doodschamen als ze geen goede zonen waren voor hun mama, en hadden nooit kritiek op haar. Zolang hun vader leefde was alles gemakkelijker geweest, hij had veel van Agneses hatelijkheden opgevangen. Maar Bruno Canna senior was in mei 1945 overleden. Geen laat gevolg van de oorlog, maar een levenslange hartkwaal.

‘Ik ga me aankleden,’ zei Margarethe. Bruno knikte. ‘Ten strijde!’ Hij speelde even met de gedachte dat zijn moeder met haar nieuwe, dure gebit op een hagelkogel zou kunnen bijten. De fazant was ongetwijfeld geschoten door een van de jagers hier uit de buurt. Grinnikend schoof hij het bordje met de panettone naar zich toe.’

Lees verder in

En de wereld was jong | Carmen Korn | vertaald door Olga Groenewoud | ISBN 9789056727048 | € 24,99 | uitgeverij Signatuur | bestel En de wereld was jong bij je lokale boekhandel of via deze link bij bol.com (ook beschikbaar als e-book)

Schrijf je (gratis) in voor de Ciao tutti nieuwsbrief

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *