Naar hoofdinhoud Naar navigatie
18 juni 2026

De zee zal me troosten – prachtige roman die je meevoert naar Favignana

Het perfecte boek voor de start van de zomer: De zee zal me troosten, een meeslepende roman over vriendschap, opgroeien, klassenverschillen, oude familiegeheimen en verwachtingen voor de toekomst.

Dompel je onder in het verhaal van twee meisjes, waarin ook de verhalen van hun moeders nagalmen en oude familiegeheimen aan de oppervlakte komen, met als decor het prachtige eiland Favignana, voor de westkust van Sicilië, waar schrijfster Rosita Manuguerra opgroeide.

De ziekte van de ziel

Favignana is een eiland vol geschiedenis en beeldschone natuur. Er zijn mensen die aankomen bij de eerste zonnestralen en vertrekken bij de eerste regen. Er zijn mensen die elke dag heen en weer reizen naar het vasteland, zonder zich af te vragen op welke kust ze eigenlijk thuishoren. En dan zijn er mensen die gedwongen worden te kiezen: blijven of afscheid nemen.

Elke keuze laat een spoor na, dat zowel onzichtbaar als ingrijpend is, iets wat de eilandbewoners ‘malanima’ noemen, de ziekte van de ziel.

Mia leerde dit als kind door haar familiegeschiedenis: haar moeder bleef, in de overtuiging dat een leven op het eiland de enige optie was, terwijl anderen vertrokken zodra ze konden. Als tiener blijft Mia de tweestrijd voelen tussen blijven en vertrekken van het eiland.

Tot Marina op Favignana arriveert, een meisje uit de stad dat niet met de septemberregen zal vertrekken en dat het vredige evenwicht op het eiland zal verstoren.

Lees een fragment uit De zee zal me troosten

‘Ik zag haar voor het eerst op een plek waar geen toeristen kwamen.
Op een strand net buiten het dorp, waar je alleen naartoe ging als de sirocco waaide, de enige wind die daar rust bracht. Iedereen vermeed dat strand omdat het achter de begraafplaats lag en het tij er zelfs de eerste graven dreigde weg te spoelen, die waarvan het marmer met een korst zout was bedekt en waar niemand nog naar omkeek.

Het was maar twintig minuten lopen, ik liet de fiets het liefst thuis en ging met de benenwagen. Ik vond het heerlijk om op de route regelmatig even stil te staan om te bekijken wat er uit de droogstenen muurtjes aan weerszijden van de weg groeide. In die tijd van het jaar waren het vooral de schijven van de vijgencactus, met hun oranje en paarsrood gekleurde vruchten, hetzelfde paarsrood waarmee tante Nietta haar lippen stiftte.

Hoe meer vijgen ik telde, hoe dichterbij het einde van de zomer was, zo wist ik. Om dat einde aan te kondigen waren ook de eerste regens gearriveerd.

Wat de regen met de grond doet, doet de storm met de bodem van de zee. Eerst begint het wateroppervlak te schuimen, het zand te verstuiven in het water. Dan slaat het neer, wordt het water helderder dan ooit en de bodem zichtbaar, alsof je er door een ruit naar kijkt. Elke keer dat het gebeurde, wilde ik het zien. En ik wist dat San Nicola er de beste plek voor was. Daar vulde het water de tufstenen bekkens die de ruggengraat van de inham vormden. Het waren geen natuurlijke bekkens, maar de zee had het steen zwart gekleurd en de hoeken afgerond, waardoor je – als je niet beter wist – dacht dat er nooit een mensenhand aan te pas was gekomen.

Tijdens de storm vulde de zee de bekkens, daarna kwam het moment van het leeglopen. Het water begon weg te sijpelen door de sleuven in de kalkachtige wanden en liet achter wat het had meegebracht: flarden van netten, drijfhout.

Die dag lag er tussen de troep ook een pekzwarte massa, die me vanaf de weg, van bovenaf, al was opgevallen. Ik moest, balancerend over de glibberige rotsen, dichterbij komen om te beseffen dat het om een dolfijn ging, die liggend op zijn zij was achtergebleven.

Het water bedekte het dier nog maar voor de helft. De andere helft werd aan de lucht blootgesteld, was zwart geworden en door de zon gaan rotten. Lucht en water, het waren de elementen van het dier, maar hier niet in de juiste verhouding, niet in de verhouding die hem het leven mogelijk maakte.

Ik had mijn voeten al in de spleten van de rotswand vastgezet om naar beneden te klimmen, toen ik haar vanuit het niets zag opduiken. Ik verstopte me. Ze moest ongeveer van mijn leeftijd zijn, een lok wit haar hing voor haar gezicht en ze sjouwde een armvol houten planken mee.

Ze stapte het bekken in, het water likte aan de zomen van haar korte broek. Ze leek er geen aandacht aan te besteden, maar liep naar de dolfijn. Ze wrikte de planken onder het dode lichaam en gebruikte ze als hefboom. Vanuit de verte zag ik haar schouderbladen, die door haar badpak niet werden bedekt, op en neer gaan in het ritme van de kracht die ze uitoefende.

Na een aantal pogingen besefte ze dat ze haar volle gewicht moest inzetten. Uiteindelijk slaagde ze erin de dolfijn over de rand van het bekken te werken, terug naar de open zee. Zelf gleed ze uit over de glibberige algen en belandde op haar achterste in het water. Ze zette zich met haar handen af en stond net op tijd weer overeind om de dolfijn op het water te zien drijven, voordat hij zonk.

Ze bleef roerloos staan staren naar het punt waar hij was verdwenen. Toen klom ze langzaam uit het bekken, liep naar een tas die nog op het strand lag, ging op een rotsblok zitten en stak een sigaret op.

Ze zag me niet. Ik ging niet naar haar toe. Ik dacht gewoon dat ze een van die mensen was die binnenkort zouden vertrekken.’

Lees verder in

De zee zal me troosten | Rosita Manuguerra | vertaald door Hilda Schraa (oorspronkelijke titel: Malanima) | ISBN 9789089684004 | € 22,99 | uitgeverij Meulenhoff | bestel bij je lokale boekhandel of bij bol.com (ook verkrijgbaar als e-book)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Ciao tutti is hét startpunt voor je vakantie naar Italië, bomvol persoonlijke tips. Buon viaggio!