Lilli groeit op in het Genua van de jaren vijftig, met een strenge moeder, een ernstig zieke vader en een heleboel zussen. Als ze het huis vol vrouwen ontvlucht, ontmoet ze Ida, een straatschoffie van wie Lilli haar ogen niet af kan houden.
Dankzij Ida leert ze de Straatratten kennen, bij wie ze na het overlijden van haar vader haar toevlucht zoekt. Bij hen ontdekt ze hoe goed het voelt dat ze als jongen wordt gezien. Ook leert ze bij hen de liefde kennen – en de strijd die ze daarvoor zal moeten voeren.

Het verhaal van Sara’s oudtante Lilli
De Italiaanse Sara De Martino raakte geïnspireerd door het verhaal van haar oudtante, dat ze beetje bij beetje wist te ontrafelen. ‘Mijn zoektocht begon na de uitvaart van mijn oudtante Lilli, een van negentien zussen,’ zo vertelde Sara aan vertaalster Henrieke Herber die de schrijfster opzocht in Genua.

‘Ik kreeg een doos met foto’s in handen, waarvan de meeste doormidden waren gescheurd. Alleen Lilli stond er nog maar op. Wie was die mysterieuze andere persoon? Het bleek Ida, Lilli’s geliefde.’
Gaandeweg ontdekte Sara Lilli’s verhaal. In het zussengezin werd niet geaccepteerd dat Lilli zich meer jongen voelde dan meisje. Ze belandde dan ook vrij vroeg op straat, bij de bende van Ida, op wie ze hartstochtelijk verliefd werd.
Ze kon even zichzelf zijn, maar uiteindelijk viel ze in handen van een bazin van de Camorra. In werkelijkheid lukte het Lilli en Ida niet om uit haar greep te ontsnappen, maar Sara gunt de twee meisjes een ander einde…
Henrieke sprak ook samen met Sara met Ilja Leonard Pfeijffer, over Genua als personage. Want naast Lilli speelt ook de stad een sleutelrol, met haar doolhof aan ondoordringbare steegjes.
Henrieke, Sara en Ilja
Lees alvast een fragment
‘Een uur en veel gedoe later konden ze eindelijk de deur uit. Ze namen de crêuza, de strook van rode bakstenen midden op straat die helemaal naar het stadscentrum liep. Hij was zo steil dat Lilli het liefst naar beneden rende, waarbij ze de zwaartekracht zijn gang liet gaan en ze haar voeten alleen maar heel snel achter elkaar neer hoefde te zetten, zodat ze ondertussen om zich heen kon kijken.
Op die manier zag ze Genua langzaam veranderen, alsof ze door een fotoboek bladerde: lager op de heuvel maakten de vrijstaande huisjes plaats voor oude gebouwen, steeds hoger en smaller en dichter op elkaar, tot de stad één groot stenen lichaam leek te vormen.
Dat was het doolhof van het oude centrum, dat de stad beschermde tegen al wie van zee kwam en dat leek te zeggen: ‘Hier kom je niet door, je gaat verdwalen.’
Beneden bleef Lilli helemaal bezweet staan wachten op haar moeder en zussen. Samen liepen ze de smalle steegjes in, waar het koeler en donkerder was, omdat de zon nauwelijks tussen de dichte huizenrijen doordrong.
Lilli’s oma bleef altijd thuis, want sinds de oorlog moest ze niets meer hebben van priesters en sacramenten. Ook haar vader ging niet naar de mis, maar dat was anders: hij was ziek en kwam al twee jaar zijn kamer niet uit.
Bij hun aankomst in de kerk hadden de meisjes De Rosa altijd veel bekijks, vooral sinds hun vader er niet meer bij was. Ook de sobere elegantie van hun moeder kon op veel bewonderende blikken van de heren rekenen, en zelfs de pastoor keek net iets langer naar haar dan nodig.
Terwijl de mis begon, liepen ze naar hun banken, maar de ruzie tussen Lilli en Elda was duidelijk nog niet bijgelegd.
Lilli was de laatste in de rij en toen ze wilde gaan zitten, versperde Elda haar de weg. ‘Jij hoort aan de overkant, halve jongen die je bent,’ beet ze haar toe en ze wees naar de rechter zijbeuk, waar de mannen zaten. In een reflex trapte Lilli tegen Elda’s scheenbeen. Elda schreeuwde het uit van de pijn en gaf Lilli op haar beurt een zo hard mogelijke duw, waardoor die languit in het gangpad belandde.
De pastoor onderbrak zijn openingsgebed en iedereen draaide zich om naar Lilli. Haar rok was helemaal omhoog gevlogen, tot boven haar schouders.
Hun moeder werd lijkbleek. Ze keek van Elda, die met een betraand gezicht over haar pijnlijke been wreef, naar Lilli, die worstelend met haar onderrok overeind probeerde te krabbelen, paars aangelopen van woede. En ze maakte een klein, maar niet mis te verstaan handgebaar: eruit.
Dat liet Lilli zich geen twee keer zeggen: ze ging al, koppig sloffend met haar voeten. Die stomme Elda ook, dacht ze, toen de zware kerkdeur van donker hout achter haar dichtviel.
Het hing haar vreselijk de keel uit dat Elda haar steeds ‘halve jongen’ noemde, want nu haar zus haar logé op bezoek had gehad, zou Lilli de volgende zijn.
En beseften haar moeder en oma eigenlijk wel dat Lilli het merkte als ze stilletjes naar haar gluurden en over haar zaten te fluisteren? Ze wist echt wel wat ze over haar zeiden.
Er bestonden drie theorieën over Lilli. Volgens haar oma kwam het allemaal doordat Lilli als baby hersenvliesontsteking had gehad en bijna was doodgegaan. Na die ziekte was ze ‘raar geworden’, zei ze tegen iedereen die het horen wilde.
Dan was er de theorie van mevrouw Mara – Lilli had geleerd dat je iemand alleen met meneer of mevrouw hoorde aan te spreken als je hen bij hun achternaam noemde, maar dat gold blijkbaar voor iedereen behalve mevrouw Mara. Ze was een vriendin van haar oma die de hele tijd bij hen thuis rondhing, zo vaak dat ze soms gewoon vergaten dat ze er was.
Mevrouw Mara zei dat Lilli zo was geworden omdat een vrouw uit het woonwagenkamp haar een aai over haar bol had gegeven toen ze vier jaar was. Haar moeder hield vol dat ze zich zoiets niet kon herinneren, maar mevrouw Mara, die een soort waarzegster was, wist het zeker.
En dan had je nog de theorie van haar moeder: die zei eigenlijk niets, maar Lilli wist waar ze aan dacht. Aan Carlo en Agostino, haar twee broertjes die dood geboren waren vlak voordat haar moeder zwanger was geworden van Lilli. Haar moeder had hen zo graag gewild. Misschien was er op de een of andere manier een stukje van hen in Lilli achtergebleven?
Terwijl Lilli op de trap voor de kerk zat te raden naar haar moeders gedachten, gebeurde er opeens iets bizars: er zoefde een rond voorwerp door de lucht, tegen een dame aan die net de straathoek om was gekomen. Een ei?
Meteen trok de vrouw haar bontjas uit om de schade op te nemen. Vanuit het niets verscheen er een jongetje dat de jas uit haar handen griste en razendsnel in Lilli’s richting kwam rennen.
De vrouw schreeuwde: ‘Houd de dief!’
Meteen daarna klonk er een andere kreet, die een tel later overal door de stegen galmde: ‘Koud water!’
Vanaf het einde van de straat snelden een paar politiemannen de uitzinnig krijsende vrouw te hulp.
En opeens werd alles zwart.’
Lees verder in

Lilli | Sara De Martino | vertaald door Henrieke Herber & Lies Lavrijsen (oorspronkelijke titel: Fuga dal paradiso) | ISBN 9789493374485 | € 16,99 | uitgeverij Blauw Gras | koop Lilli bij je lokale boekhandel of bij bol.com