Naar hoofdinhoud Naar navigatie
2 juli 2026

Win De zeepmaakster van Salento, het nieuwe boek van Francesco Giannone!

Na het grote succes van De brievenbezorgster van Puglia is nu ook de tweede roman van Francesca Giannone vertaald: De zeepmaakster van Salento. Perfect om je deze zomer mee te laten voeren naar het zuiden van Puglia!

Namens uitgeverij Wereldbibliotheek delen we alvast een voorproefje én mogen we drie lezers trakteren op een exemplaar van dit prachtige boek.

Lorenzo en Agnese hebben eind jaren vijftig de droom om de zeepfabriek die al generaties in de familie is tot een groot succes te maken. Wanneer hun vader echter besluit de fabriek te verkopen, staan broer en zus voor een keuze die hun band zwaar op de proef stelt.

De gevoelige Agnese wil haar thuis en zekerheden niet opgeven, maar de trotse Lorenzo ziet blijven als verraad en vertrekt, vastbesloten om de fabriek terug te krijgen. Het zorgt voor een pijnlijke breuk tussen broer en zus, die hen elk een andere, onverwachte richting op stuurt. Wie van hen heeft de juiste keuze gemaakt, wie van hen zal de ware liefde leren kennen?

Lees alvast een fragment

‘De Lambretta had weer eens kuren. Op het plaatsje voor de zuilengalerij van hun huis bleef Lorenzo verwoed op het kickstartpedaal trappen, maar tevergeefs.

‘Als ik straks mijn rijbewijs heb gooi ik dit rotding in zee,’ brieste hij en hij schopte tegen de zandkleurige carrosserie. Met een zucht stroopte hij de mouwen van zijn witte overhemd op over zijn dunne armen en wreef zijn dikke zwarte haar dat voortdurend over zijn voorhoofd viel naar achteren.

Door het openstaande raam op de eerste verdieping zong Domenico Modugno uit volle borst Nel blu dipinto di blu, met de uithaal ‘Voo-laaare! Oh, oh!’ waarna hij bezong hoe hij gelukzalig door de lucht vloog, nog hoger dan de zon…

‘Agnese!’ riep Lorenzo omhoog naar het raam.
Zijn zus leunde met haar handen op de vensterbank en keek omlaag. ‘Wat is er?’
‘Hij start niet meer,’ zei hij moedeloos.

‘Nou en, dat geeft niet. Dan gaan we toch gewoon lopen?’ zei zij. ‘Wat nou, lopen…’ mompelde Lorenzo. Peinzend beet hij op zijn onderlip. Toen liep hij terug naar de Lambretta en begon weer op het pedaal te trappen.
‘Zit er wel benzine in?’ vroeg Agnese.
‘Ia, tuurlijk,’ zei hij, met verstikte stem van de inspanning. ‘Kom op nou, verdomme!’

Eindelijk begon de motor van de Lambretta te ronken. Lorenzo keek stralend omhoog naar zijn zus. ‘Ben je klaar? Kom gauw, voordat hij weer afslaat!’

‘Ik kom eraan!’ antwoordde ze, en ze verdween van het raam. Ze ging op het bed zitten en trok snel haar linkerschoen aan.

O nee! Stom van me, dacht ze ineens. Ze trok haar schoen weer uit en deed wat ze altijd deed: eerst moest de rechterschoen aan, en dan pas de linker.

Ze stond op, pakte de haarborstel van een dik, gebonden Botanisch handboek met vergeelde pagina’s dat op het dressoir lag, en liep naar de staande spiegel; maar ze zag in één oogopslag dat het helemaal geen zin zou hebben om haar haar te borstelen.

Door de vochtige lucht was haar volle krullenbos nog meer in de war geraakt; de borstel zou er meteen in blijven hangen als ze die zou proberen te gebruiken. Ze wilde hem teruggooien op het dressoir, maar hij raakte een hoek van het handboek en viel op de grond.

Ze keek nog eens in de spiegel, liet haar vingertoppen over haar gezicht glijden en voelde hoe droog haar huid was. Mmm… Ik heb te lang in de zon gelegen op het strand, dacht ze. Maar ze wist zeker dat niemand het had opgemerkt: dankzij haar olijfkleurige teint zag ze er altijd gebruind uit, ook in de winter.

Zelfs haar volle lippen hadden een donkere kleur, als een verwelkt rozenblad, en haar cupidoboog was zo scherp gede­finieerd dat het leek alsof die altijd op het punt stond een pijl af te schieten. ‘Agnese, kom op nou!’ riep Lorenzo, boven de stem van Modugno uit die nog steeds verdwaalde in het blauw van haar blauwe ogen.

‘Ik kom eraan!’ Ze zette de Phonetta-transistorradio op haar nachtkastje uit en liep de trap af, waarbij ze steeds eerst haar rechtervoet op de volgende tree zette. Toen liep ze de deur uit, onder de zuilengalerij door naar haar broer die al op de scooter zat te wachten, met een sigaret in de hand.

‘Daar ben ik al!’ Ze trok haar jurk wat omhoog, die tot hal­verwege haar kuiten hing, en ging achter hem op het leren zadel zitten.
‘Zit je goed?’
‘Jaja, rijden maar.’

Lorenzo klemde de sigaret tussen zijn lippen, zette zijn handen op het stuur van de Lambretta, draaide de gashendel naar achteren en vertrok. Agnese hield zich stevig vast aan haar broer en legde haar kin op zijn schouder. Ze deed haar ogen dicht en snoof: hij rook naar talk, net als zijzelf.

Al sinds hun kindertijd had die geur altijd om hen heen gehangen. Het was hun kenmerk. ‘Ik ruik talk, daar komen die twee van Rizzo!’ grapten hun schoolgenootjes altijd. Ook nu ze waren opgegroeid ge­bruikten ze nog altijd uitsluitend de zeep uit hun jeugd: de Marianne.

Lorenzo reed hun tuinhek uit en sloeg rechts af, langs een dichte rij olijfbomen; na zo’n dertig meter, voorbij het plaatsnaambord Araglie, gaf hij gas om een lichtblauwe Fiat 5oo in te halen, terwijl zijn overhemd op zijn rug opbolde als een ballon. Agnese zag zichzelf vol verbazing in de achteruitkijkspiegel: haar warrige haar, opwaaiend door de wind, leek precies de compacte, kegelvormige kruin van een cipres.

Ze reden vlak langs het platteland totdat ze het fabrieksgebouw boven de bomenvlakte zagen uittorenen. Het grote naambord was zelfs van een paar honderd meter nog duidelijk te lezen: Casa Rizzo – zeepfabriek sinds 1920.

Lorenzo nam nog een laatste lange hijs en gooide de peuk toen op de grond. Tegenover hen verrees de rondboog van de toegangspoort tot het centrum; maar hij sloeg links af en nam de weg die naar de haven voerde, langs de hoge, massieve muren van het middeleeuwse vestingkasteel met zijn vierkante vorm en de twee indrukwekkende torens die vanuit heel Araglie te zien waren.

‘Hoe was de titel ook alweer van die film waar we naartoe gaan?’ vroeg Agnese.
‘Die had ik nog helemaal niet gezegd,’ zei hij, en hij keek even achterom. ‘Maar hij heet I soliti ignoti.’

Hij reed langs de haven, waar de handelsschepen en talloze vissersboten lagen te dobberen op het kalme water, en verder in de richting van de boulevard.

‘Waar gaat hij over?’ vroeg ze.
‘Geen idee. Daar komen we zo achter. Maar hij is wel geregisseerd door Mario Monicelli, hè!’ specificeerde Lorenzo.
‘Jeetje,’ mompelde Agnese.
‘Je weet toch wel wie dat is?’
‘Nee,’ moest ze toegeven. ‘Kijk, daar is plaats,’ zei ze, wijzend naar een plekje tussen een witte Fiat 6oo en het trottoir.

‘Suffie! Je hebt al ik weet niet hoeveel films van hem gezien,’ zei Lorenzo plagerig.
‘Welke dan?’ vroeg Agnese, en ze stapte af terwijl Lorenzo de motor van de Lambretta uitzette.
‘Nou, sowieso allerlei titels met Totò: Guardie e ladri, Totò e i re di Roma, Totò e le donne, Totò e Carolina…’ Lorenzo telde ze op zijn vingers mee.
‘O ja, die…’ viel ze hem in de rede. ‘Ik heb niks met Totò, die vind ik helemaal niet grappig, dat weet je.’

‘Jij hebt geen verstand van films,’ zei Lorenzo, en hij keek haar vrolijk aan met zijn grote groene ogen. Hij sloeg een arm om haar schouders en samen liepen ze naar de openluchtbioscoop langs de kustweg. Agnese deed alsof ze beledigd was, en als enige reactie bukte hij zich, want hij was minstens twintig centimeter langer dan zij, en gaf haar een zoen op de wang.

‘Wacht even!’ zei ze ineens, en ze bleef staan. ‘Ik heb nog niet gecontroleerd hoe mijn haar eruitziet.’ Ze legde haar handen op haar krullen en probeerde ze omlaag te drukken. ‘Zie ik er nog steeds uit als een cipres?’ vroeg ze ernstig aan haar broer.
‘Als een wat?’ vroeg Lorenzo lachend.
‘Eindelijk, daar zijn jullie,’ klonk een vrouwenstem.

Lorenzo draaide zich met een stralend gezicht om en kuste het meis­je achter hem langdurig op de mond. ‘Heb je lang staan wachten?’ vroeg hij toen. ‘Sorry, het duurde heel lang voordat ik de Lambretta aan de praat kreeg.’

‘Het is je vergeven,’ zei ze, en ze liet haar vinger over zijn spitse neus glijden. ‘Ik dacht dat het zoals gewoonlijk weer de schuld was van die treuzelige zus van je.’ Daarna wierp ze Agnese een blik toe die zoiets moest betekenen als: Je bent toch niet beledigd, hè? Je weet dat ik maar een grapje maak!

Agnese keek haar bits aan, maar zei niets terug. Angela en Lorenzo waren al sinds hun kindertijd een stel en als ze bij elkaar waren leken ze een ondoordringbaar geheel, volkomen dichtgemetseld. Zij was twee jaar ouder dan Lorenzo en ze was de zus van Fernando, zijn beste vriend.

Iedereen zei dat zij het mooiste meisje van de stad was, sommigen noemden haar ‘Brigitte Bardot’, en zelfs Agnese, die haar nooit echt had ge­mogen, moest toegeven dat ze wel knap was, met die hazelnootkleurige ogen, de lange wimpers, het wipneusje vol sproetjes en het fluweelzachte blonde haar.

Lorenzo was smoorverliefd op haar; als kind al wist hij dat als hij groot was hij zou gaan trouwen met zijn Angela. In december werd hij eenentwintig, en dan zou hij de vrouw van zijn leven ten huwelijk vragen, zei hij voortdurend tegen iedereen die het horen wilde.’

Lees verder in

De zeepmaakster van Salento | Francesco Giannone | vertaald door Manon Smits (oorspronkelijke titel: Domani domani) | ISBN 9789028454521 | € 24,99 | uitgeverij Wereldbibliotheek | bestel bij je lokale boekhandel of bij bol com (ook beschikbaar als e-book en als luisterboek)

Maak kans op De zeepmaakster van Salento

Namens uitgeverij Wereldbibliotheek mogen we drie lezers trakteren op dit prachtige boek. Kans maken? Vul dan voor 31 juli 2026 onderstaand mail&winformulier in o.v.v. De zeepmaakster van Salento. De winnaars krijgen na afloop persoonlijk bericht.

Mail & win

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
Naam







Nieuwsbrief

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Ciao tutti is hét startpunt voor je vakantie naar Italië, bomvol persoonlijke tips. Buon viaggio!