dec 16

De komende week zien jullie op mijn weblog verschillende Annunciaties voorbij komen. Letterlijk betekent annunciatie verkondiging of aankondiging. Bij de katholieken verwijst dit woord naar de aankondiging van de geboorte van Jezus aan Maria. Het feest vindt dan ook niet in december plaats, maar negen maanden eerder, op 25 maart om precies te zijn.

Omdat de schilderingen nu in aanloop naar Kerstmis volop bezocht worden in de Italiaanse steden, en ze qua sfeer zo mooi passen bij deze periode van bezinning en verwachtingsvol aftellen, zet ik de komende dagen de mooiste annunciaties op een rijtje. Allemaal geven ze een voorstelling van de aartsengel Gabriël, die Maria in haar huis te Nazareth een bezoek brengt en haar meldt dat God haar uitverkoren heeft om de moeder van zijn Zoon te worden:

‘De engel ging haar huis binnen en zei tegen haar: ‘Ik groet u, u die de gunst van de Heer geniet, de Heer is met u.’ Bij deze woorden raakte Maria in verwarring en zij vroeg zich af wat die woorden mochten betekenen. ‘Wees niet bang Maria,’ vervolgde de engel, ‘God schenkt u zijn gunst. Luister: u zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen, en u moet hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden en hij zal Zoon van de Allerhoogste worden genoemd.’ – (Lucas 1:26-38)

We beginnen vandaag met mijn persoonlijke favoriet: de Annunciatie van Fra Angelico, die Maria en de engel vereeuwigde in het klooster van San Marco in Florence. Zodra je bijna boven aan de trap naar de kloostercellen bent, zie je het fresco in al zijn glorie voor je opduiken. Deze eerste aanblik is onvergetelijk – veel bezoekers blijven dan ook halverwege de trap staan om het goed in zich op te kunnen nemen.

Fra Angelico schilderde een loggia met zuilen, waaronder de engel en Maria tegenover elkaar staan. De engel geknield, Maria zittend. Beiden houden hun handen op een bijzondere manier gevouwen tegen zich aan. De monnik heeft deze passage treffend in beeld gebracht. De verwarring en de angst voor wat haar te gebeuren staat zijn van het gezicht van Maria af te lezen; de engel straalt een enorme rust uit.

Op de drempel van de loggia staat geschreven: ‘Virginis intacte cum veneris ante figuram pretereundo cave ne sileatur ave’. Oftewel: Als je komt voor de beeltenis van de maagd, zorg dan dat je nooit vergeet te zeggen ‘ave’, wees gegroet. Ave is namelijk ook het eerste woord dat aartsengel Gabriël tegen Maria zegt.

Het is niet helemaal zeker wanneer Fra Angelico het werk heeft gemaakt. Men vermoedt dat hij de Annunciatie tussen 1450 en 1454 heeft geschilderd, tijdens zijn verblijf in Fiesole, net ten noorden van Florence. Na die tijd vertrok hij namelijk naar Rome, waar hij is begraven in de Santa Maria sopra Minerva.

Naast de grote Annunciatie herbergt het klooster nog een kleine variant van deze voorstelling. Fra Angelico schilderde namelijk in elke kloostercel een kleine afbeelding en voor cel 3 koos hij voor een annunciatie. De engel heeft veel weg van de engel op het grote fresco; Maria heeft hij echter ietwat anders afgebeeld.


Hoewel deze annunciatie veel kleiner is, en daardoor wellicht wat minder indruk maakt dan het fresco boven aan de trap, is hij zeker een bezoek waard – net als de fresco’s in de andere cellen. Het zijn allemaal kleine kunstwerkjes, maar daar zal ik volgend jaar nog wel eens uitgebreid over schrijven.

De volgende annunciatie, die ik morgen zal laten zien, bevindt zich ook in Florence, en is van niemand minder dan Leonardo da Vinci. Om naar uit te kijken!

Getagd met:
jun 18

Florence kent nog zo’n prachtig, onontdekt pareltje, waar geen Laatste Avondmaal te zien is zoals bij de kloosters en kerken die ik gisteren noemde, maar wel een prachtige frescocyclus van Andrea del Sarto.

Dit pareltje is te zien in het Chiostro dello Scalzo, vlak bij de San Marco. Het klooster behoorde toe aan de in 1376 opgerichte orde van de Flagellanten (een flagellant is iemand die zichzelf ritueel geselt) van Johannes de Doper. Het klooster dankt zijn naam, scalzo – ongeschoeid, aan het feit dat de kloosterling die tijdens de processies het kruis droeg nooit schoenen droeg.

De orde werd in 1786 afgeschaft in opdracht van groothertog Pieter Leopold van Habsburg-Lotharingen. Deze groothertog kocht het klooster en de bijbehorende kapel op voor eigen gebruik. Niet gek, als je de plek eenmaal hebt gezien wil je hem inderdaad graag voor jezelf hebben… De kans is overigens groot dat je ook tijdens je bezoek aan het Chiostro dello Scalzo helemaal alleen voor de fresco’s van Andrea del Sarto staat. Hoewel het klooster al in 1891 voor bezoekers openging, weten slechts weinig toeristen dat het bestaat. Je loopt er ook niet zo makkelijk langs; het ligt net aan een ‘dood’ stukje van de Via Cavour, net na het drukke Piazza San Marco.

Nu ik het geheim hier verklap, hoop ik dat wat meer mensen de weg naar het klooster weten te vinden en door de toegangsdeur naar binnen wandelen. Boven je hoofd zie je dan allereerst een terracotta Johannes de Doper, geflankeerd door twee kloosterlingen van de orde van de Flagellanten, vervaardigd door Giovanni della Robbia.

Laat eenmaal binnen eerst de stilte en de rust die het klooster uitstraalt op je inwerken – als je daar de kans voor krijgt. De keren dat ik het klooster bezocht, werd ik namelijk meteen door een vriendelijke oude pater meegetroond naar ‘zijn’ pronkstuk, de fresco’s van Andrea del Sarto. Grijp de kans om van hem een rondleiding te krijgen echt met beide handen aan, hij weet enorm veel en wijst je op oneindig veel details.

Toen ik er gisteren weer even was (even genieten van de fresco’s en de rust hier is inmiddels vaste prik tijdens een bezoek aan Florence), vertelde de pater me het levensverhaal van Del Sarto.

Andrea del Sarto werd in 1486 geboren als Andrea d’Agnolo. Als zoon van een kleermaker kreeg hij al snel de bijnaam Del Sart, de naam waarmee wij hem nog steeds kennen. Letterlijk betekent Del Sarto van de kleermaker – een duidelijke verwijzing naar zijn afkomst dus. Andrea ging al op jonge leeftijd in de leer bij Piero di Cosimo. Hij had onmiskenbaar talent, maar was ook goed in het kopiëren van bekende kunstwerken.

Andrea del Sarto

In 1508 opende hij zijn eigen atelier. Zijn eerste grote opdracht was de frescocyclus in het Chiostrino dei Voti van de Santissima Annunziata, niet ver van het Chiostro dello Scalzo. Net als zijn tijdgenoten Michelangelo en Da Vinci trok hij naar Rome, maar in tegenstelling tot de grote kunstenaars kon hij zijn draai daar niet vinden. Hij keerde terug naar Florence, waar hij aan zijn frescocyclus voor het Chiostro dello Scalzo begon.

Hij schilderde twaalf scènes uit het leven van Johannes de Doper, niet alleen de patroonheilige van de kloosterorde maar ook van de stad Florence. Het eerste fresco dat hij vervaardigde was Het doopsel van Christus, dat je direct tegenover de toegangsdeur aan de rechterkant ziet.

Tussendoor reisde Del Sarto naar het Franse hof. Zijn medewerker Franciabigio zette de werkzaamheden in die tijd voort. Hij schilderde twee fresco’s op de rechtermuur, De ontmoeting van Johannes de Doper en Jezus in de woestijn en De zegening van Johannes die naar de woestijn vertrekt. Franciabigio had er echter niet zo’n plezier in, en Del Sarto pakte de klus dan ook weer op toen hij uit Frankrijk terugkeerde.

In 1521-1522 schilderde hij de vier deugden op de korte muren naast de deuren. Het laatste tafereel van de cyclus, De geboorte van Johannes de Doper (het tweede tafereel op de rechtermuur), schilderde hij pas vier jaar later, nadat hij een poos de stad uit was geweest vanwege de pestepidemie. Daarna schilderde hij het Laatste Avondmaal voor de refter van San Salvi (zie Ciao tutti van gisteren).

Dat de fresco’s in het Chiostro dello Scalzo tot de verbeelding spreken en zelfs de grootste druktemakers stil krijgen, zegt heel wat over de kwaliteit van Del Sarto’s werk. Ondanks het feit dat er geen sprekende kleuren te zien zijn (de fresco’s zijn uitgevoerd in sobere, geraffineerde grijstinten), lijken de afbeeldingen meer tot leven te komen dan menig ander schilderwerk.

Je moet de fresco’s echt zelf zien om te ervaren hoe bijzonder ze zijn – en hoe mooi ook in de verstilde sfeer van een verlaten klooster. Geniet ervan, maareh… niet verder vertellen!

jun 17

Gisteren kwam het Laatste Avondmaal van Ghirlandaio in de Ognissanti-kerk in Florence al even voorbij, hetgeen mij inspireerde tot het stukje van vandaag: de mooiste, door toeristen nog vrijwel onontdekte versies van het Laatste Avondmaal (cenacolo in het Italiaans) die in Florence en omgeving te zien zijn.

Laatste Avondmaal van Ghirlandaio in de Ognissanti
Piazza Ognissanti 42

De grote refter van Ognissanti ligt tussen de eerste en de tweede kloostergang van het oude klooster. Hier vind je het fresco van Ghirlandaio, dat in Porta Romana ter sprake kwam. Ghirlandaio’s Laatste Avondmaal bedekt de complete wand van ruim acht bij vier meter. De schilder legde het moment vast waarop Jezus aankondigt dat een van de tafelgenoten hem later zal verraden.

Op verzoek van de kloosterlingen verwerkte Ghirlandaio veel symboliek in zijn Laatste Avondmaal. Zo verwijzen de eeuwig groen blijvende planten, de vlucht van de kwartels, de sinaasappels en de kersen, de duif en de pauw naar de lijdensweg en de verlossing van Christus.

Laatste Avondmaal van Andrea del Castagno
Via XXVII Aprile 1

Een van de eerste kloosters in Florence die tijdens de renaissance een eigen refter kregen, was het klooster van de Benedictijner nonnen van Sant’Apollonia, aan de Via San Gallo. Dankzij de enorme bloei van de stad, werden kosten noch moeite gespaard. De inwoners van de stad wisten al lange tijd – van horen zeggen – dat de wanden van de refter bedekt waren met prachtige fresco’s, maar de starre kloosterbepalingen zorgden ervoor dat deze fresco’s lange tijd onbekend bleven.

Pas in 1860 werd het klooster opgeheven en kwam het Laatste Avondmaal tevoorschijn. In eerste instantie werd het fresco toegeschreven aan Paolo Uccello; pas later werd duidelijk dat het Andrea del Castagno was die het Laatste Avondmaal en de andere fresco’s heeft vervaardigd.

Naast het Laatste Avondmaal zijn er in de refter, die nu is omgetoverd tot het Museo di Andrea del Castagno, nog drie andere fresco’s  te zien, met als thema’s de wederopstanding, de kruisiging en de begrafenis van Christus.

Laatste Avondmaal van Fuligno
Via Faenza 42

Dit cenacolo bevindt zich in het voormalige klooster van de nonnen van Foglino, dat in 1829 werd omgebouwd tot een weeshuis voor arme meisjes. Het fresco werd bijna twintig jaar later, in 1845, ontdekt en in eerste instantie toegekend aan Raffaello. Tegenwoordig schrijven kenners het echter toe aan zijn meester Pietro Vannucci, die beter bekend is onder zijn bijnaam ‘il Perugino’. Hij zou het Laatste Avondmaal geschilderd hebben tussen 1493 en 1496. Dit fresco wordt beschouwd als een van de meest belangrijke voorbeelden van de Umbrische cultuur tijdens de renaissance in Florence.

Laatste Avondmaal in de San Marco
Piazza San Marco 3

Het klooster van San Marco staat vooral bekend om de prachtig gedecoreerde cellen, die allemaal zijn voorzien van een gedetailleerd fresco van Fra Angelico. Het Laatste Avondmaal is iets minder bekend, maar zeker de moeite van een bezoekje waard. Ook hier zijn het ontwerp en de uitvoering van de hand van Domenico Ghirlandaio, net als in de Ognissanti. Naast Jezus en zijn leerlingen heeft Ghirlandaio veel dieren afgebeeld. De kwaadaardige kat naast Judas spreekt voor zich!

Laatste Avondmaal van Franciabigio
Piazza della Calza 6

Dit Laatste Avondmaal vind je vlak bij de Porta Romana, in het klooster Convento della Calza, dat genoemd is naar de gewaden die de broeders droegen en die blijkbaar wel wat weg hadden van kousen. Het klooster is inmiddels omgetoverd tot een hotel en congrescentrum, maar is nog steeds grotendeels toegankelijk voor bezoekers. Bel wel even van tevoren om te vragen of je welkom bent. Het is de moeite echt meer dan waard, want in de oude refter vind je een van de minst bekende cenacoli van Florence. Het fresco van Jezus en zijn apostelen is gemaakt door Franciabigio, die zich hierbij liet inspireren door Leonardo da Vinci’s Laatste Avondmaal in Milaan.

Laatste Avondmaal van Andrea del Sarto
Via San Salvi 16

Het klooster dat behoort bij de San Salvi kerk, net even buiten de stadsmuren van Florence, herbergt een van de meesterwerken van Andrea del Sarto. Drie ruimtes van het klooster zijn opengesteld voor bezoekers: de lavabo, waar de monniken hun handen wasten voor ze aan tafel gingen, de keuken en de refter, waar het Laatste Avondmaal van Andrea del Sarto te bewonderen is. In de lavabo vind je veel belangrijke Florentijnse kunstwerken uit de zestiende eeuw, van onder meer Giorgio Vasari, Ridolfo del Ghirlandaio, Pontormo en Raffaellino del Garbo.

In Firenze – Anekdotische reisgids voor Florence schrijft Luc Verhuyck over dit Laatste Avondmaal: ‘Toen de troepen van Karel V Florence in 1529-1530 belegerden, beval de Florentijnse Republiek om alle gebouwen buiten de stadsmuren te slopen, zodat ze geen onderdak zouden kunnen bieden aan vijandelijke soldaten. Dit deel van San Salvi werd evenwel behouden omdat men Del Sarto’s Cenacolo zo bewonderde, en ook de barbaarse soldaten spaarden het. […]

Del Sarto heeft hier een van de meest beladen passages uit het evangelie van Johannes uitgebeeld, het ogenblik waarop Christus zegt: ‘Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, één van u zal Mij verraden,’ waarop Johannes vraagt wie dat dan wel mag zijn en Jezus antwoordt dat het diegene is aan wie hij een stuk gesopt brood zal geven. Hoogst ongebruikelijk heeft Del Sarto Judas aan Jezus’ rechterzijde geschilderd. In opperste verontwaardiging en met de hand op de borst als vraagt hij: ‘Wie? Ik?’ krijgt hij de homp brood van Jezus aangereikt.’

Laatste Avondmaal van Orcagna
Piazza di Santo Spirito 29

Het Santo Spirito-complex in Oltrarno telde vroeger maar liefst twee kloosters, het Chiostro dei Morti (Klooster van de Doden) en het Chiostro Grande (Grote Klooster). Het eerste klooster dankte zijn naam aan de graven die de muren sierden. Het tweede klooster, van de hand van Bartolomeo Ammannati, was veel klassieker van vorm. Van beide kloosters is nu niet veel meer over, maar links van de kerk kun je wel nog de oude refter bezoeken, het Cenacolo di Santo Spirito, met een Laatste Avondmaal van Andrea Orcagna. Zijn fresco is – hoewel flink beschadigd – een van de weinige voorbeelden van laat-gotische kunst die in Florence te zien zijn.

Laatste Avondmaal van Taddeo Gaddi
Piazza di Santa Croce

Het Laatste Avondmaal valt bijna in het niet in deze rijk versierde kerk, waar je aandacht vooral wordt getrokken door de enorme grafmonumenten, de kapellen die allemaal wel iets van een grote kunstenaar herbergen en het kruisbeeld van Cimabue, waaraan de kerk haar naam dankt. Toch is het een aanrader om even stil te staan bij het (lichtbeschadigde) fresco van het Laatste Avondmaal van Taddeo Gaddi, al was het maar om de prachtige compositie die het vormt met het fresco erboven, een kruisiging met een levensboom op de achtergrond.

apr 08

Zoals we gisteren hebben gesmuld van de tagliatelletimbaal, geïnspireerd op de roman en de film Il Gattopardo (De Tijgerkat) van Giuseppe Tomasi de Lampedusa, zo griezelen we vandaag bij de meest macabere plek van Palermo: de Catacombe dei Cappuccini, oftewel de catacomben van het Kapucijnenklooster.

In deze catacomben liggen en hangen ruim achtduizend min of meer gemummificeerde lichamen en geraamtes. Monniken, edellieden, dokters, professoren en kinderen van rijke families, in hun allermooiste kleding, hebben in de duistere gangen een laatste rustplaats gevonden. Sommigen zijn bijna tot stof vergaan, anderen lijken gisteren pas gestorven te zijn, zo intact is hun lichaam nog.

In 1599 besloten de kapucijner monniken die hier in het klooster woonden dat hun gestorven medebroeders voortaan zouden worden bijgezet in een onderaardse ruimte. Deze catacomben zouden dan ook toegankelijk zijn voor de nabestaanden, zodat deze bij en voor de doden konden bidden. Later werden niet alleen de stoffelijke resten van de kloosterlingen, maar ook de lichamen van overleden weldoeners en hun familieleden gebalsemd en in de catacomben begraven. Geleidelijk aan werden ook andere geestelijken, notabelen en zelfs kunstenaars toegelaten.

De gebalsemde lichamen zijn netjes gerangschikt, op sociale status of beroep en uiteraard ook op geslacht. Ook voor overleden kinderen is er een aparte sectie. Samen vormen deze ruim achtduizend lijken een beklemmend dodenrijk, dat je zelfs tijdens de heetste zomerdag urenlang kippenvel bezorgt.

De monniken van het Kapucijnenklooster hebben de doden van Palermo tot ongeveer negentig jaar geleden volgens deze methode gebalsemd en begraven. Een van de laatste doden was de kleine Rosalia Lombardo, een meisje van slechts twee jaar oud dat in december 1920 overleed aan de gevolgen van een longontsteking. In de Santa Rosalia-kapel, die naar haar is vernoemd, ligt dit kleine meisje erbij alsof ze in slaap gevallen is na een vermoeiende dag buiten spelen. De gele strik op haar blonde haren versterkt dit gevoel alleen maar en je zou je zo over Rosalia heen willen buigen om haar wakker te kussen.

Rosalia’s lichaam is gebalsemd door Alfredo Salafia, die in de tijd dat Rosalia overleed een enorme reputatie had opgebouwd op het gebied van het balsemen van menselijke lichamen. Van Rosalia’s radeloze vader kreeg hij de opdracht om haar lichaam zo goed mogelijk te conserveren. Helaas heeft Salafia zijn geheime formules en technieken in 1933 meegenomen in zijn graf.

Volgens de onderzoekers was het echter niet alleen de balsemtechniek van de oude monniken en Salafia waardoor de lichamen zo goed bewaard zijn gebleven. De zeer droge lucht die in de onderaardse gangen hangt, zorgt ervoor dat de lijken vele malen langzamer vergaan dan normaal. Vandaar dat we vandaag de dag nog oog in oog kunnen staan met overledenen van honderden jaren geleden. Macaber, maar ook wel heel bijzonder.

Giuseppe Tomasi di Lampedusa is overigens ook bij dit Kapucijnerklooster begraven. Niet tussen de gebalsemde lichamen van de monniken, maar ‘gewoon’ op de begraafplaats naast het klooster. Een bezoek aan zijn graf is een mooie overgang van de onderaardse dodenwereld naar het levendige Palermo, waar we morgen nog een dagje verblijven voordat we naar de Eolische eilanden varen.

Getagd met:
jul 15

Op de een of andere manier voel ik me in Italië altijd erg aangetrokken tot oude kloosters, en dan met name tot de mooie, verstilde kloostertuinen die in het hart van een kloostercomplex liggen. Begrijp me niet verkeerd, het is niet het leven binnen die muren dat me aantrekt – er is buiten die muren zo veel moois te zien en te beleven – maar de sfeer die in zo’n tuin heerst. Zelfs in de kloostertuinen in de centra van de meest drukke steden als Napels en Rome heerst een absolute rust, alleen verstoord door kwetterende vogeltjes en het geklater van een fontein.

Toen ik in Florence studeerde, bezocht ik ’s middags vaak met een paar medestudenten de kloostertuin van het San Marco-klooster. We zaten er, met onze rug tegen een eeuwenoude pilaar, te praten, Italiaanse werkwoorden te oefenen, huiswerk te maken of plannen voor het weekend te smeden. Af en toe schuifelde een monnik voorbij of stak een verdwaalde toerist zijn hoofd om de hoek. Opmerkelijk genoeg wisten de vele drommen toeristen die de fresco’s van Fra Angelico in het klooster kwamen bewonderen, de weg naar de kloostertuin vaak niet te vinden.

Sinds mijn studietijd in Florence heb ik in de tuinen van Italiaanse kloosters heel wat boeken gelezen en artikelen geschreven. In de tuin van het Santa Chiara klooster in Napels, op een steenworp afstand van de drukke Spaccanapoli, vergeet je dat je even daarvoor moest zigzaggen tussen drommen winkelende mensen en motorino’s. In het Chiostro di Bramante in Rome kun je in alle rust van een kopje koffie genieten, zoals ik op 3 februari al schreef.

Toen we gisteren in Siena aankwamen was het dan ook niet zo moeilijk te bedenken waar we zouden gaan slapen: in een klooster natuurlijk!

Op een paar honderd meter van het Piazza del Campo en de Duomo ligt het Chiostro del Carmine, dat reeds in de veertiende eeuw in gebruik was als klooster van de orde der karmelieten. Het klooster is na eeuwen intensief gebruik helemaal opgeknapt en omgebouwd tot een vakantieverblijf waar de sfeer van weleer nog tastbaar is. Zo is de ontbijtzaal gevestigd in de oude eetzaal van de monniken, is de oude kapel nog helemaal intact en heeft de oude kloostertuin niets aan sfeer ingeboet. Als je daar ’s ochtends met een kopje koffie zit wakker te worden en de klokken van de naastgelegen San Niccolò zich laten horen, kan de dag al niet meer stuk.

   

De kamers hebben overigens niets meer gemeen met de vroegere kloostercellen. Ze zijn heerlijk ruim, met een groot tweepersoonsbed (vaak met hemel) in het midden en een luxe badkamer. Bovendien beschikt elke kamer over een LCD televisie, een koelkast, een koffiehoekje, een kluisje, telefoon en internetverbinding. Het Chiostro del Carmine heeft trouwens ook een privéparkeerplaats, zeker geen overbodige luxe in het autowerende centrum van Siena.

Het Chiostro del Carmine ligt overigens in de Contrada della Chiocciola, de wijk van de slak. Zo net na de Palio zien we overal om ons heen dan ook nog de roodgele vlaggen wapperen, maar daarover morgen meer!

Ook logeren in het Chiostro del Carmine? Meer informatie vind je op www.chiostrodelcarmine.com

Il Chiostro del Carmine
Via della Diana, 4
53100 Siena
Tel +39 0577 223476
+39 0577 223885
Fax +39 0577 222556
info@chiostrodelcarmine.com

jun 27

We blijven vandaag nog even op Sicilië, dankzij het prachtige kookboek van Loes Jansen Miraglia, Sicilicious. Aan de hand van authentieke, streekgebonden recepten, informatie over regionale producten en mythologische, cultuurhistorische, religieuze en folkloristische verhalen neemt Loes je mee op een culinaire ontdekkingstocht over het eiland dat ze als geen ander kent. Direct na haar huwelijk met de Siciliaanse Alessio werd ze door diens familie (en door hem zelf!) ingewijd in de geheimen van de Siciliaanse keuken. Nonna Tina gaf haar het recept van haar wereldberoemde limoncello, terwijl andere familieleden hun succesrecepten voor onder andere caponata, risotto en cassata met haar deelden. Zio Sebastiano tekende voor alle wijnadviezen en zoontje Thomas fungeerde graag als hulpkok en als eerste proefpersoon. Loes woont samen met haar Siciliaanse gezin aan de voet van de Etna, maar op zoek naar traditionele recepten reist ze vaak en graag het eiland over.

In Monreale, een op de punt van een berg gelegen stadje ten zuidwesten van Palermo, vond ze het recept voor biscotti di Monreale, koekjes uit Monreale. Tomasi di Lampedusa schreef in zijn roman Il Gattopardo al dat deze koekjes gegeten werden tijdens het ontbijt, vergezeld van een sterk kopje koffie. Ook nu nog worden de koekjes vaak vroeg in de ochtend gegeten. In de zestiende eeuw werden de koekjes gebakken door de nonnen van het benedictijner klooster in Monreale, San Castrense. Nu zijn het niet de nonnen die elke nacht het deeg kneden, maar de plaatselijke bakkers. Maar met het recept van Loes haal je deze lekkernij heel gemakkelijk naar Nederland!

Biscotti di Monreale

Ingrediënten:
(voor circa 18 koeken)

voor het deeg:
1 eierdooier
1 kg bloem (van het Italiaanse type 00)
300 ml melk
200 g suiker
200 g reuzel, plus wat extra om de bakplaat in te vetten
1 zakje vanillesuiker

voor het glazuur:
1 eiwit
1 eetlepel citroensap
175 g poedersuiker
1 flinke eetlepel water

Verwarm de oven voor op 200 °C. Meng de bloem met de eierdooier, de melk, de suiker, de reuzel en de vanillesuiker. Kneed net zo lang totdat er een stevig deeg ontstaat. Maak koeken in de vorm van een S (circa 2 cm breed en 12 cm lang) en leg deze op een met reuzel ingevette bakplaat. Bak de koeken 10 tot 15 minuten in de voorverwarmde oven.

Klop voor het glazuur het eiwit met het citroensap op. Verhit de poedersuiker al roerend met 1 flinke eetlepel water op matig vuur, totdat de suiker gesmolten is. Haal het pannetje van het vuur en roer de poedersuiker snel door het eiwitmengsel heen.

Haal de koeken uit de oven en bestrijk ze met het glazuur. Laat de koeken daarna afkoelen en serveer ze als ontbijt, bijvoorbeeld met een kom warme melk, of als laat-op-de-middag-tussendoortje met een glaasje moscato.

Mocht je trouwens in Monreale zijn, neem dan vooral even een kijkje in de monumentale kathedraal, het hoogtepunt van de Arabisch-Normandische bouwkunst op Sicilië. Het hele schip, de zijbeuken, het koor, het transept en de apsis zijn bedekt met de schitterendste mozaïeken, met episoden uit het Oude en Nieuwe Testament en in de apsis Christus Pantocrator. Bezoek ook de kloostergang van het naastgelegen klooster, met maar liefst 228 dubbele zuilen in Normandische stijl.

Kun je na het lezen van Ciao tutti van vandaag maar geen genoeg krijgen van Sicilië maar heb je je vakantieplannen al gemaakt? Geen probleem, met Sicilicious creëer je de sfeer van het eiland ook heel gemakkelijk in je eigen keuken. De Siciliaanse eetcultuur, met Griekse, Romeinse, Arabische, Spaanse en Scandinavische invloeden, is heel gevarieerd. Eenvoudige boerengerechten als matarocco (koude tomatensoep) staan tegenover de aristocratische overdaad van timballo di maccheroni (macaronitaart); eeuwenoude recepten als maccu (tuinbonenpuree uit de Romeinse tijd), pasta con le sarde (pasta met sardines uit de tijd van de Arabische overheersing) worden afgewisseld met modernere recepten als risotto con le fragole (aardbeienrisotto). De verrassend originele recepten (seizoensgebonden en met verse ingrediënten gemaakt), de achtergrondinformatie bij de gerechten en de ingrediënten, de wijnadviezen en de zonnige fotografie maken Sicilicious net zo fascinerend als het eiland in het hart van het Middellandse Zeegebied…

Getagd met:
apr 06

Op het Piazzetta Nilo bevindt zich de kerk Sant’Angelo a Nilo, die ook wel de Kapel van Brancaccio wordt genoemd, naar de kardinaal die de kerk heeft laten bouwen. Het grafmonument van de kardinaal, dat zich in de kapel bevindt, is een van de vroegste uitingen van de renaissance in Napels – alhoewel het niet in Napels werd gemaakt. Donatello en Michelozzo voltooiden het grafmonument in Pisa, van waaruit het per schip naar Napels werd gebracht. Het beeld dat een beetje weggestopt in een hoekje van het plein staat moet de Nijl verbeelden. Ook dit beeld is niet gemaakt in Napels; het zou dateren uit een van de eerste eeuwen van het Romeinse Rijk. Ten tijde van de Romeinen woonden in deze wijk in Napels veel kooplui en handelaren uit Alexandrië. Zij hebben als herinnering aan hun vaderland dit beeld laten maken, dat verwijst naar de Nijl en haar zijrivieren, die door de Nijl worden gevoed. Toen de Egyptenaren uit Napels vertrokken, raakte het beeld al gauw in de vergetelheid. Pas in de vijftiende eeuw werd het teruggevonden – zonder hoofden. Het huidige hoofd van de Nijl is er in de zeventiende eeuw opgezet, de andere hoofden zijn nog steeds spoorloos en blijkbaar ook niet zo belangrijk dat ze moeten worden nagemaakt.

Achter het Piazzetta Nilo bevinden zich de gebouwen van de universiteit van Napels. Wie houdt van boeken, moet zeker even de tijd nemen om een bezoekje te brengen aan de universiteitsbibliotheek. Ook de naam van het straatje waardoor de Spaccanapoli verder loopt, de Via San Biagio dei Librai, verwijst naar boeken. Vroeger waren hier, om de hoek van de universiteit, talrijke boekhandels gevestigd waar studenten hun leesvoer kwamen halen. Inmiddels hebben de boeken plaatsgemaakt voor juwelen, heiligenbeelden en andere souvenirs. Voor wie ervan houdt: hier kun je je hart ophalen aan manshoge heiligen, medaillons, kaarsjes, lichtjes en natuurlijk aan ontelbaar veel Maria’s.

Als je geen genoeg kunt krijgen van (heiligen)beeldjes, sla dan linksaf de San Gregorio Armeno in, die ook wel de ‘kerststraat’ wordt genoemd. Het waarom van deze bijnaam wordt direct duidelijk als je je een weg baant door het nauwe straatje, met aan weerszijden tienduizenden kerstfiguren. Maria’s en Jozefs in alle soorten en maten, engeltjes, herders en koningen. Maar dat is nog niet alles, want in de Napolitaanse kerststal figureert het hele dorp. Pizzabakkers, timmermannen, wasvrouwen, herbergiers, scharenslijpers, landlopers, slagers…

Je kunt het zo gek niet bedenken of er is wel een oude, tandeloze Napolitaan die er een beeldje van heeft gemaakt. Ook de meest uiteenlopende dieren krijgen een plekje in de stal, net als bekende Italianen. Afgelopen december kon je niet om Berlusconi met een bloedneus heen, maar ook Maradona en Obama zijn in allerlei verschillende formaten en uitvoeringen te koop. Zelfs midden in de zomer kun je niet om de kerststallen heen: in de Via San Gregorio Armeno is het elke dag 25 december!

Halverwege de Via San Gregorio Armeno ligt de Chiesa San Gregorio Armeno, met een prachtig kloostercomplex. Het klooster werd in de achtste eeuw opgericht door nonnen die werden vervolgd om hun geloof in Christus. Ze breidden het klooster langzaam maar zeker uit tot het huidige complex. Een van de originele elementen die me erg aangreep was de zogenaamde draaiton naast de kerkdeuren. Moeders konden op deze manier hun kind te vondeling leggen: ze legden de pasgeboren baby in zo’n draaiton, belden aan en maakten dat ze wegkwamen. De zusters draaiden het kindje dan zo naar binnen – waarna het werd opgenomen in het klooster. Ook de zusters die er nu nog wonen vangen weeskinderen uit de hele stad op en geven hen onderwijs. De kerk heeft een zeer barok interieur en overdondert wel een beetje na de rust in de kloostertuin. Het ‘paradijs op aarde’, zo noemde Carlo Celano deze kerk in zijn gids over Napels. Bijzonder zijn vooral het houten plafond en de fresco’s van Luca Giordano boven de ingang, die verhalen van de inscheping, reis en aankomst van de Armeense nonnen met de relieken van de heilige Gregorius.

Terug naar de Spaccanapoli. In de Via San Biagio dei Librai ligt namelijk nog een aantal paleizen dat je niet mag missen. Ik noem hier het enorme Palazzo Monte di Pietà, waar in de zestiende eeuw een charitatieve instelling gehuisvest was die leningen aan de armen verstrekte. De huidige eigenaar, het hoofdkantoor van de Banca di Napoli, zet deze traditie min of meer voort… De bijbehorende Cappella di Pietà is in het weekend ’s ochtends te bezichtigen. Neem zeker even een kijkje in de sacristie, die wel wordt beschouwd als een hoogtepunt in de Napolitaanse kunst uit de achttiende eeuw. Even verderop huist het Archivio di Stato di Napoli (met de hoofdingang aan het Piazzetta Grande Archivio), dat sinds de heerschappij van Ferdinand II dienst deed als staatsarchief en miljoenen boeken, manuscripten en dossiers bevat.

Als laatste boekenuitje aan de Via San Biagio dei Librai (of eigenlijk net om de hoek, aan de Via Duomo) is de bibliotheek van het Museo Civico Filangieri, met 15.000 boeken en een zeer uitgebreide collectie munten. Het museum herbergt daarnaast meubels, schilderijen, porselein, wapens en kostuums én een groot model (helaas van plastic) van het zestiende-eeuwse Napels. Hier zul je zien dat het Romeinse stratenplan (en dus ook de Spaccanapoli) door de eeuwen duidelijk te herkennen zijn gebleven!

Na het oversteken van de Via Duomo bereik je het laatste gedeelte van de Spaccanapoli, De Decumano Inferiore, zoals de Spaccanapoli door de Napolitanen ook wel wordt genoemd vanwege de ‘lagere’ ligging ten opzichte van de andere twee decumani (straten die de stad van oost naar west doorkruisen) wordt hier duidelijk minder toeristisch. Wil je de hele Spaccanapoli aflopen, steek dan in een rechte lijn door naar de Via Tupputi, waar de Spaccanapoli uiteindelijk doodloopt. Geniet op dit laatste stukje vooral van het Napolitaanse leven, van de frisse geur van wapperende was en de harde klanken van het dialect. Drink in een afgelegen barretje een espresso en bereid je voor op de terugtocht door de Spaccanapoli, waaraan ook een van de beste pizzeria’s van Napels gelegen is. Daarover morgen en overmorgen meer!

Getagd met:
feb 03

Nu de hevige winterkou zich hier in Nederland sterker dan ooit doet voelen, groeit mijn verlangen naar Italië met de dag. Gelukkig zit ik over twee weken in het vliegtuig naar Rome om de sneeuw even van me af te schudden en me te warmen aan de Italiaanse passie en levenslust.

Wanneer mijn drukke werkzaamheden het toelaten mijmer ik boven een kopje (automaat)cappuccino al over de allereerste versgezette cappuccino waarvan ik in Rome slokje voor slokje zal genieten. Het is altijd weer spannend waar ik dat eerste kopje zal bestellen… Bij het bekende – maar inmiddels eigenlijk te toeristische – Tazza d’Oro, bij het Pantheon, of bij het immer stampvolle Caffe Sant’Eustachio, aan het gelijknamige pleintje aan de andere zijde van het Pantheon? Of zal ik terugkeren naar het klooster van Bramante, dat ik tijdens mijn vorige reis op een zwerftocht door de stille steegjes achter het Piazza Navona ontdekte?

Hoewel ik al vaak in de buurt van het Piazza Navona had rondgewandeld, kende ik dit juweeltje niet eens. Er worden vaak tentoonstellingen gehouden in de voormalige kloosterzalen, die volgens de mevrouw achter de balie zeker het bekijken waard zijn. Het hoogtepunt van het klooster bestaat voor mij echter niet uit alle verzamelde kunst, maar uit het barretje dat zich op de eerste verdieping bevindt, Caffetteria Dart. Laat je daarom niet afschrikken door degene achter de balie, het cafeetje is vrij toegankelijk. Hier geen sissende espressoapparaten en druk pratende en gebarende Romeinen, maar een haast verstilde plek, zo op een steenworp afstand van het geweld van de portretschilders, straatventers en levende standbeelden op het Piazza Navona.

Terwijl uit de open deur van de Caffetteria zachtjes een opera klinkt – vraag me niet welke – zet de ober een heerlijk ruikende espresso voor me neer. Ik denk met heimwee terug naar de kloostertuin in Florence waar ik tijdens mijn zomerstudie altijd mijn huiswerk maakte. Midden in de stad, maar zo rustig, zo sfeervol… Diezelfde rust heerst hier ook. Het uitzicht op de binnenplaats is prachtig. Hier breng je zo een middag door, schrijvend, lezend, mijmerend, koffie drinkend… Was ik er al maar!

Caffetteria Dart

Chiostro del Bramante

Arco della Pace 5

Roma

www.chiostrodelbramante.it

preload preload preload