Ga op pad met onze City Walks!

Wie houdt dan stand?

‘Toen je de eerste keer wegging was ik nog klein. Het was een plezierreisje, vrienden opzoeken die hun geluk elders waren gaan beproeven. De avond tevoren had je op een velletje papier de wereld getekend en had je me laten zien waar je heen ging. Wij zijn hier, had je gezegd, en morgen ben ik daar, bij dat puntje. Je had met een rode viltstift een lijn getrokken die bij ons huis begon en daar eindigde. Dit is een brug, zei je, het is net of je naar de overkant van een rivier gaat. En dus hadden we alles onder de brug blauw gekleurd, hadden we Europa met water gevuld. En daarna hadden we het velletje met plakband op de deur van de koelkast geplakt, en daar heeft het jaren gehangen.

Eerst bleef je maar kort weg, een paar dagen, hooguit een paar weken. Ik wachtte op je maar maakte me geen zorgen, je maakt je geen zorgen over iemand die even naar de overkant van de rivier is gegaan en zo weer terugkomt. Papa vond het niet fijn maar liet het niet merken, ’s ochtends bracht hij me naar school, ’s middags kwam hij me ophalen en gingen we samen naar huis, hij zei nooit iets tegen me.

Als je er niet was, bedacht ik duizenden smoesjes om naar de keuken te gaan en iets uit de koelkast te pakken. Ik ging er natuurlijk heen om de tekening van de wereld te bekijken, om met mijn vinger de rode brug te volgen die ons verbond. En als ik dan de koelkast opendeed, verwachtte ik achter de deur elke keer weer jou te zien, alsof ik een raam had opengedaan. Maar in plaats van jou zag ik altijd het pak melk met die koe erop, de pakjes smeltkaas en de blikjes bier van papa. Op een keer, toen ik nét mijn hele hoofd in de koelkast had gestoken, kwam papa de keuken binnen en vroeg wat ik aan het doen was, en toen heb ik gezegd wat jij ook altijd zei als je de koelkast opendeed. Ik kijk of er iets in de aanbieding is.

Maar je kwam altijd weer thuis, en dan hoefde ik de koelkast niet meer te bewaken en vond papa zijn spraak terug. Je had ons foto’s van je vrienden laten zien, de eerste keer dat je naar Roemenië was gegaan. Je gaf ons de foto’s door en zei Ik heb ze nog nooit zó zien lachen. Ze lachten inderdaad veel op die foto’s, maar ik heb nog nooit iemand gezien die niet lacht op foto’s.

Ik kende ze goed, die vrienden van je, eerst kwamen ze vaak bij ons thuis, met hun echtgenotes en kinderen. Jullie praatten eindeloos over werk, wij nestelden ons op het kleed voor de televisie, keken, lachten, en vielen ten slotte op de grond in slaap. Op een gegeven moment kwamen ze opeens niet meer, misschien omdat ze naar de overkant van de rivier waren gegaan. Hun kinderen zag ik nog wel, de echtgenotes stonden hen bij het uitgaan van de school op te wachten.’

Lorenzo’s moeder vertrekt naar Roemenië, waar ze samen met haar nieuwe liefde hun bedrijf wil voortzetten. Ze laat Lorenzo achter bij zijn stiefvader. Hij zal haar pas terugzien als hij op zijn achttiende naar Boekarest afreist om haar begrafenis bij te wonen. Lorenzo’s reis vormt de aanleiding tot een terugblik op een jeugd waarin de idylle van het gelukkige gezin nog bestond.

Andrea Bajani (1975) is schrijver en journalist. In Italië wordt zijn werk met veel lof onthaald en wordt hij beschouwd als een grote literaire belofte. In 2008 werd Wie houdt dan stand?bekroond met de Premio Mondello. Volgens het juryrapport is Bajani ‘een van de belangrijkste schrijvers van het moment’ – daar gaan we dus nog meer van horen. Bajani zelf houdt in elk geval stand; hij werkt hard aan zijn volgende roman. Iets om naar uit te kijken!

Ontdek onze droomplekken in Italië!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *