Ga op pad met onze City Walks!

Michelangelo’s meesterwerk

Toen Michelangelo zijn David had afgerond (zie Ciao tutti van 10 mei), werd hij door paus Julius II ontboden. Julius II had namelijk in een kapel van de Sint-Pieter Michelangelo’s Pietà gezien en hij was zo onder de indruk van dit beeld, dat hij de beeldhouwer wilde vragen zijn graftombe te ontwerpen. In februari 1505 ontving Michelangelo een voorschot van honderd gouden florijnen, in die tijd het volledige jaarsalaris van een ambachtsman, en trad hij in dienst van de paus.

Hij begon met veel energie en enthousiasme aan het enorme project. Julius II wilde namelijk niet zomaar een graftombe, nee, zijn tombe moest zich kunnen meten met de mausolea van de Romeinse keizers Augustus en Hadrianus. Ongeveer een jaar later had Michelangelo meer dan negentig wagenladingen marmer naar het plein voor de Sint-Pieter en zijn atelier aan het Piazza Rusticucci laten brengen. Maar nog voordat Michelangelo daadwerkelijk aan het grafmonument kon beginnen, werd de aandacht van de paus opgeëist door een nog omvangrijker project: het bouwen van een nieuwe Sint-Pieter.

De officiële bouwmeester van de paus, Giuliano da Sangallo, die eerder al was betrokken bij het herstel van de Engelenburcht en de Santa Maria Maggiore en die bevriend was met Michelangelo, had een ontwerp voor de nieuwe basiliek gemaakt. Hij was echter niet de enige, want ook Donato d’Angelo Lazzari voelde er wel iets voor het project op zich te nemen. Lazzari is bij de meeste mensen beter bekend onder zijn bijnaam Bramante, hetgeen ‘vraatzuchtig’ betekent. Lazzari had zijn bijnaam te danken aan het feit dat hij ontzettend ambitieus was en daarnaast volop genoot van alle zinnelijke geneugten die het leven in die tijd bood.

De concurrentie tussen Da Sangallo en Bramante bracht behoorlijk wat teweeg in Rome, met name onder de schilders en beeldhouwers die in de stad aan het werk waren. Uiteindelijk haalde Bramante de opdracht binnen. Michelangelo was niet alleen diep teleurgesteld in het feit dat zijn vriend de opdracht niet had gekregen, hij zat zelf ook ineens zonder werk. Vanwege de enorme kosten voor de Sint-Pieter werd het grafproject met onmiddellijke ingang stopgezet. Michelangelo kon naar het geld voor het naar Rome gehaalde marmer fluiten; de paus was niet bereid om nog maar iets aan hem te spenderen. Michelangelo nam het besluit van de paus hoog op en vertrok in april 1506 uit Rome. ‘Zeg de paus maar dat hij me, als hij me nodig heeft, van nu af elders moet zoeken,’ zo sprak hij tegen een van de pauselijke lakeien.

Julius II was het absoluut niet eens met Michelangelo’s plotselinge vertrek en stuurde dan ook direct vijf ruiters achter hem aan. De ruiters wisten Michelangelo pas te bereiken toen hij zich al op Florentijns grondgebied bevond, waar de paus geen jurisdictie had. Michelangelo weigerde dan ook met de ruiters mee terug te keren en beval ze weg te gaan. Ze bleven echter aandringen en overhandigden hem een brief van de paus, waarin Michelangelo bevolen werd naar Rome terug te keren. Michelangelo liet zich echter niet kennen en schreef een brief terug, waarin hij duidelijk te kennen gaf dat hij niet van plan was ooit nog naar Rome terug te keren, en zeker niet op bevel van de paus die hem zo slecht behandeld had.

Michelangelo voelde zich verraden, niet alleen door paus Julius II maar ook door Bramante. Hij was ervan overtuigd dat Bramante zijn reputatie als beeldhouwer om zeep wilde hebben. Hij zou immers degene zijn geweest die in het oor van de paus gefluisterd had dat het wel eens ongeluk zou kunnen brengen om al tijdens je leven een graftombe te laten maken. Maar dat was nog niet alles. Bramante zou de paus op het idee hebben gebracht om Michelangelo op te zadelen met een project van een heel andere orde, een project waarvan hij vermoedde dat Michelangelo het nooit tot een goed einde zou kunnen brengen: het beschilderen van het plafond van de Sixtijnse Kapel. Bramante hoopte dat Michelangelo de opdracht botweg zou weigeren, waardoor hij zich nogmaals de woede van de paus op zijn nek zou halen, of dat hij de opdracht wel zou aannemen maar al snel zou moeten toegeven dat hij er eigenlijk niet toe in staat was. Michelangelo was immers een beeldhouwer en had meer ervaring met een beitel dan met een penseel.

De paus bleef Michelangelo herhaaldelijk vragen terug te keren naar Rome, maar hij weigerde keer op keer. Uiteindelijk ging Michelangelo in 1508 toch overstag, al tekende hij het contract voor de Sixtijnse Kapel uitdagend als ‘de beeldhouwer Michelangelo’. Hij wilde de paus niet langer tegen de haren in strijken, maar hij was verre van gelukkig met de opdracht. Zoals hij het zelf in een van zijn gedichten beschreef: ‘Ik ben geen schilder en mijn werk is lelijk.’

Michelangelo werkte uiteindelijk ruim vier jaar aan het plafond, van mei 1508 tot oktober 1512. Dat duurde Julius II allemaal veel te lang en hij stuurde dan ook geregeld iemand die kwam kijken hoe ver Michelangelo gevorderd was – tot groot ongenoegen van de schilder. Uiteindelijk bracht de paus zelfs een bezoek aan de Sixtijnse Kapel en klom hij zelf de stellages op om te kijken hoe Michelangelo het ervan af bracht.

Michelangelo’s wraak was zoet. In de lunetschildering Salmon, Boaz, Obed (ter hoogte van De schepping van zon en maan op het plafond) laat hij de oude Boaz namelijk een soort scepter vasthouden, met aan het uiteinde een hoofd dat een karikatuur is van het hoofd van Julius II. Het lunet bevond zich toentertijd precies boven de pauselijke troon. Of Julius II Michelangelo’s spot nog heeft kunnen zien, is niet helemaal zeker. Hij overleed namelijk vier maanden nadat het werk aan het plafond was voltooid – de kapel zelf moest toen nog grotendeels opgeknapt worden.

Oorspronkelijk wilde Michelangelo het plafond beschilderen met de twaalf apostelen. Hij was al begonnen toen hij besloot dat dit toch niet het juiste idee was. Michelangelo was geen man van half werk; hij liet dus alles weghalen en begon gewoon opnieuw – dit keer met verhalen uit het Oude Testament. Waarschijnlijk heeft hij eerst de verst van het altaar verwijderde scène geschilderd, De dronkenschap van Noach. Dit is nog te zien aan de kleine figuren die het fresco bevolken. Toen Michelangelo merkte dat hij zo niet echt opschoot, terwijl de paus hem vaak letterlijk in zijn nek hijgde, besloot hij de figuren dan maar wat groter te gaan schilderen. De grootste figuren hebben wel vier keer de omvang van een volwassen mens!

In totaal heeft Michelangelo 380 verschillende figuren geschilderd, geen eenvoudige klus voor een beeldhouwer. Het beroemdste tafereel is de scène waarop Adam met uitgestrekte hand naar de vinger van God reikt – maar de handen die nu te zien zijn, zijn naar alle waarschijnlijkheid niet door Michelangelo zelf geschilderd. Een aantal jaren nadat Michelangelo het plafond had voltooid, viel namelijk een stuk van het pleisterwerk naar beneden – helemaal aan gruzelementen. Het verhaal gaat dat het gevallen gedeelte juist het stuk met God en Adam was. De handen die nu te bewonderen zijn zouden dan ook het werk zijn van een kunstenaar uit Modena, Domenico Carnevali geheten, die het in 1564, het jaar waarin Michelangelo is gestorven, heeft geschilderd.

Het resultaat is schitterend, dat kan niemand betwisten, maar de vraag is of Michelangelo er zelf wel van heeft kunnen genieten. Waarschijnlijk was hij alleen maar opgelucht dat het werk af was. Voor hem was het schilderen van het plafond immers een helse klus. Vanwege de pose die hij moest aannemen – liggend op een steiger van wel twintig meter hoog – had hij voortdurend last van verkrampte ledematen en vreselijke rugpijn. Bovendien droop de verf vaak over zijn armen en op zijn gezicht. Ook zijn ogen hadden het zwaar te verduren. Naar verluidt kon Michelangelo jarenlang alleen lezen door het document boven zijn hoofd te houden. Als je dan bedenkt dat hij ook nog eens vreselijk slecht betaald werd voor deze bijna bovenmenselijke klus, kun je je misschien wel voorstellen hoe teleurgesteld hij was. Morgen keren we dan ook met Michelangelo terug naar de Sixtijnse Kapel, om te horen hoe hij het werk aan het plafond heeft ervaren…

Kun je niet zo lang wachten? In De hemel van de paus van Ross King lees je het kleurrijke en indrukwekkende verhaal over de totstandkoming van Michelangelo’s meesterwerk. King belicht Michelangelo’s artistieke keuzes, zijn problemen met de samenstelling van pigment en pleisterwerk en zijn bittere concurrentiestrijd met Rafaël, die de nabijgelegen pauselijke vertrekken aan het schilderen was. Het boek biedt niet alleen een fascinerende kijk op de ontstaansgeschiedenis van het beroemdste plafond ter wereld, maar schetst ook een magnifiek portret van het leven in Rome in de zestiende eeuw.

Ontdek onze droomplekken in Italië!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *