Ga op pad met onze City Walks!

Napels zien en leven

Men zal u, Napels, nooit vergeten.
Uw leven is een lachend Feest
En u gedenkend, zal men altijd weten,
dat ik uw Dichter ben geweest.

Zo nam Jacob Israël de Haan in 1919 afscheid van Napels, een stad waar hij kort verbleef op weg naar Palestina. Hij sloot de stad echter ondanks dit korte verblijf onmiddellijk in zijn hart. Hoe dat kon, daar had hij geen verklaring voor. In zijn eigen woorden:

Hoe kan ik een Stad zóó beminnen,
Waar ik zóó kort verbleef?

In Napels vond De Haan naar eigen zeggen het geluk: ‘Napels zien en dan Jeruzalem. Neen: ik zou hier nu niet willen sterven. Zo min als ik te Rome had willen blijven in het rustige, gewijde huis van de Dominicanen. In ieder leven is ieder lot besloten. Ons wacht het werk. Thuis is Jeruzalem. En in alle wereldsteden: Londen, Parijs, Rome, Napels is het toch de stem van de éne Stad die roept. Neen, niet Napels zien en dan sterven. Maar Napels zien en leven.

Napels is zo mooi als wij denken. De aankomst niet. Het station is gering voor een zo grote stad. Wij komen aan heel in de vroege morgen, vóór zeven uur, met de nachttrein van Rome. Wij hebben dan geboemeld van des avonds half elf uur. Men verhaalt (maar zou ’t waar zijn?) van tijden, dat men van Rome naar Napels reisde in een uur of vier. Nu bijna dubbel. De trein maakt stations. En waar zal ik heengaan in de heel vroege morgen? Ik ken niemand in Napels. Ik heb een brief voor de oude rabbijn. Maar zeven uur is wel wat vroeg. Ik besluit te gaan wandelen tot negen uur, half tien. Waarheen? Er is een grote straat. En in de verte, heel in de verte wordt die afgesloten door een silhouet dat bekend is: de Vesuvius. Daarnaar richt ik mijn wegen. Ik houd de tramlijn: het is lijn 3. Wat is dat Hollands, wat is dat Amsterdams: lijn 3. Maar hier is Napels. De winkels en de hoge huizen nog gesloten. De straat geplaveid met brede brokken steen. Het heeft geregend. Maar nu is het droog. En de grijze lucht loopt vol witte en blauwe vegen.

Achter mij belt het. Links belt het. Ik kijk om en rond. Het zijn de geiten. Het zijn tien geiten, grauw en bruin, die zwaar van de melk langs de huizen worden gevoerd en worden gemolken aan de deur. Ieder een zuivere bel aan de hals. Een jongen, prachtig in zijn lompen, geleidt.

En de volle houtwagens waggelen door de straat, wonderlijk bespannen: twee paarden, maar één heel groot en één heel klein, of paarden en ezels, of jongens, paarden en ezels. De voerman staat meestal wijdbeens op de bomen. Hij slaat de beesten niet. Hij zet ze aan met languitgehaalde, droevige kreten. Ja, is het niet droevig de voerman van zulke luie beesten te zijn?

De Stad ontwaakt. De krantenkraampjes gaan open. En die met limonade, en die van sinaasappelen en gekookte rijst, pap en visjes.

En ik wandel maar mijmerend voort. De Vesuvius is er niet meer. Maar ik houd stevig lijn 3. Over een plein, vol veroverde kanonnen. Langs een kasteel, oud, donker en geducht. Maar niets tegenover de nieuwe kanonnen. Het is nu ontwapend. Kazerne misschien? Ze gaan in en uit, soldaten en matrozen. En door een gat in de straat: de Zee. Vlak en glad, groots, eenvoudig onder zijn heldere lucht. Een witte baan van zonlicht. En links, hij lijkt vlakbij, de Vesuvius. De langzame lijnen van de toppen naar het water. Eén top staat onder de sneeuw, en daarop schittert de zon. Langs de hele kust de Stad. In de laagte. En op de rotsen. Strepen van huizen, hoog en geel geblokt. Strepen van groene bomen daartussen. Heel ver, tot waar een kaap ombuigt. Heel de lucht is nu leeg van wolken en vol van zonnelicht. Er trekken scherpe lijnen langs de lucht, zwart, grillig en zwaar: de eilanden in de golf van Napels. En het water vol, vol, vol van schepen. Kleine zeilschepen met één mast en daaraan één slank, scherpgepunt zeil. Roeibootjes talloos in de droom van het zilveren water. Wel ben ik deze morgen langs goede wegen gevoerd. En mijn hotel vind ik nu ook. Ik zal kiezen uit een van de grote woningen die hier aan de zeekant staan. En heel langzaam loop ik verder langs de strandkade. De golven breken met schuimend geruis over de keien tegen de strandmeer. Het is alles open, heerlijk en licht. Loop ik nu waarlijk dwalend door Napels?’

Met deze beschrijving van Napels van Jacob Israël de Haan en zijn emotionele woorden van afscheid van de stad begin ik de vier weken van mijn weblog waarin Napels centraal zal staan, de stad waar geen geit meer te bekennen is maar waar de sfeer van het fragment hierboven nog aan niets heeft ingeboet. Beetje bij beetje zal ik de geheimen van de stad openbaren, de mooiste musea, straten en pleinen en de lekkerste adresjes beschrijven. Uiteraard mag daarbij de echte Napolitaanse pizza, een reisdoel op zich, niet ontbreken. De komende maand zullen we, in de woorden van De Haan, beetje bij beetje Napels zien en leven!

Napoli!
Wie nieuwsgierig is naar het volledige verslag over Napels van Jacob Israël de Haan kan verder lezen in Napoli!, een boek vol verhalen van schrijvers en kunstenaars die in Napels verbleven en hun ervaringen vastlegden in gedachten, dagboeken, gedichten en verhalen. Aan de hand van Stendhal,  Couperus, Shelley en Totò wandel je door Napels en raak je vertrouwd met de Napolitaanse passie voor het leven. Zoals Couperus het in 1894 verwoordde: ‘Napels, dat is het! Het ideale Zuiden van de fantasie: de zee blauw als zee maar blauw kan zijn: de punt van Sorrento en Capri schemerig omlijnd – van louter licht – in de verte; de Vesuvius, de berg vol inwendig vuurgeheim, en steeds met zijn op- en opkronkelende witte wolkenpluim, die zich in een langzame, grijze zweving verijlt naar Capri heen…’

Ontdek onze droomplekken in Italië!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *