Ga op pad met onze City Walks!

Michelangelo keert terug naar de Sixtijnse Kapel

In haar historische roman De scharlaken stad laat Hella S. Haasse Michelangelo zestien jaar na de voltooiing van zijn werk terugkeren in de Sixtijnse Kapel.

‘Hij was een vreemdeling geworden in Rome. De stad scheen hem een lege schelp, een schitterende vorm zonder inhoud. Het profiel van dit nieuwe Rome dat hij tien jaar geleden had zien opbouwen, was hetzelfde gebleven, maar over de paleizen, basilieken en bruggen lag een leeg koud licht. Het leven was eruit geblazen.

Hij bracht bij voorkeur zijn tijd door in het gedeelte van het Vaticaan dat aan de Sixtijnse Kapel grensde. Tussen de steigers van de bouwlieden en schilders, die er dagelijks bezig waren muren te slechten, nieuwe deuropeningen uit te breken, fresco’s bij te werken, kon hij tenminste denken. Langzaam zocht hij een weg door verlaten galerijen, langs plekken opengebroken of verzakt plaveisel, stapels hout en stenen. Soms bleef hij staan om met zijn duim haastig een paar lijnen te schetsen in de stoflaag op een balustrade. Hij staarde ernaar, veegde ze uit met zijn mouw en liep door. Een eind verder begon hij opnieuw krabbels te maken, kruisen driehoeken, galgen, ontwerpen voor constructies van latten die hij nodig zou hebben bij het vervaardigen van kleimodellen. Van tijd tot tijd vloekte hij, zijn gezicht vertrokken als in een krampaanval. De gedachte aan de taak die hij achtergelaten had, aan alle werkstukken die onvoltooid op hem wachtten, aan zijn onmacht te doen wat hij op zich genomen had, was als een aanraking op een rauwe wond. In tien lange jaren geen enkele opdracht afgemaakt. De tijd was over hem heengegaan, had hem niets gelaten, geen tastbaar resultaat van zijn zwoegen, geen bevrediging, geen zielsrust. […]

Hij groette de schildwacht, op post bij de zijdeuren van de kapel. Als gewoonlijk overviel hem op deze plek een gevoel van onbehagen. Een zwemmer, op het punt te duiken in water dat hij niet gepeild heeft, kent een dergelijke aarzeling. Hij bleef besluiteloos staan. Zijn verlangen, kwelling en genot tegelijkertijd, won het van de bedachtzaamheid die tot omkeren maande. Hij duwde de met leer beklede deurvleugels open en ging naar binnen.

Hij leunde tegen de muur, kruiste zijn armen over de borst en keek omhoog. Van het zoldergewelf en uit de koepelsegmenten boven de vensters staarden zij op hem neer, profeten en sibillen, titanen, atlantiden en kinderlijke zuilendragende engelen: zijn schepselen, geboren uit de innerlijke chaos die hij zelf niet durfde peilen. In hen wist hij zijn eigen twijfel, wanhoop, verbittering en verontrusting belichaamd. Hij kon van deze afstand de gezichtsuitdrukkingen, de details van het gebarenspel slecht zien. Hij moest zijn ogen sluiten als hij zich in bijzonderheden wilde verdiepen: blik en houding, de spierwelvingen onder het vlees, de glans in ogen en haarlokken, de plooienval der gewaden.

Gedurende de jaren dat hij, dag in dag uit als een gemartelde op de hoge stellage gelegen had, kreunend om bijna ondraaglijke kramp in zijn hooggestrekte arm en in de vingers die het penseel vasthielden, had ieder onderdeel van zijn schepping zich voorgoed in zijn geheugen gegrift. Uit hem voortgekomen, tot hem teruggekeerd, bestonden zijn creaturen in tweevoudige gedaante; daarboven op het zoldergewelf: zichtbaar, vorm geworden geest; en ín hem: met de zintuigen niet waarneembaar, alleen in diepste concentratie te benaderen, opnieuw nauw verwant aan de magische duisternis waaruit zij hun oorsprong hadden genomen. De beelden boven zijn hoofd, onaantastbaar als de sterrenhemel, waren van hem vervreemd. Alleen hun spiegelbeeld, dat hij met zich meedroeg, scheen hem nog vol gloed en leven, nog bezield door de kracht van zijn hartstocht. […]

God de Vader kwam uit de diepte van de hemel op hem toegevaren als de stormwind zelf, in zijn ruisende opbollende violette mantel scholen nieuwsgierige engelen, zon, maan en sterren weken terug. Adam sliep, naar de aarde gewend; een lichaam uit leem en stof gekneed, volmaakt van vorm, maar zonder bewustzijn, weerloos verzonken in de droomtoestand die aan het leven voorafgaat en die even diep, even onverstoorbaar schijnt als de dood. De Almachtige wees naar hem: sta op! […] Toen hij na dagen van vertwijfeld werken, nachten vol tweestrijd, op een morgen het fresco overzag, wist hij plotseling waar hij gefaald had. De schepping van de mens: het lichaam was geschapen, de ziel had zich nog niet geopenbaard. […]

Hij had de schets van de slapende Adam met kalk en zand bestreken, tot niets restte dan een vormeloze, kleurloze vlek. Nu, geleund tegen de wand, keek hij omhoog naar de voorstelling die hij zestien jaar tevoren naar een nieuw ontwerp op het plafond had aangebracht. Hij was volkomen alleen in de kapel, een nietig insect op de bodem van een schatkist. […]

De verhouding tussen God en mens, tussen de mens en het vóór hem geschapene, de wereld. Op de laatste dag van de schepping werd in de Almachtige de wens wakker een wezen voort te brengen dat de zin van Zijn werk zou kunnen doorgronden. Maar het heelal was in alle sferen volmaakt, in de oervormen der dingen vond God geen voorbeeld meer voor een nieuw schepsel. Hij vormde de mens naar zijn eigen beeld en blies hem leven in. ‘Sta op, Adam. Geen vaste sfeer, geen onveranderlijke gestalte, geen omschreven taak geef ik je. Alle andere wezens op aarde hebben een eigen aard gekregen, moeten gehoorzamen aan de wetten van hun soort. Voor jou, Adam, geen band, geen grens, geen beperking, behalve die van de wil die ik je inblaas. Hemels noch aards, sterfelijk noch onsterfelijk heb ik je geschapen. In jou slaapt het zaad van alle levensvormen. Tot het dier kan je ontaarden, tot het goddelijke wedergeboren worden. Aan jou de keus. Adam, sta op!’

Adam, reikend naar God, de knie gebogen, de ogen geopend, was zich voor het eerst van zijn wil bewust. Hij wilde opstaan.’

© De scharlaken stad – Hella S. Haasse

In De scharlaken stad lees je welke invloed Michelangelo’s plafondschilderingen zestien jaar later op hem hebben. Hiermee heeft Hella S. Haasse een zeldzaam authentiek beeld geschapen van de tijd waarin Michelangelo leefde, van zijn eigen gedachten over zijn werk en zijn artistieke leven. Zo werpt ze niet alleen een uniek licht op de kunstenaar, maar ook op zijn bekendste schilderwerk dat daardoor nog meer tot leven komt. Fascinerend!

Ontdek onze droomplekken in Italië!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *