Ga op pad met onze City Walks!

Io e te – Jij en ik

Vorige week zag ik, net aangekomen op Fiumicino, het vliegveld van Rome, in de kleine boekhandel die daar voornamelijk stadsplattegronden en kranten verkoopt, de nieuwe Ammaniti: Io e te. Dat was nog eens boffen! Net op Italiaanse bodem en al een heerlijk Italiaans boek in handen – dat nog niet in Nederland verschenen was!

Althans, dat dacht ik, want wat zag ik toen ik terugkwam in grote stapels bij de boekhandels op Schiphol liggen: de nieuwe Ammaniti, met een titel die in het Nederlands net andersom is vertaald: Jij en ik:

In dit boek kruipt Ammaniti in de huid van de veertienjarige Lorenzo, die moeilijk contact maakt met leeftijdgenoten. Hij wil het liefst alleen zijn. Zijn woedeaanvallen zijn inmiddels verdwenen; tegenwoordig excelleert hij in het imiteren van het gedrag en uiterlijk van zijn klasgenoten om zo onzichtbaar te zijn voor iedereen. Zijn moeder maakt zich zorgen en Lorenzo is zich daar pijnlijk van bewust. Om haar gerust te stellen vertelt hij haar een leugen.

Die leugen brengt hem in contact met zijn halfzus Olivia, over wie hij alleen maar slechte verhalen heeft gehoord. Hij wil haar in eerste instantie niet zien en weigert haar toe te laten, totdat hij zich realiseert dat ze elkaar misschien wel tot steun kunnen zijn.

Jij en ik is een ontroerende novelle over twee jonge mensen die hunkeren naar acceptatie, maar die bang zijn zichzelf te verliezen. Niccolò Ammaniti is er opnieuw in geslaagd om met kleine, haarscherpe observaties en rake zinnen de kwetsbaarheid van een kind te beschrijven dat gevangenzit in een keurslijf van verwachtingen.

Een fragment:

‘Met een arm stevig om de ski’s geslagen, de skischoenentas in mijn hand en de rugzak op mijn rug, zag ik hoe mijn moeder de auto keerde. Met mijn andere hand zwaaide ik naar haar en wachtte tot de BMW was verdwenen over de brug.

Ik liep door de Viale Mazzini. Ik passeerde het gebouw van de RAI. Op ongeveer honderd meter van het kruispunt met de Via Col di Lana ging ik langzamer lopen, terwijl mijn hart sneller ging bonken. Ik had een vieze smaak in mijn mond, alsof ik aan een stuk koperdraad had gelikt. Al die spullen die ik moest dragen hinderden me. Het leek wel een sauna in dat ski-jack.

Bij het kruispunt aangekomen, leunde ik tegen een muur en keek om de hoek. Verderop, voor een moderne kerk, stond een grote Mercedes SUV. Ik zag Alessia Roncato en haar moeder, de Soemeriër en Oscar Tommasi, die de koffers in de kofferbak zette. Een Volvo met een paar ski’s boven op het dak parkeerde naast de Mercedes en Riccardo Dobosz stapte uit en rende naar de anderen toe. Even later stapte de vader van Dobosz uit.

Ik trok me terug tegen de muur. Ik legde de ski’s neer, ritste mijn jack open en gluurde opnieuw om de hoek. Nu waren de moeder van Alessia en de vader van Dobosz bezig de ski’s boven op de Mercedes te bevestigen. De Soemeriër sprong in het rond en deed alsof hij bokste tegen Dobosz. Alessia en Oscar Tommasi praatten tegen hun mobieltjes. Het duurde behoorlijk lang voordat ze eindelijk klaar waren, Alessia’s moeder werd boos op haar dochter omdat die niet meehielp, de Soemeriër sprong op het dak van de auto om de ski’s te controleren. Maar uiteindelijk vertrokken ze.

Tijdens de tramrit voelde ik me een idioot. Met die ski’s en skischoenen, geplet tussen ambtenaren in jasje-dasje en moeders die hun kinderen naar school brachten. Als ik mijn ogen dichtdeed leek het of ik in een kabelbaantje zat, tussen Alessia, Oscar Tommasi, Dobosz en de Soemeriër in. Ik kon de geur van cacaoboter en zonnebrandcrème ruiken. En terwijl we uit de cabine stapten zouden we elkaar duwen en lachen en hard praten en lak hebben aan alle andere mensen. Net als die lui die door mijn moeder en vader pummels genoemd werden. Ik zou grappige dingen zeggen en ze aan het lachen maken terwijl ze hun ski’s vastklikten. Typetjes doen, moppen vertellen. Ik wist nooit grappige moppen. Je moet heel erg zeker van jezelf zijn om moppen te kunnen vertellen.

‘Zonder humor is het leven triest,’ zei ik. ‘Ware woorden,’ antwoordde een mevrouw naast me. Dat van die humor had mijn vader ooit gezegd toen mijn neef Vittorio een koeienvla naar me had gegooid toen we een keer een wandeling maakten door de weilanden. Uit woede had ik een grote steen opgepakt en die naar een boom gegooid, terwijl die debiel over de grond rolde van het lachen. Zelfs mijn vader en moeder hadden gelachen.

Ik hees de ski’s op mijn schouders en stapte uit de tram. Ik keek op mijn horloge. Tien voor acht. Te vroeg om terug te gaan naar huis. Dan zou ik zeker papa tegenkomen die naar kantoor ging. Ik liep naar Villa Borghese, naar het stukje naast de dierentuin waar de honden los mogen lopen. Ik ging op een bankje zitten, pakte een flesje Coca-Cola uit mijn rugzak en nam een slok. Mijn mobiel in mijn zak begon te rinkelen.’

Jij en ik
Niccolò Ammaniti
vertaald door Etta Maris
ISBN 9789048808267
€ 10,00
Bestel hier via bol.com!

Ontdek onze droomplekken in Italië!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *