Ga op pad met onze City Walks!

Het rode paard

Eugenio Corti’s roman Il cavallo rosso, oftewel Het rode paard, verscheen al in 1983, maar bleef onopgemerkt  in de media. Gelukkig wisten de Italiaanse lezers het verhaal wel te waarderen: het boek beleefde onlangs zijn zevenentwintigste druk. Het is sinds kort ook in het Nederlands verkrijgbaar, mede dankzij vertalers Mik Hamers en Cora Leek, die het maar liefst 1376 (!) pagina’s tellende boek onder handen namen.

Het rode paard is het levenswerk van Eugenio Corti, die samen met een aantal leeftijdgenoten betrokken was bij de Italiaanse veldtocht in Rusland. Hij maakte daar gruwelijke dingen mee. Hij raakte diep overtuigd van het feit dat de ideologieën die in deze periode om de voorrang streden, nazisme en communisme, beide tot de ondergang leiden.

Des te dieper raakte het hem na de oorlog dat in Italië het communisme tot bloei kwam, en zelfs in de kerk terrein won. In zijn boeken laat hij zijn hart spreken: over wat hij zelf ervoer, over wat hij zag in de diepste diepten, over de liefde en trouw om hem heen, over thuis, over de samenleving die zich na de oorlog ontwikkelde.

Het rode paard is daarvan het meest indrukwekkende getuigenis. Corti’s roman laat zien hoe gewone mensen in het reine proberen te komen met wat ze zien en meemaken, met de verbijstering, het verdriet, de onmacht en het onrecht. Maar het boek toont ook de kracht van liefde en geloof in de bitterste omstandigheden.

Het rode paard vertelt de geschiedenis van een aantal Italiaanse families uit Noord-Italië. De studerende jongens worden opgeroepen voor de Italiaanse veldtocht in Rusland en maken daar onbeschrijfelijke gruwelen mee. Het verhaal loopt door tot aan de zeventiger jaren van de twintigste eeuw en biedt daarmee een weids panorama van de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis vanuit Italiaans perspectief.

Een fragment:

‘Toen Ambrogio de volgende dag de tuin van het pension uit liep naar het strand, lag Tricia daar al – deze keer in het rood, maar weer met het malle kegelvormige hoedje op – languit om te zonnen. Ze begroette hem opgewekt zwaaiend. De jongen gooide zijn badtas met schone kleding onder de parasol en ging naast haar op het zand zitten.

‘Dag. Ik zie dat je een ochtendmens bent,’ zei hij.
‘Ach, ik vind het altijd prettig om vroeg op te staan.’
‘Je bent een keurig meisje,’ zei Ambrogio, de stem van de adjunct-rector Pater Inboorling nadoend, die het meisje echter blijkbaar niet kende. ‘Een keurig meisje.’

Tricia glimlachte: ‘Ik vind het gewoon dom om niet ‘s morgens van de zon te genieten. Wat vind jij?’
‘Mee eens. Even iets anders: ik denk er nu aan dat ik gisteravond mijn vragenlijstje niet afgewerkt heb. Waar waren we gebleven? O ja, we waren over de studie aan het praten. Vooruit dus: welke studie volg je?’
‘Nu nog het lyceum. Ik heb het tweede jaar afgemaakt.’
‘Waar, in Rho?’
‘Nee, in Milaan. Op het Berchet.’
‘O, gelukkig niet in Rho. Dat wilde ik net zeggen.’
‘Waarom?‟ vroeg ze onzeker. „Ben je bevooroordeeld wat Rho betreft?’
‘Zeker,’ antwoordde hij. ‘Moet je dat nog vragen? Welk fatsoenlijk wezen is niet bevooroordeeld over Rho?’

Tricia begon te lachen. Op die manier gingen ze door met hun gesprek; de jongen pakte af en toe een handje zand en liet dat langzaam tussen zijn vingers door glijden. ‘We zijn zelf net zand,’ dacht hij, bijna alsof hij een voorgevoel had van de gebeurtenissen waarin hij een rol zou spelen. Dat was niet echt zo, maar het gezelschap van het meisje maakte dat hij niet verviel in gewone banaliteit.

Intussen werd het drukker op het strand, er werden meer parasols geopend; ook de twee zusjes van Tricia van vijf en zes jaar kwamen eraan, die eerst Ambrogio begroetten met een soort uithaal die als buiging bedoeld was, en daarna vol overgave gingen spelen: met een schepje haalden ze nat zand en vulden bont gekleurde blikken vormpjes van dieren en poppetjes.

‘Straks komen ook haar vader en moeder,’ dacht Ambrogio. ‘Ik moet eigenlijk een manier vinden om er voor die tijd tussenuit te knijpen. Wat kan ik eens voorstellen? Erop uit met de roeiboot? Of met de zeilboot?’ Toen viel hem de Rubicon in.
‘Hoor eens, Tricia, ik heb een lumineus idee.’
‘Ja?’

‘Ben je wel eens naar de Rubicon geweest?’
‘Wat bedoel je?’ Ze was een beetje verbaasd. ‘Wat is dat voor metafoor?’
‘Wat heeft een metafoor er mee te maken?’ Nu begreep de jongen het even niet.
Toen drong tot hem door dat ze het in figuurlijke zin bedoelde. ‘Nee, niks metafoor: ik bedoel het letterlijk. Laten we zeggen min of meer in de stijl van Giovanni Verga. Hebben jullie Verga behandeld op school? Of zijn jullie op het Berchet Lyceum een beetje achter?’

Tricia moest lachen. Ambrogio kwam helemaal op dreef door het praten met een meisje.
‘Om te beginnen,’ ging hij verder, ‘moet je weten dat de Rubicon een rivier is.’
‘Dank je, tot zover kan ik het volgen,’ zei Tricia, ‘ook al waren we op het Berchet ook al zo ver.’
‘Kijk eens aan,’ zei Ambrogio, ‘heel goed, dat had ik niet verwacht. Het is dus een rivier.’

Toen stopte hij en keek Tricia recht aan: ‘Eh, kan ik erop vertrouwen dat je me niet in de maling neemt?’
‘Waarom zou ik dat doen?’ zei ze verbaasd.
‘Weet je niet dat de Rubicon hier vlakbij is?’ En wijzend: ‘Daar achter, amper een paar kilometer verder? Of weet je dat heus wel?’
‘Een paar kilometer? O ja, dat is zo,’ herinnerde ze zich, ‘inderdaad de kant van Rimini uit, dat is waar. Daar achter, zeg je?’

De jongen was gerustgesteld. ‘Goed, ik zie dat je niet helemaal onbekend bent met het onderwerp. Maar het zou niet verkeerd zijn je kennis wat op te frissen. Wat zou je ervan zeggen er eens een kijkje te nemen? Zullen we erheen gaan?’
‘Wil je een wandeling maken?’
‘Prima, zo kunnen we het noemen, een wandeling. De rivier is niet ver, we kunnen er binnen een uur zijn.’
‘En wat is daar dan wel te zien?’

‘Als eerste is er de Rubicon, oftewel een rivier die in zee uitmondt. Dat is één. En verder zijn er de dobbelstenen: dat is twee.’ Hij herinnerde zich een grap uit zijn schooltijd. ‘De dobbelstenen van Caesar, snap je?’
‘De dobbelstenen van Caesar?’
‘Ja, de dobbelstenen die hij gooide toen hij zei: De teerling is geworpen. Je ziet dat ook Caesar een realist was, hij sprak nooit in een metafoor: daarom heeft hij de dobbelstenen echt gegooid.’

‘En die zouden daar nu zijn, na tweeduizend jaar?’
‘Ja, ze zijn daar. Ik meen het. Grote, omdat Caesar groot was: hij was groot en zijn dobbelstenen waren groot.’
‘Nou ja.’
‘Wedden? Hoor eens, Tricia: als we bij de Rubicon geen dobbelstenen vinden…’
‘Maar waar zijn de dobbelstenen nu?’
‘Daar op de grond, dicht bij de Rubicon, alsof het niets is. Dus als we ze niet vinden, krijg je van mij een boek cadeau. Als we ze wel vinden, dan…’
‘Dan?’

Trouw aan zijn principes over kuisheid weerstond Ambrogio de opwelling om te zeggen: Dan geef je me een kus. ‘Voor deze keer krijg je dan alleen maar een ijsje. Kom, we gaan.’
Tricia besloot: ‘Goed. Ik kan wel wat beweging gebruiken.’ Ze stond op, klopte het zand van haar rode pakje, en keek er nog eens goed naar. Ze bedacht zich: ‘Wacht even, ik ben zo klaar.’

Lees het hele verhaal van Eugenio Corti in Het rode paard, dat in twee edities is verschenen: een luxe paperback met flappen van € 49,50, en een in linnen gebonden editie met stofomslag van € 75,00.

Het rode paard
Eugenio Corti
vertaald door Mik Hamers & Cora Leek
ISBN 9789051943894 (luxe paperback met flappen)
€ 49,50
ISBN 9789051943818 (gebonden editie met stofomslag)
€ 75,00
uitgeverij Van Wijnen

2x per week Italiaanse inspiratie

Meld je aan voor de Ciao tutti nieuwsbrief - en ontvang de digitale editie van onze City Walk Klassiek Rome als cadeautje:

Ontdek onze droomplekken in Italië!

2 reacties

  1. Dat klinkt heel interessant! Is het nooit verfilmd?

  2. Het lijkt mij een boeiend boek,ik hoop dat het ook in de bibliotheek te lenen is.

    Dank Saskia.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *