Ga op pad met onze City Walks!

Gladiator – Vechten voor vrijheid

De stapels boeken voor de zomervakantie liggen vast al klaar, gezien de Italiaanse tips van de afgelopen maanden, maar vandaag iets leuks voor de wat jongere lezers (al heb ik er zelf ook erg van genoten!). De reis naar Italië is in een oogwenk voorbij met dit spannende avontuur op de achterbank!

In Gladiator is de hoofdrol weggelegd voor Marcus Cornelius Primus, een jonge rekruut die wordt ingewijd in het harde bestaan van gladiator. Zijn dagen worden beheerst door strikte discipline en afmattende trainingen. Maar hij kan zijn verleden niet zomaar vergeten: zijn vader, ooit een gevierde centurio, werd door soldaten vermoord, en zijn moeder werd ontvoerd en als slavin verkocht. Marcus is vastbesloten om Pompeius de Grote, die destijds commandant van zijn vader was, te vinden en hem om hulp te vragen. Het recht moet zegevieren en zijn moeder moet bevrijd worden.

Wat Marcus echter niet weet is dat hij een levensgevaarlijk geheim met zich meedraagt. Als de andere Romeinen hier lucht van krijgen, is hij zijn leven niet meer zeker…

Een fragment:

‘Marcus wist meteen dat het mis was toen de oude Aristides op een vroege zomerochtend de binnenplaats op stormde. Marcus was enthousiast met Cerberus aan het spelen en probeerde de ruigharige jachthond te leren om op zijn bevel te gaan zitten en daarna te gaan liggen. Maar Cerberus had alleen zijn kop schuin gehouden, met zijn tong uit zijn bek, en niet-begrijpend naar zijn jonge baasje gekeken. Zodra hij Aristides in het oog kreeg, rende hij met grote sprongen op de oude man af en begon te kwispelen.

De geitenhoeder was buiten adem en leunde hijgend op zijn staf tot hij was bijgekomen en weer iets kon uitbrengen.
‘Drie mannen.’ Met een trillende vinger wees hij naar het pad dat vanaf Nidri de heuvel op liep.
‘Grote mannen… Soldaten, volgens mij.’

De vader van Marcus zat aan de lange, oude tafel in de schaduw van een houten latwerk waar polsdikke wijnstokken doorheen kronkelden. Titus Cornelius was druk bezig geweest met de boekhouding van de boerderij, maar nu legde hij zijn stylus op de wastafeltjes, kwam overeind en liep met grote passen de kleine binnenplaats over.
‘Soldaten, zei je?’
‘Ja, meester.’
‘Juist.’ Titus glimlachte licht voor hij op een toegeeflijke toon verderging. ‘En wat weet jij van soldaten, oude man? Dieren, ja, natuurlijk. Maar soldaten?’

Aristides rechtte zijn rug en staarde zijn meester in de ogen. ‘Twee van de mannen hebben speren bij zich, en ze dragen allemaal een zwaard.’

Marcus keek naar zijn vader en zag heel even een bezorgde blik over zijn gezicht trekken. Marcus had zijn vader nog nooit ongerust gezien. Hij had meerdere littekens in zijn verweerde gezicht, overgehouden aan zijn tijd in de legioenen van generaal Pompeius. Hij was centurio geweest, een officier, gepokt en gemazeld door alle veldslagen, toen hij ontslag had genomen en de adelaars de rug had toegekeerd. Hij had de boerderij op het eiland Lefkas gekocht om daar met Marcus’ moeder, die een paar maanden daarvoor het leven aan een zoon had geschonken, een rustig leven te beginnen. In de jaren daarna had hij een vast inkomen opgebouwd met een kleine kudde geiten die door Aristides werd verzorgd en de druivenplanten die op zijn grondgebied stonden.

Marcus kon zich van zijn vroege jeugd betere tijden herinneren, maar nu had het al drie jaar niet meer geregend en de gewassen waren verwoest door droogte en meeldauw. Titus had zich genoodzaakt gezien om geld te lenen. Marcus wist dat het om een groot bedrag ging – hij had zijn ouders er ’s avonds over horen fluisteren als ze dachten dat hij sliep, en lag dan nog uren te piekeren als zij allang stil waren.

Toen hij een zacht geschuifel hoorde draaide Marcus zich om en hij zag dat zijn moeder haar kamer uit was gelopen, die aan de binnenplaats lag. Ze was een nieuwe tunica voor hem aan het maken, maar zodra ze had gehoord wat Aristides zei, was ze achter haar weefgetouw vandaan gekomen.

‘Ze hebben speren,’ mompelde ze, en toen keek ze naar Titus. ‘Misschien zijn ze op weg naar de heuvels om op wilde zwijnen te jagen.’
‘Dat lijkt me sterk,’ zei de oud-centurio hoofdschuddend. ‘Als ze op zwijnenjacht gaan, waarom hebben ze dan zwaarden bij zich? Nee, hier is iets anders aan de hand. Ze komen naar de boerderij.’ Hij deed een stap naar voren en gaf Aristides een schouderklopje. ‘Goed dat je me hebt gewaarschuwd, oude vriend.’

‘Oude vriend?’ De ogen van de geitenhoeder glinsterden. ‘Ik ben nog geen tien jaar ouder dan u, hoor, meester.’
Titus lachte, een volle, bulderende lach die Marcus al zijn hele leven hoorde en die hem elke keer weer geruststelde. Ondanks een zwaar leven in de legioenen was zijn vader altijd goedgehumeurd gebleven. Soms pakte hij Marcus wel streng aan – zo had hij erop gestaan dat Marcus zijn eigen ruzies uitvocht met een aantal kinderen uit Nidri, maar het was overduidelijk dat zijn vader van hem hield.

‘Waarom komen ze hierheen?’ vroeg zijn moeder. ‘Wat zoeken ze hier?’
Marcus zag zijn vaders lach verflauwen. ‘Problemen,’ gromde hij. ‘Dat zoeken ze hier. Ze zijn vast door Decimus gestuurd.’
‘Decimus?’ Marcus zag hoe zijn moeder geschokt haar hand naar haar mond bracht. ‘Ik zei toch dat we ons niet met hem hadden moeten inlaten.’
‘Nou, daar is het nu te laat voor, Livia. Nu moet ik dit met hem afhandelen.’

Marcus schrok van zijn moeders reactie en kuchte zacht.
‘Vader, wie is Decimus?’
‘Decimus?’ Titus lachte spottend en spuugde op de grond. ‘Dat is een hond van een afperser die al jaren geleden eens flink op zijn nummer gezet had moeten worden.’
Marcus staarde hem wezenloos aan en Titus grinnikte terwijl hij zijn hand uitstak om liefdevol door zijn donkere krullen te woelen. ‘Het is niet bepaald een fijne man, onze Decimus. De rijkste woekeraar op Lefkas, en dankzij zijn banden met de Romeinse gouverneurs is hij nu ook aangesteld als belastinginner.’

‘Geen prettige combinatie,’ voegde Livia daar zachtjes aan toe. ‘Hij heeft al meerdere boeren rondom Nidri te gronde gericht.’
‘Nou, deze boer krijgt hij niet!’ snauwde Titus. ‘Aristides, haal mijn zwaard.’
De geitenhoeder trok verontrust zijn wenkbrauwen op en haastte zich toen naar binnen. Cerberus keek hem nog even na en liep vervolgens op een drafje terug naar Marcus, die de hond liefkozend over zijn kop aaide. Livia kwam naar voren en greep Titus’ stevige arm beet.

‘Wat bezielt je, Titus? Je hebt toch gehoord wat Aristides zei? Ze zijn met z’n drieën en gewapend. Soldaten, zei hij. Daar kun je niet tegenop. Geen denken aan.’
Titus schudde zijn hoofd. ‘Ik heb wel eens een grotere overmacht tegenover me gehad, en verslagen. Dat weet jij ook.’

Zijn moeders gezicht verstrakte. ‘Dat is heel lang geleden. Je hebt al ruim tien jaar niet meer gevochten.’
‘Ik zal alleen met ze vechten als het niet anders kan. Maar Decimus heeft ze ongetwijfeld gestuurd om geld te innen, en ze zullen niet weggaan voor ze het hebben.’
‘Hoeveel geld?’
Titus sloeg zijn ogen neer en krabde in zijn nek. ‘Negenhonderd sestertiën.’
‘Negenhonderd!’

‘Ik loop drie termijnen achter,’ legde Titus uit. ‘Ik had dit wel verwacht.’
‘En kun je ze betalen?’ vroeg ze bezorgd.
‘Nee. Ik heb bijna niets in de kluis. Genoeg om ons de winter door te krijgen, maar daarna…’ Hij schudde zijn hoofd.

Livia fronste boos haar wenkbrauwen. ‘Dit mag je me straks allemaal haarfijn uitleggen. Marcus!’ zei ze tegen haar zoon. ‘Ga de geldkist halen die onder het altaar in het atrium staat. Nú!’
Marcus knikte en wilde het huis in rennen.
‘Hier blijven, jongen!’ riep Titus, hard genoeg om tot buiten de poort nog gehoord te worden. ‘Laat die kist staan. Ik laat me niet dwingen om ook maar één munt te betalen voor ik er klaar voor ben.’

‘Ben je gek geworden?’ vroeg Livia. ‘Je kunt niet in je eentje tegen gewapende mannen op.’
‘Dat zullen we nog wel eens zien,’ antwoordde Titus duister.
‘Ga met de jongen naar binnen. Ik regel dit wel.’
‘Straks raak je gewond, Titus, of je wordt vermoord. En wat gebeurt er dan met Marcus en mij? Nou?’
‘Ga naar binnen,’ beval Titus.

Marcus zag dat zijn moeder haar mond opendeed om tegen te sputteren, maar ze kenden de staalharde blik in Titus’ ogen allebei maar al te goed. Ze schudde geërgerd haar hoofd en stak haar hand uit naar Marcus. ‘Kom mee.’

Marcus keek van zijn moeder naar zijn vader en bleef staan waar hij stond, vastbesloten om zijn vader te bewijzen wat hij waard was.
‘Marcus, kom mee. Nu meteen!’
‘Nee. Ik blijf hier.’ Hij maakte zich groot en zette zijn handen in zijn zij. ‘Cerberus en ik kunnen vader bijstaan als het op een gevecht aankomt.’ Hij wilde dapper klinken, maar zijn stem bibberde een beetje.

‘Wat krijgen we nu? Wou je blijven?’ vroeg Titus verbaasd.
‘Jij bent er nog niet aan toe om je al in het strijdgewoel te mengen, mijn zoon. Ga met je moeder mee.’
Marcus schudde zijn hoofd. ‘U hebt me nodig. Ons.’ Hij knikte naar Cerberus en de oren van de hond gingen rechtop staan terwijl hij met zijn staart kwispelde.

Voor Titus bezwaar kon maken, kwam Aristides weer naar buiten. Met zijn ene hand omklemde hij zijn staf en in de andere had hij een zwaardschede waaraan een leren band bungelde. Titus nam het wapen aan, sloeg de band over zijn hoofd en bewoog een paar keer met zijn schouder tot het zwaard goed hing en hij makkelijk bij het gevest kon. Aristides liep naar de poort om het pad dat langs de helling naar Nidri leidde in de gaten te houden. Plotseling pakte Titus de greep van het zwaard beet en trok de kling in één vloeiende beweging uit de schede, zo snel dat Marcus in elkaar kromp. Hij slaakte een kreet en Cerberus gromde.

Zijn vader keek hem lachend aan en stak het wapen weer weg. ‘Rustig maar. Ik wilde alleen even controleren of ik het zwaard makkelijk kon trekken. Daarom zorg ik er altijd voor dat de schede en de kling geolied zijn… voor het geval dat.’
Marcus slikte nerveus. ‘Voor het geval dat wat, vader?’
‘Voor het geval dat er zoiets als dit gebeurt. En nu laat je dit aan mij over. Ga naar binnen tot ik je roep.’

Marcus keek opstandig terug. ‘Ik hoor aan uw zijde te staan, vader. Ik kan vechten.’ Hij legde zijn hand op het leren lapje en de bandjes van de katapult die in de riem rond zijn middel was gestoken. ‘Hiermee kan ik op vijftig passen afstand een haas raken.’

Zijn moeder had het gesprek tussen haar man en zoon zwijgend aangehoord, maar nu riep ze: ‘Marcus, alsjeblieft! Kom onmiddellijk naar binnen!’
‘Livia,’ kwam haar man tussenbeide. ‘Ga jij maar. Verstop je in de keuken. Ik bespreek dit wel met Marcus. Hij komt er zo aan.’

Ze wilde protesteren, maar toen ze de vlammende blik in zijn ogen zag, draaide ze zich om en liep weg; haar sandalen schuifelden over de terrasstenen. Titus keek weer naar Marcus en glimlachte hem toe. ‘Mijn zoon, je bent echt nog te jong om mijn ruzies te kunnen uitvechten. Ga alsjeblieft met je moeder mee.’
Maar het was al te laat. Voor Titus uitgesproken was liet Aristides een fel gesis horen. De geitenhoeder zette zijn hand aan zijn mond en riep zo hard hij durfde: ‘Meester! Ze komen eraan!’

Om de rest van het avontuur te lezen, bestel Gladiator bij bol.com via deze link

Gladiator – Vechten voor vrijheid
Simon Scarrow

ISBN 978 90 257 4970 5
€ 14,95
uitgeverij Gottmer

Ontdek onze droomplekken in Italië!

2 reacties

  1. Fijne tip! Voor David Hewson is het nog een beetje te vroeg 😉 Deze past beter bij de leeftijd. Ze hebben net de lesstof van de Romeinen op school behandeld! Je kunt niet vroeg genoeg beginnen met het voeden van het Rome-virus 🙂 Ciao, J.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *