Ga op pad met onze City Walks!

De kleur van de hemel

Vandaag verlaat ik Toscane – met een beetje pijn in het hart, maar met een lijstje adressen waar ik later dit jaar, als het voorjaarszonnetje weer volop schijnt en de bomen in bloei staan, zeker nog eens terug zal keren.

Geïnspireerd door de verhalen van een grote Romeo & Julia-fan, die ik op een van mijn laatste avonden in Toscane ontmoette, verruil ik Toscane vandaag voor de regio Veneto, in het noordoosten van Italië. Veneto is de regio van de spritz en de prosecco, van Verona en Venetië, van carnaval en Casanova. Een ideale plek om de maand februari, met Valentijnsdag en de start van het Venetiaanse carnaval, door te brengen.

In de trein naar Verona lees ik De kleur van de hemel, een boek dat net als mijn treinreis Toscane en Venetië verenigt. Het verhaal begint in Venetië, in 1295. Op Hemelvaartsdag vindt Teresa Fiolaro een te vondeling gelegde baby. Ze noemt hem Paolo. Ondanks het verzet van haar echtgenoot voedt Teresa het kind thuis op, tussen de glasmakers van Murano.

Als Paolo opgroeit, realiseren zijn nieuwe ouders zich dat hun zoon bijziend is. Maar hij heeft ook een vreemd en scherp oog om kleur en koloriet te onderscheiden. Zijn talent wordt opgemerkt door Simone Martini, een schilder uit Siena. Hij stuurt Paolo op weg, met de opdracht het perfecte ultramarijnblauw te vinden. Deze reis zal Paolo over de hele wereld voeren, door Perzië, Afghanistan en China. Daarbij komt hij niet alleen veel te weten over kleur, maar ook over gezichtsvermogen en afstand, dood en schoonheid, trouw en liefde.

Een fragment:

‘Simones atelier bevond zich in de Contrada Aquila. Het werd omringd door een ruim erf dat uitkwam op een smalle, drukke straat. Hier werd de pupillen geleerd hoe ze het hout moesten prepareren voor godsdienstige panelen en altaarstukken: het wassen, het schuren en het polijsten van elk stuk populierenhout voordat de onderlaag van gesso erop werd aangebracht. De meer ervarenen onder hen werkten aan de ornamenten: ze persten tinfolie en bladgoud en begonnen met het vergulden, versieren, aandrukken en pletten. Anderen die zich bezighielden met de fresco’s buiten het atelier hadden al geleerd hoe ze een muur moesten prepareren, bevochtigen, pleisteren, richten en gladstrijken.

Simone vertelde Paolo dat hij elk onderdeel van het schilderproces onder de knie moest krijgen: het prepareren van houtskool voor de schetsen, het maken van penselen, papier en pennen en het verzamelen van eieren waarmee je pigment kon binden en het mengsel van tempera en verf kon maken. Hij moest ongebluste kalk en zand zeven, gips maken, panelen polijsten en ten slotte, als hij het proces volledig beheerste, mocht hij dan met kleuren aan de gang gaan.

‘Wat schildert u?’ vroeg Paolo.
‘Alles,’ antwoordde Simone. ‘Alfa en Omega. Het begin en het einde.’
‘Schildert u de hemel?’
‘En de hel. Vanaf deze onwaardige wereld. Is het niet ongelooflijk?’ De kunstenaar praatte als een kermisbaas die zijn publiek toespreekt. ‘Ik kies zorgvuldig elk ingrediënt, als een huisvrouw op de markt. Ik kook met verf.’ Hij verkruimelde een brokje oker tussen zijn duim en wijsvinger. ‘Zoals een chef-kok smaken creëert, zo roep ik kleuren op: met ei en tempera, meekrap en saffraan. Dit zijn mijn ingrediënten en specerijen.’ Hij klopte de verfstof van zijn vingers. ‘ Er is maar één verschil.’
‘En dat is?’
‘De maaltijd die ik creëer blijft eeuwig bestaan.’

Simone was het gelukkigst als hij bekijks had, en Paolo vroeg zich af of zijn medewerkers niet louter waren aangenomen om hand en spandiensten te verrichten, maar ook om hem voortdurend aandacht te schenken en altijd klaar te staan om om zijn spitsvondigheden te lachen. Zorgen dat Simone tevreden was maakte bijna de helft van het werk uit, want hij kon elk moment gedeprimeerd raken, zo fragiel was zijn zelfvertrouwen, en, zo merkte Paolo op, zijn liefde voor wijn. De man kon in één ogenblik van euforie tot wanhoop vervallen, wat maakte dat allen die voor hem werkten voortdurend nerveus en op hun hoede waren.

Soms smeet Simone opeens een penseel tegen de grond en verliet hij het atelier om het met zijn vrienden op een zuipen te zetten en te beschonken terug te keren om zijn werk te kunnen voortzetten. Hij compenseerde zulke ongeremdheid door zesendertig uur aan één stuk door te werken. Getalenteerd, wispelturig en gemakkelijk afgeleid overlaadde hij zijn leerlingen soms met onvoorstelbaar zware verantwoordelijkheden.

‘Lippo, doe jij de handen – Mino, maak jij het aureool af – Ugolino, decoreer jij de mantel van de Heilige Maagd.’
‘Hoe?’
‘Verzin maar wat.’
Paolo begon met het prepareren van houtskool om schetsen mee te maken: hij pakte strengen wilgentak, sneed die tot luciferhoutjes, schuurde ze en sleep ze tot pijpjes, bond ze in bosjes bijeen en legde ze vervolgens in een aardewerken pot die hij elke avond naar de bakker bracht om de staafjes tot de volgende ochtend te laten roosteren.

Na vier maanden leerde hij hoe hij met kleuren moest werken, vergruisde hij pigment en maakte hij plakken purpersteen of serpentijnsteen. Om azuur te maken kookte hij in een serie kommetjes mengsels van alkaline, honing en loog, en voegde er vervolgens pigment aan toe, waarbij hij scherp in het oog hield hoe de kleur zich geleidelijk aan verdiepte. Als hij de vloeistof eenmaal had afgegoten, was de verf klaar om te binden met eidooier en aan te brengen op paneel of fresco.

Net zoals hij had geleerd elke kleurschakering van steen en glas te bepalen, begon Paolo nu ook in te zien hoe verf in enkele ogenblikken lichter of donkerder kon worden gemaakt en de kleur kon worden verdiept of afgezwakt.
‘Onze taak is niets minder dan de glorie van Gods schepping te laten zien. Schilderen is een geloofsbelijdenis, Paolo. We vertellen verhalen, zetten aan tot devotie. Dit is het land van wonderen’ – Simone glimlachte – ‘ook al herhalen ze zichzelf nog wel eens.’

‘Wat bedoelt u daarmee?’
‘Heiligen kunnen behoorlijk saai zijn, vind je niet? Er is slechts een beperkt aantal manieren waarop een schilder devotie kan afbeelden. De hel is zoveel amusanter.’ Terwijl ze pigment vermengden met eierdooiers, begon Simone Paolo te vertellen van zijn ambitie een Laatste Oordeel te schilderen: de doden die skeletachtig, spookachtig uit de krochten en spleten van de aarde tevoorschijn komen en wachten om met vlees te worden bekleed of om, achtervolgd door een bleek blauw licht, in de hel te worden gefolterd.

Toen hij eenmaal de smaak van dit thema te pakken had, vulde het verhaal zich met gruwelijke details. Er zouden brandende rivieren en bodemloze putten vol vulkanische vertwijfeling zijn waarin de bezoedelde zielen van de verdoemden, zwartgeblakerd door zonden en met lekkende vlammen, dreven. Woekeraars moesten hete munten slikken en sodomieten zouden als varkens aan het spit worden geregen. Je zou er lasteraars zien met opengesperde en opengesneden monden en hun tanden tot pulp vermalen, die alleen maar aangroeiden om opnieuw te worden verpulverd. Het schilderij zou een beeld van oneindige ellende geven en boven alles zou satan zetelen, met drie schurkenkoppen, vleermuizenvleugels en Judas die half verorberd uit zijn mond hangt.

‘Je zult wel begrijpen dat het schilderen van de hemel een tikkeltje saai is na zoiets,’ besloot Simone. ‘We hebben drama nodig, geen eeuwigdurende gelukzaligheid. Maar dit is natuurlijk onze uitdaging. Om het paradijs opwindend te maken. Een plek die je verstand te boven gaat.’’

Lees het hele verhaal van Paolo in:


De kleur van de hemel
James Runcie
vertaald door Rob van Moppes
ISBN 9789044313291

Ontdek onze droomplekken in Italië!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *