Ga op pad met onze City Walks!

De Italiaanse minnaar

Italië, 1930. De zussen Tessa en Freddie Nicolson zijn geboren en getogen in Italië. Wanneer ze in hun tienerjaren naar Engeland worden gestuurd, verandert hun leven drastisch. De onconventionele en mooie Tessa wordt een succesvol model en krijgt een relatie met een getrouwde man. Wanneer zijn echtgenote daar achter komt, vlucht Tessa naar Italië.

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog reist Freddie af naar Toscane om Tessa op te zoeken. Onderweg ontmoet ze Jack Ransome, reiziger en parttime spion. De aantrekkingskracht tussen de twee is duidelijk aanwezig, maar Freddie laat de kans op een romance aan zich voorbijgaan. Wanneer de oorlog echter in alle hevigheid losbarst, lijkt elke kans op geluk voor de twee zussen verkeken…

Een heerlijk boek voor Italiëliefhebbers, zeker nu vlak voor Valentijnsdag! Vandaag op Ciao tutti alvast een voorproefje dat zich afspeelt tijdens de zomer van 1933, in villa Millefiore:

‘Vanaf het terras achter het huis kon Tessa de terracottakleurige daken en koepels van Florence zien liggen, glinsterend in de heiige nevel van hitte. ’s Avonds bereikte het geluid van de kerkklokken de villa op de heuvel. Tessa rende de stenen trap van het terras af en een pad op dat tussen een muur van buksbomen en cipressen door liep. Aan een kant van de tuin lagen een moestuin en een boomgaard; aan de andere kant stonden eikenbosjes die werden omringd door laurier. Achter de tuin lagen wijn- en olijfgaarden die ooit bij de villa hadden gehoord, maar die al lang geleden waren verkocht om de rekeningen te kunnen betalen.

Tessa was dol op de tuin van villa Millefiore. Er waren overal hoekjes en boogjes waarachter je zomaar op iets heel bijzonders kon stuiten: een laantje met pioenrozen, een border vol enorme witte lelies waarboven dikke bronskleurige motten als kolibries zoemden, of een vijver vol goudkleurige karpers, met een schelpvormige fontein, die stroompjes water recht omhoog spoot. Overal klonk het geluid van water, dat in een strak gordijn achter de zeemeermin in haar grot stroomde en via smalle kanaaltjes uiteindelijk samenkwam in een diepe, ronde vijver, waar een stenen zeemonster met zijn staart vol schubben om zich heen sloeg, terwijl er water uit zijn open bek liep.

Tessa trok haar sandalen uit en liep blootsvoets over de bovenrand van een muurtje dat om de vijver stond. Langs de muur stond een hele rij standbeelden. Tessa wist niet meer of het muzen of nimfen waren. Hun witte borsten en bolle billen waren bedekt door schaarse marmeren gewaden. Hun vingers grepen vruchteloos naar de ontsnappende flarden stof. Tessa vond dat ze karakterloze, stomme gezichten hadden.

Onder haar zomerjurk droeg ze haar badpak. Ze trok haar jurk over haar hoofd uit en legde hem op het muurtje. Toen dook ze het water in.
De vijver was diep, ruim drie meter. Mevrouw Hamilton had haar verteld dat de huishouding er in perioden van grote droogte water uit had gedronken. Tessa hoopte maar dat ze het eerst hadden gekookt, want het stikte van het wier in de vijver. Ze dook er altijd in zonder erover na te denken, bijna als in een reflex, voor ze tijd had om zich voor te stellen hoe die zachte, kleverige draden wier, die als spinnenwebben tussen haar vingers en tenen wriemelden, aan haar lichaam voelden. Het water onder de oppervlakte was donkergroen en troebel. Midden in de vijver stond de stenen pilaar waarop het beeld van het zeemonster steunde. Toen het gezin Zanetti op bezoek was geweest, hadden ze een wedstrijdje gedaan wie er het meest om de zuil kon zwemmen zonder boven te komen om lucht te happen. Guido had gewonnen; Tessa zag zijn lenige, donkere lichaam nog voor zich in het water.

Het gezin Zanetti – de tweeëntwintigjarige Guido, zijn achttienjarige broertje Alessandro, die ze Sandro noemden, en hun veertienjarige zusje Faustina – was bevriend met het gezin Nicolson en mevrouw Hamilton. Guido’s vader, Domenico, was de minnaar van Tessa’s moeder. Dat had Guido vorig jaar aan Tessa verteld, waarop Tessa het weer aan Freddie had verteld.

Tessa en Freddie hadden er geen van beiden moeite mee dat hun moeder en Domenico elkaar hadden gevonden. Domenico maakte mama gelukkig, op een manier waarop hun vader, die een opvliegend karakter en een scherpe tong had gehad, dat nooit had gedaan. Tessa had de neiging haar moeder, van wie ze erg veel hield, te beschermen. Domenico Zanetti was de eigenaar van een zijdeatelier in het San Frediano-district in Florence. Zijn vrouw, Olivia, had een lang gezicht en een kleine boezem. Haar bruine en crèmekleurige japonnen vielen ondanks de goede kwaliteit niet mooi om haar lange, magere lichaam: kraagjes hingen af over haar hoekige schouders en gekreukte mouwen vielen over haar knokige vingers. Als iemand ernaar zou hebben gevraagd, zou Tessa haar koraalroze of zeegroen hebben aangeraden, kleuren die Olivia’s grauwe huid veel beter zouden doen uitkomen.

Tessa vermoedde dat Guido haar over haar moeder en zijn vader had verteld om haar te choqueren. Als dat zo was, had het geen effect gehad. Tessa was opgegroeid tussen de voortdurend wisselende populatie van schilders en dichters in Italië die de beklemmende mistroostigheid van hun Noord-Europese thuislanden waren ontvlucht en er was maar weinig wat haar choqueerde. Haar longen ontploften bijna en daarom zwom ze naar het smaragdgroene licht aan de oppervlakte. Toen haar hoofd boven water kwam, hapte ze naar adem. Met gesloten ogen zwom ze op haar rug rond.

Ze gingen die avond bij het gezin Zanetti eten. Tessa zou haar nieuwe violetkleurige zijden jurk aantrekken, en Freddie haar amandelroze. Domenico Zanetti had mama de stof gegeven, die was geweven in zijn atelier, en mama en Tessa hadden de jurken gemaakt. Tessa was dol op mooie kleding; als ze de kans kreeg verslond ze modebladen en ze was een uitstekende naaister. Ze besloot mama te vragen of ze haar Wakeham-granaten erbij mocht dragen. Ze waren van mama’s grootmoeder geweest en behoorden tot de weinige sieraden die het huwelijk van Christina met Gerald Nicolson hadden overleefd. Ze zouden prachtig staan bij haar nieuwe jurk.

Een stem zei: ‘Er zit wier in je haar.’
Tessa opende haar ogen. Guido Zanetti stond aan de rand van de vijver, met één voet op het muurtje. ‘De huishoudster zei dat jullie allemaal lagen te slapen,’ zei hij, ‘dus ik ben even gaan wandelen. Kom eens hier, Tessa.’
‘Waarom?’
‘Zodat ik dat wier uit je haar kan halen.’

Zijn ogen lachten. Guido zag er erg zelfingenomen uit, vond Tessa. Hij had Romeinse trekken, met krullend zwart haar en donkerbruine, vurige ogen. Hij droeg een lichtgekleurd linnen pak met een lichtblauw overhemd. Hij was ijdel, zich ervan bewust dat hij aantrekkelijk was – Tessa zag voor zich voor hoe hij zijn revers op hun plaats had geklopt voordat hij het palazzo van het gezin Zanetti verliet, en hoe hij zijn haar met zijn hand zou hebben gladgestreken. Guido hield graag afstand van de rest: zij waren kinderen, leek hij ermee aan te willen geven, en hij was een man.’

Benieuwd hoe dit afloopt? Lees dan verder in:

De Italiaanse minnaar
Judith Lennox
vertaald door Titia Ram
ISBN 9789047516040
€ 18,99
uitgeverij Van Holkema & Warendorf

Ontdek onze droomplekken in Italië!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *