Ga op pad met onze City Walks!

Brief aan een jonge Atlas

Een mooie opening van de Week van de Klassieken, het nieuwe boek van Oek de Jong dat vandaag verschijnt. Brief aan een jonge Atlas bevat zes onbekende, autobiografische teksten uit het begin van Oek de Jongs schrijverschap. De toon en stijl zijn onmiskenbaar die van de twintiger die een hele generatie wist te boeien met zijn romans Opwaaiende zomerjurken (200.000 ex.) en Cirkel in het gras (150.000 ex.), beide inmiddels klassiekers in de Nederlandse letteren.

Maar Brief aan een jonge Atlas laat tot nu toe onbekende kanten van deze schrijver zien: minnaar in een uitzichtloze liefde, reiziger door Marokko, duiker bij Vulcano, een romanticus tegen wil en dank, bezig zich te ontworstelen aan zijn jeugd. Vandaag alvast een voorproefje, een prachtig fragment uit het verhaal Landschap met inktvis:

‘Wanneer je alleen reist, maakt alles een diepere indruk. Je aandacht gaat niet uit naar een reisgenoot. Je kunt de wereld niet buitensluiten in die magische cirkel van twee. Je staat er in je eentje voor. Je bent onophoudelijk blootgesteld aan de vreemde wereld die je betreedt. Je spreekt soms dagenlang met vrijwel niemand. Je wordt op jezelf teruggeworpen. Je raakt in jezelf gekeerd. Je komt jezelf tegen, zoals dat heet, jezelf en je demonen. Maar alles maakt daardoor een diepere indruk.

Elke reis alleen is ook een reis naar binnen. Je ontkomt er niet aan.
Ik reisde in die jaren veel alleen.

Nadat ik, in het vroege voorjaar van 1985, de vierhonderdeenendertig pagina’s drukproef van mijn tweede roman had afgewerkt, kocht ik een ticket voor het eerste het beste vliegtuig naar Sicilie om daar even een frisse neus te halen. Ik was tweeëndertig – en eigenlijk pas tweeëntwintig, volgens een wijze oudere vriendin, die van mening was dat in mijn leven ‘alles tien jaar later gebeurde dan in het leven van anderen’.

Een vreemde, orakelachtige uitspraak die me nu te binnen schiet. Misschien had ze gelijk, want er stonden mij op deze reis zekere vernederingen en inzichten te wachten die niet passen bij een tweeëndertigjarige – en misschien zelfs niet bij een tweeëntwintigjarige.

Ik landde in Catania, een stad befaamd om zijn barokke pracht. Ik bezocht er slechts de vismarkt, een plein vol schreeuwende vissers, hun stemmen weerkaatsend tegen de huizen, en verlustigde me in de vis die er glanzend en glibberig lag uitgestald, in gekliefde zee-egels, hompen zwaardvis, emmers zwart water, in een wilde wereld kortom; ik nam de trein naar Palermo, dwars over het eiland, en in Palermo bleef ik maar een halfuur, omdat bepaalde gezichten daar me niet aanstonden; ik reisde door naar Trapani, een kleine havenstad aan de westkust, waar ik halverwege de avond aankwam – de zwaluwen scheerden nog over de daken – en een kamer vond aan een oude binnenplaats met arcades en gaanderijen die geheel naar mijn zin was, en de volgende ochtend stapte ik op de boot naar Pantelleria, een eiland ten zuiden van Sicilië, waar ik op de kaart al verlangend naar had gekeken, een klein en vulkanisch eiland met Arabische namen. Omdat ik alleen reisde, herinner ik me de aankomst op Pantelleria nog heel goed.

Het was aan het begin van de middag, de zon stond hoog. Nadat de veerboot zijn twee ankers had uitgezet, voer hij langzaam achteruit, zijn ankerkettingen vierend, en naderde de rotsige kust van het eiland. Een haven was er niet, alleen een kleine kade, waarop een paar auto’s en een handvol mensen stonden te wachten. Ik begon de landelijke kust van het eiland al vagelijk te ondergaan, terwijl ik nog op zee was.

Van de kade maakte zicht toen een kleine jol los. Omdat de zee door het helle licht tot op de bodem doorzichtig was, leek de jol te zweven op de golven. Deinend en dansend, geroeid door een jonge kerel die zijn blote voeten schrap zette tegen de spanten, kwam die notendop naderbij. In de schaduw van het schip gekomen richtte de man in de jol zich op. Behendig ving hij het balletje van de lijn dat hem werd toegeworpen. Hij haalde de lijn in en begon de eerste van de twee trossen aan land te brengen.

Ik zag die jol van bovenaf, deinend op de blauwe en doorzichtige golven en ik bewonderde zijn even sterke als functionele als fraaie vorm. Hoe klein en rank ook, het bootje leek geschapen om zich over de golven te bewegen, rijzend en dalend, zonder een spatje water te maken. Een eeuwenoud ontwerp dat nooit door iemand was ontworpen, sterk, beproefd, niet verbeterbaar: de jol. Ik zag een oervorm. Het zien van een oervorm is het zien van iets volmaakts. Het was een ervaring die ik op het eiland onophoudelijk zou hebben.

Aan twee trossen, op de kade bevestigd, trok het schip zichzelf naar de wal. De laadklep in de achtersteven zakte naar beneden. Terwijl hij daalde liep een scheepsofficier in smetteloos wit kostuum ertegenop, als tegen een helling. Vanuit het duister van de scheepsbuik trad hij in het licht om erop toe te zien dat de laadklep op de kade landde. Maar veel meer toch, leek het, om alle ogen op de kade op zich gericht te weten. Tja, ik bevond me nog altijd in Italië, ook al was Afrika nu dichtbij.’

Lees het vervolg van zijn verblijf op Pantelleria en de andere, net zo prachtige, verhalen in

Brief aan een jonge Atlas
Oek de Jong
ISBN 9789045705439
€ 14,95
uitgeverij Augustus

Ontdek onze droomplekken in Italië!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *