Ga op pad met onze City Walks!

Bewezen diensten

Toen ik vorige week een dagje binnen besloot te blijven vanwege de niet aflatende regen, bracht de debuutroman van Katja Schoondergang een beetje Italië op mijn zolderkamer. In Bewezen diensten neemt ze je mee in de zoektocht naar de identiteit van een dode man die in de duinen van IJmuiden is opgegraven. Een kogelgat in zijn schedel wijst in de richting van een misdaad.

De grote onbekende laat Onno Braks, journalist van de plaatselijke krant, niet los. Zijn speurtocht brengt hem naar het IJmuiden en Amsterdam van begin jaren zeventig, de tijd dat Italiaanse gastarbeiders op schepen in het Noordzeekanaal woonden en de gemeente Amsterdam op het strand van IJmuiden een immense voorhaven wilde aanleggen.

Onno begint in een verleden te spitten en stuit op een onmogelijke liefde tussen een meisje uit IJmuiden en een jongen van Sardinië, op een speculant die ooit actie voerde tegen de voorhaven en op een drugsbaron die zijn loopbaan startte met een van de eerste coffeeshops in Amsterdam. Onno merkt al snel dat niet iedereen er belang bij heeft dat het verleden wordt opgerakeld…

Een fragment:

‘Als Bruno Foroni iets op zijn conto kan schrijven, dan is het wel dat hij de Italiaanse keuken naar Nederland heeft gebracht. Hij was zeker niet de enige, maar wel een van de eerste. In 1963 werd hij door de Hoogovens naar Nederland gehaald, om voor hun Italiaanse gastarbeiders te koken. Nu was 1963 het jaar dat de Noordzee dichtvroor, een jaar dat te boek staat als het koudste van de eeuw. Het is dat hij snel zijn toekomstige vrouw ontmoette, anders had de kou hem weer naar zijn woonplaats Viareggio teruggedreven.

Eerst bestierde hij de keuken van de Arosa Sun, een cruiseschip dat in Indië had gevaren en in de jaren zestig de thuishaven was van de Spaanse en Italiaanse gastarbeiders. Toen dit schip uit zijn voegen barstte, werden de Spanjaarden en de Italianen opgesplitst en verhuisde Bruno Foroni met de driehonderd Italianen naar Casa Marina, een botel dat broederlijk naast de Arosa Sun in het Noordzeekanaal lag. Na dertien jaar voor de Italianen te hebben gekookt, waren de Amsterdammers op het Rembrandtplein aan de beurt en werd hij kok van het eerste Italiaanse restaurant van Nederland. Vervolgens mochten de IJmuidenaren van zijn kookkunst genieten en opende hij in 1979 zijn eigen Italiaanse specialiteitenrestaurant: Viareggio. Zo’n tien jaar geleden heeft hij het aan zijn zoon overgedaan, maar hij blijft er elke ochtend komen voor een cappuccino. Hij is net binnen als de telefoon gaat en hij van zijn zoon de hoorn aangereikt krijgt met de mededeling dat een vrouw van de IJmuider Courant op zoek is naar Padre Romeo.

Bruno Foroni leest geen kranten. Het enige nieuws dat hij tot zich neemt is afkomstig van de Rai Uno. De IJmuider Courant zegt hem dan ook niets. Padre Romeo zegt hem daarentegen alles. Het doet hem vreugd dat iemand na al die jaren weer belangstelling voor hem toont. De vrouw aan de andere kant van de lijn klinkt eveneens opgetogen; eindelijk heeft ze beet.

‘Ik heb alle Italiaanse restaurants in de omgeving afgebeld,’ zegt ze, ‘u bent de eerste die weet wie Padre Romeo is.’
‘Dan worden de Italiaanse restaurants door Turken en niet door Italianen gerund,’ zegt Bruno Foroni, ‘want elke Italiaan weet wie Padre Romeo is. De man is een legende. Er is niemand die zoveel voor de Italiaanse immigranten heeft betekend als hij.’
‘Weet u misschien waar ik hem kan vinden?’
‘In Rovereto.’
‘Waar ligt dat?’
‘In het noorden van Italië. Mijn vrouw en ik zijn er vorige zomer nog geweest, toen hebben we zijn graf bezocht.’
‘Zijn graf?’ Het is even stil aan de andere kant van de lijn. ‘Komt het u uit als we nu bij u langskomen?’ vraagt ze vervolgens.

Bruno Foroni zou vanmiddag met zijn vrouw naar IKEA gaan. Maar dat kan wel even wachten.
Het is dat de journalisten hun komst aangekondigd hadden, anders had Bruno Foroni hen voor vader en dochter gehouden. Ze lijken namelijk een beetje op elkaar. Voor beiden behoort een bezoek aan een kapper tot een ver verleden. En beiden hebben ze iets met blote buiken. Het meisje draagt een veel te kort truitje en de man een overhemd dat zo strak zit dat zijn buik eruit puilt. Nederlanders, denkt Bruno Foroni, ze weten zich niet te kleden. Dat was veertig jaar geleden al zo en daar is in al die jaren geen verandering in gekomen.

De man is de baas, dat is Bruno Foroni meteen duidelijk. Maar hij laat het meisje het gesprek voeren. Hij vindt het moeilijk communiceren met haar. Ze is hem te gretig, ze laat hem niet uitpraten. Vertelt hij over de laatste jaren van Padre Romeo’s leven, wil zij weten of Padre Romeo een priester was. Ze heeft er niks van begrepen. Padre Romeo was een pater. Een echte. Zo een met bruine pij met capuchon.

‘Was hij religieus?’
‘Wat bedoelt u?’
‘Wat ik zeg. Of hij religieus was.’
Het meisje begrijpt er niets van. Natuurlijk was hij religieus, hij was een pater. Maar hij was tegelijkertijd ook heel ruimdenkend. […]

‘Padre Romeo was een heilige,’ zegt hij. ‘Er is niemand die zo veel voor de Italiaanse gemeenschap heeft gedaan als hij.’
‘Had hij in Velsen ook zijn eigen parochie?’ Gelukkig, de man neemt het gesprek over. Eindelijk wordt er een vraag gesteld waar hij wat mee kan.
‘De Italiaanse gemeenschap was zijn parochie. En Casa Nostra zijn kerk.’
‘Cosa Nostra?’
Het meisje weer. Typisch Nederlands. Elke keer als hij het over Casa Nostra heeft, beginnen de Nederlanders over de maffia.

‘Nee, geen Cosa Nostra maar Casa Nostra,’ zegt hij zo geduldig mogelijk. En hij legt uit dat Casa Nostra een sociëteit in Beverwijk was, opgericht door de Volksbond. De kerk zat erachter, met de maffia had het helemaal niets te maken. De Volksbond zorgde voor het welzijn van de immigranten. Ze hadden Padre Romeo uit Italië over laten komen om de Italiaanse jongens op weg te helpen. Het waren jonge mannen die vaak nog nooit buiten Italië waren geweest en heel makkelijk verdwaalden.

‘Kwamen er veel jongens uit Sardinië?’
‘De Hoogovens ronselden graag op Sardinië, er zijn daar veel mijnen, het zware werk zit hen in de genen. En ze konden de Nederlandse winters aan. Die waren niets vergeleken bij de winters in het ruige Gennargentu-gebergte. Het waren harde werkers, maar ze waren ook een beetje wereldvreemd. De meesten hadden hun eiland nog nooit verlaten, ze hadden geen idee hoe de rest van de wereld eruitzag. Toen ze hier met de trein aankwamen, liepen ze niet op schoenen maar op lappen schapenleer die ze om hun voeten hadden gebonden.’

‘Heeft u een Sardijnse jongen gekend die Luca heette?’
Bruno Foroni schrikt even. Het is een vraag waarop hij niet was voorbereid. Voor even voert hij weer de scepter van Casa Marina en ziet hij de enorme hoeveelheden groenten en vlees voor zich die met busjes door de plaatselijke leveranciers op de kade werden aangevoerd en door Luca over de loopplank naar de keuken werden getild.

‘Ik had een keukenknecht die Luca heette,’ zegt Bruno. ‘Hij was groot, helemaal voor een Italiaan. En sterk als een paard. Luca Salis heette hij. Hij was op een dag verdwenen. Zomaar, zonder afscheid te nemen. Ik ben nog naar de politie geweest om hem als vermist op te geven, maar die deden er niets mee.’
Het hek is van de dam. Luca Salis. Ze willen alles over hem weten. Wanneer hij kwam, en wanneer hij verdween. Bruno kan hun geen jaartallen geven, de jaren lopen in elkaar over. Hij herinnert zich Luca als een goedlachse jongen. Nooit te beroerd om zijn handen te gebruiken. Normaal waren er twee mannen nodig om de pannen van de keuken naar de kantine te tillen maar Luca Salis kon het in zijn eentje.

Ze vragen te veel. Vooral het meisje. En ze schrijft ook nog eens alles wat hij zegt op.
‘Wij moesten drie maaltijden per dag voor driehonderd Italianen bereiden, ‘ zegt Bruno Foroni. Het meisje slaat haar ogen neer maar de man luistert aandachtig. Mannen onderling, dat praat zoveel makkelijker.
‘De Hollandse koks gaven de Italiaanse jongens gehaktballen die nergens naar smaakten. De arme jongens konden ze niet naar binnen krijgen. De Hoogovens moesten wel Italiaanse koks aanstellen want de arbeiders waren op zeker moment zo verzwakt dat de productie van de Hoogovens eronder leed.’

Daar is hij weer, het begripvolle knikje, de man begrijpt hem, hij moet het meisje gewoon negeren. ‘Bloemkool werd gekookt en met een papje overgoten. Wij Italianen bakken de groenten en besprenkelen ze daarna met zout en citroen, dat smaakt zoveel beter. En wij gebruiken kruiden. Hollanders kenden in die tijd alleen maar nootmuskaat.’
Het meisje legt demonstratief haar pen neer. Ze wil geen Italiaanse recepten, ze wil informatie over Luca Salis.’

Weten hoe dit afloopt? Lees dan snel verder in

Bewezen diensten
Katja Schoondergang
ISBN 9789021439594
€ 18,95
uitgeverij Q

Ontdek onze droomplekken in Italië!

Een reactie

  1. Waw wat een vlot verhaal. Ik wil het zeker in de boekenkast!
    Dank voor de informatie.
    Groetjes

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *