sep 04

Morgen is het weer zover, dan ziet het Canal Grande letterlijk zwart van alle gondels die op het water dobberen. Dan wordt namelijk, zoals elke eerste zondag van september, de Regata Storica gehouden.

De Regata is een traditie die tot ver in de geschiedenis teruggaat. Volgens de overlevering werd de eerste Regata gehouden ter ere van de ontvangst die Caterina Cornaro, koningin van Cypus, kreeg toen zij in 1489 arriveerde met de bedoeling haar eiland aan Venetië te schenken. Sindsdien is men dit heuglijke feit elk jaar opnieuw blijven herdenken, waarbij de festiviteiten steeds uitgebreider werden.

Zo is er nu voorafgaand aan de roeiwedstrijd een gondeloptocht waarin oude, bijzonder gedecoreerde gondels de hoofdrol spelen. Ook de roeiers laten zich niet onbetuigd: zij dragen bijpassende, historische kostuums.

Daarna volgen de echte roeiwedstrijden. Het spits wordt afgebeten door de jeugd, die het in de regata dei giovanissimi tegen elkaar opneemt. Dan zijn de vrouwen aan de beurt, met hun regata delle donne. Vervolgens mag er gejuicht worden voor boten uit de omliggende streken, tijdens de regata delle caorline.

Tot slot gaan dan eindelijk de echte gondeliers van start. Tijdens een meestal superspannende regata dei campioni glijden ze in hun razendsnelle gondolini over het water. De boten vertrekken vanaf de Riva degli Schiavoni. Ze varen het Canal Grande op, waar ze moeten keren rondom een paleto, een paaltje dat midden in het Canal Grande is geplaatst. Wie daar aan kop gaat, wint meestal – maar toch blijft de race tot het einde toe spannend!

De traguardo, de finish, ligt tegenover Ca’Foscari, waar een soort drijvende historische tribune in het water is geplaatst. Daar worden de winnende gondeliers gehuldigd. Ze krijgen een mooie som geld, maar eigenlijk draait het ook nu nog steeds om de felbegeerde rode vlag die al jarenlang de inzet van de strijd is.

Ben je morgen in Venetië, ga dan zeker even kijken! Zoals de foto’s al laten zien is het echt een unieke belevenis, die het toch al sfeervolle Venetië nog bijzonderder maakt!

  • Share/Bookmark
Getagd met:
aug 18

Nu ik zo onverwacht nog een weekje in Rome ben beland, geniet ik volop van alle festiviteiten die worden georganiseerd ter ere van de Estate Romana, de Romeinse zomer.

Voor alle Romeinen die de zomerhitte trotseren en voor iedereen die de stad gedurende de zomermaanden bezoekt, heeft Estate Romana veel leuks in petto. Van begin juni tot 17 september kun je door de hele stad genieten van film, theater, muziek, dans, literatuur, kinderactiviteiten, kunst en vele andere openluchtevenementen. De meeste evenementen vinden plaats in en rond de bekende toeristische trekpleisters als Villa Borghese, het Forum Romanum en de Thermen van Caracalla. Een unieke gelegenheid om deze Romeinse bezienswaardigheden in een heel ander licht te zien!

Een kleine greep uit het aanbod voor de komende weken:

Ara Pacis in Colori
Tot 8 september kun je elke woensdagavond de Ara Pacis, het vredesaltaar van keizer Augustus, aanschouwen in de kleuren die het ooit moet hebben gehad. Een geavanceerde digitale projectie zorgt ervoor dat je een betoverende stap terug in de tijd kunt doen. Een geweldig initiatief, dat ze eigenlijk op meer plaatsen in Rome zouden moeten kunnen uitvoeren. Stel je eens voor hoe het Forum Romanum er in kleur uit zou zien…

Films aan de Tiber
Het Tibereiland verandert elk jaar in een grote openluchtbioscoop. Tijdens het zomerse filmfestival, dat bekend staat onder de naam Isola del Cinema, worden bekende en minder bekende films vertoond. Daarnaast zijn er wervelende modeshows, spectaculaire optredens en heerlijke (wijn)proeverijen.

Piranesi, Rembrandt delle Rovine
Hoe zag Rome eruit in de tijd van Goethe? Het Casa di Goethe neemt je mee terug in de tijd, naar een Rome dat er niet meer is, ook al zijn er nog steeds veel sporen van terug te vinden. De expositie is gewijd aan het werk van Giovanni Battista Piranesi. Zijn Vedute di Roma laten de antieke en klassieke monumenten van de Eeuwige Stad vaak net even van een andere kant zien dan wij nu gewend zijn.

In zijn werk over Piranesi’s leven noemde Giovanni Ludovico Bianconi Piranesi ook wel ‘Rembrandt delle Rovine’ – de Rembrandt van de puinhopen. Dit was overigens bedoeld als compliment, aangezien Bianconi vond dat Piranesi de dode gebouwen en hopen steen weer een ziel wist te geven. Het Piazza del Popolo, het Colosseum, het Piazza Navona – alle hoogtepunten van Rome bezie je even door andere ogen.

La Dolce Vita – Stars and celebrities in the Italian fifties
Nu het precies veertig jaar geleden is dat de film La Dolce Vita voor het eerst in de bioscoop te zien is, wordt de film en het gevoel dat deze voor veel mensen vertegenwoordigt geëerd met een grootse expositie. De Mercati di Traiano bieden onderdak aan meer dan honderd foto’s uit de periode 1950-1960. De foto’s brengen de tijd van La Dolce Vita weer tot leven – je zou er zo in willen duiken. Droom lekker weg bij het Italië waarin alles mogelijk leek, waar de cinema hoogtijdagen beleefde en waar de komst van Coca Cola een grote belofte leek voor de toekomst…

Villa Celimontana Jazz Festival
Het park van Villa Celimontana is ongetwijfeld het mooiste decor voor jazzmuziek! Het licht van honderden kaarsen en fakkels geven de plek een magische uitstraling. Een wijntje erbij, wat lekkere hapjes van de volop aanwezige eetkraampjes en je wilt nooit meer terug naar huis! Houd je meer van klassieke muziek, dan kun je terecht bij het Theater van Marcello waar bijna elke avond een klassiek stuk wordt opgevoerd.

Cisterna delle Sette Sale
Dat de Romeinen hun tijd ver vooruit waren, wisten we natuurlijk al wel. Hun bouwwerken zaten zo ingenieus in elkaar dat ze de eeuwen zo goed hebben doorstaan dat wij er nog elke dag van kunnen genieten. Ze waren ook meesters in het aanleggen van riolering, waterleidingen en aquaducten.

Deze enorme ‘waterput’ is daar misschien wel het best bewaarde voorbeeld van: een fascinerend systeem van communicerende vaten van enorme omvang (ze konden wel 8 miljoen liter water bevatten) moest het nabijgelegen thermencomplex van Trajanus van vers water voorzien. De Cisterna delle Sette Sale is normaal nooit toegankelijk voor publiek, dus grijp je kans!

Ook in de zomermaanden hoef je je in Rome dus zeker niet te vervelen! Ik zou er bijna een weekje voor bijboeken…

  • Share/Bookmark
aug 16

Vorige week schreef ik al over de overheerlijke sgroppino die je bij Monte Pelmo kunt bestellen. Wie de komende weken echter niet in Amsterdam komt, kan met het recept van vandaag ook thuis de Italiaanse zomer vieren!

Voor 1 glas sgroppino heb je nodig:
6 eetlepels citroensorbetijs
1 dl (liefst bevroren) wodka
2 dl ijskoude prosecco

Mix alle ingrediënten tot een luchtig en schuimend geheel. Serveren in ijsgekoelde glazen.

Een ander echt Italiaans zomerdrankje dat je direct in Italiaanse sferen brengt is een glaasje ijskoude limoncello. Vrienden die net vakantie hebben gevierd aan de Amalfikust hebben gelukkig net weer een voorraadje voor me meegenomen, want zelf maken is nog zo gemakkelijk niet. Voor wie het toch wil proberen, volgt hier het recept uit Napels proeven, met als resultaat de échte limoncello zoals die langs de Amalfikust gemaakt en gedronken wordt!

Ingrediënten
(voor 2,5 liter limoncello)

3 kg onbespoten Italiaanse citroenen, liefst van de Amalfikust
1 liter pure alcohol 94°
1,5 liter zoutarm mineraalwater
600 g suiker

Haal met een dunschiller voorzichtig de zeste van de citroenen. Let erop dat je zo weinig mogelijk wit wegsnijdt (het wit van de citroen maakt bereidingen onaangenaam bitter).

Laat de zeste minstens 1 maand (3 maanden is nog beter!) weken in de alcohol. Roer het mengsel elke dag even goed door.

Bereid nu een lichte stroop: voeg de suiker toe aan het water en breng dit mengsel gedurende 5 minuten aan de kook.

Laat de stroop afkoelen. Zeef ondertussen het aftreksel van citroen en alcohol met behulp van een zeer fijne puntzeef. Verwijder de zeste en alle vaste deeltjes.

Neem een kortfles en meng hierin zorgvuldig de stroop met het gezeefde aftreksel. Pas dan krijgt de doorzichtige alcohol zijn typische, opaalachtige glans.

Doe het mengsel in een fles en laat het minstens een week rusten.

Bewaar altijd een fles in de diepvries. Zo heb je permanent een bijna bevroren limoncello in voorraad, want dat is nog altijd de beste manier om het drankje te drinken.

Aangezien de citroenen vrij lang moeten weken in de alcohol kun je nog tot ver in de herfst terugdenken aan en genieten van de Italiaanse zomer ;-)

Wil je graag nog voor het eind van de zomer een zelfgemaakt Italiaans likeurtje serveren na een Italiaanse maaltijd, geen nood! Napels proeven bevat ook een recept voor een basilicumlikeur, die wat sneller klaar is dan de limoncello!

Ingrediënten
(voor 2,5 l likeur)

4 bosjes verse basilicum
1 liter pure alcohol 94°
1,5 liter zoutarm mineraalwater
500 g suiker

Laat de basilicumblaadjes 24 uur weken in de alcohol.

Maak een lichte stroop: roer de suiker door het water en laat 5 minuten koken.

Laat de stroop afkoelen. Zeef ondertussen het aftreksel van basilicum en alcohol met behulp van een zeer fijne puntzeef. Verwijder alle vaste deeltjes.

Neem een kortfles en meng hierin zorgvuldig de stroop met het gezeefde aftreksel. Pas dan krijgt de vloeistof een mooie, groene kleur.

Serveer als digestief, op kamertemperatuur of met ijs.

In Napels proeven vind je nog meer echt Italiaanse recepten, waarmee je je eigen Nederlandse keuken in een handomdraai omtovert tot een Napolitaanse cucina. In een kleurrijk en smakelijk portret brengt Philippe Bidaine het verhaal van een uitzonderlijke reeks producten, die hij heeft ontdekt tijdens zijn talloze reizen naar Napels en omstreken.

Hij presenteert de Napolitaanse culinaire traditie in de vorm van 45 toegankelijke, ongekunstelde recepten, maar hij vertelt ook over de achtergronden van de Napolitaanse keuken en van de etenswaren die daar een hoofdrol in spelen, zoals pasta, pizza mozzarella en tomaten. Het lezen in en koken uit Napels proeven is als het ware een enkeltje Napels!

  • Share/Bookmark
aug 15

Vandaag is het feest in Italië! Het is immers Ferragosto, oftewel Maria Hemelvaart. Hoewel we deze feestdag in Nederland niet eens meer vieren, is Ferragosto in Italië een van de belangrijkste katholieke feesten. De dag dat Maria naar de hemel gaat en wordt herenigd met Jezus is voor de Italianen bijna belangrijker dan Hemelvaart. Dat heeft natuurlijk ook wel een beetje te maken met het feit dat Ferragosto midden in de zomer valt, dan is een extra dagje vrij nooit weg!

Met Ferragosto zijn alle Italianen vrij en ligt het openbare leven vrijwel stil. Hoewel, stil: er wordt wel volop feest gevierd. Elk dorp en elke stad organiseert wel een groot buffet en vaak trekken de dorpelingen in processie door de stad, waarbij Maria natuurlijk in het middelpunt van de belangstelling staat. Ze maakt een rondgang door de parochie, gevolgd door een stoet gelovigen. In een grote stad als Rome kun je zo op tig processies stuiten…

Maar bovenal wordt er met familie en vrienden uitgebreid getafeld. Aangezien Ferragosto ook het hoogtepunt van de Italiaanse vakantie is, gaan miljoenen Italianen op pad, al is het maar voor een paar dagen. Een bezoek aan familie en vrienden wordt gecombineerd met een (korte) vakantie, en een weerzien kan niet zonder uitgebreid eten en drinken, zeker niet op zo’n feestelijke dag als vandaag.

Vorig jaar mocht ik zo’n feestelijke Ferragosto-lunch meemaken bij de buren van Sonia, een Italiaanse vriendin die in de buurt van Poggibonsi woont. In de schuur kreunden lange tafels onder het gewicht van schalen antipasti, manden met brood en flessen wijn en water. Met een temperatuur van dik veertig graden was het best moeilijk om bij de derde schaal pasta die langskwam nog een beetje op te scheppen en de gastvrouw te complimenteren met haar wildzwijnsaus. En dan heb ik het nog niet eens over het hert dat als secondo werd opgediend, met gebakken aardappelen en boontjes.

Tegen de tijd dat de taarten op tafel kwamen, was het gelukkig bijna avond. Met wat sterke koffie erbij en het gezelschap van Ghigo, de hond, lukte het nog net om een stukje op te peuzelen. Tevreden zakte ik een beetje onderuit. Het was toch wel een belevenis, zo’n Ferragosto-lunch. De buurman stootte me met glimoogjes aan en gebaarde naar de volgende gang: een hele rij zelfgestookte likeur. Goed voor de spijsvertering, beweerde hij. Wonder boven wonder had Sonia’s buurman helemaal gelijk. Na een paar van die zelfgestookte drankjes te hebben geproefd, kon ik ’s avonds laat nog wel wat kliekjes wegwerken – onder goedkeurend geknik van Sonia en haar buren. ‘Bijna een Italiaanse,’ aldus de buurman. Dat smaakte naar meer!

Eenmaal terug in Amsterdam was ik dan ook erg blij met de aankondiging van de film Pranzo di Ferragosto die vorig jaar in de filmzalen draaide.

Gelukkig is de film nog steeds verkrijgbaar op dvd, zodat je ook in Nederland mee kunt genieten van deze feestelijke lunch. In Pranzo di Ferragosto wordt vrijgezel Gianni, die in een schemerig appartement in de Romeinse wijk Trastevere voor zijn stokoude moeder zorgt, opgezadeld met drie andere bejaarde dames.

 

De dames laten zich niet bepaald van hun beste kant zien. Ze sluiten zich op in hun logeerkamers, stelen voedsel, ruziën over de televisie, knijpen er tussenuit om zich te bedrinken… Gianni weet zich geen raad meer. Met veel geduld en liters Chablis probeert hij zich door het weekend heen te slaan en de dames alle vier tevreden te stellen.

Pranzo di Ferragosto is een heerlijk zomerse film. Je sluit de karakters ondanks hun vreemde trekjes direct in je hart en je leeft mee met Gianni, die er alles aan doet om de lunch niet in de soep te laten lopen.

Pranzo di Ferragosto is deels autobiografisch. De film werd voor een half miljoen euro opgenomen in het ouderlijk huis van regisseur Gianni di Gregorio, die tegelijk de hoofdrol op zich nam en de dialogen schreef. Precies in dat huis heeft Gianni zelf jarenlang zijn tachtigjarige moeder verzorgd. ‘Ik was in die tijd permanent beneveld,’ aldus Gianni. ‘En dan al ’s ochtends vroeg, hè, niet pas na de nodige likeurtjes na de lunch!’

  • Share/Bookmark
aug 10

Ja, je leest het goed! Zes bolletjes ijs is dagelijkse kost voor Roberto Coletti, eigenaar van Roberto Gelato in Utrecht. En ondanks het feit dat hij de keuze heeft uit een hele vitrine vol met de lekkerste smaken, kiest Roberto toch altijd weer voor chocolade en variegato amarena (yoghurtijs met amarena-kersen). Die vindt hij nu eenmaal het lekkerst.

‘IJs verveelt nooit,’ zo vertelt Roberto terwijl we op de ijshoornstoeltjes voor zijn ijssalon een ijsje eten. Hij dus een bolletje chocolade en een bolletje variegato amarena, ik een bolletje yoghurt en een bolletje bloedsinaasappel. ‘IJs is voor mij dan ook niets nieuws, ik ben er echt mee opgegroeid. Mijn overgrootvader, Giuseppe da Forno, had rond 1900 al een ijssalon in Krakau, in Polen. Mijn hele familie heeft wel iets met ijs. En niet alleen mijn familie: ook veel van mijn Italiaanse buren, vrienden en dorpsgenoten hebben van ijs hun werk kunnen maken.’

Roberto’s familie komt namelijk uit Pozzale di Cadore, een klein dorpje midden in de Italiaanse Alpen. Uit deze streek komen de meeste ijsbereiders die in Duitsland, Nederland en Oostenrijk een eigen ijssalon zijn begonnen. Roberto: ‘Met zoveel ijsbereiders in het dorp is het dan ook niet verwonderlijk dat er in de lente niet veel meer te beleven valt. Het hele dorp loopt leeg. In de winter, als de ijssalons dicht zijn, komen de ijsbereiders allemaal weer naar huis en is het er lekker druk. Dan word er over het ijsseizoen gesproken, worden er nieuwe smaken besproken of uitgedacht en worden er wedstrijden gehouden en cursussen gegeven, zodat we allemaal weer helemaal in vorm aan het nieuwe seizoen kunnen beginnen. En natuurlijk eten we ook dan veel ijs, al is het dan wat minder dan in de lente en de zomer hier in Nederland.’

Gelukkig deelt de vrouw van Roberto, Carlina, zijn passie voor ijs. Samen runnen ze Roberto’s Gelato, en samen bedenken ze keer op keer nieuwe smaken en nieuwe smaakcombinaties. Hoewel Carlina is geboren in Nederland, komt ook zij uit een echte Italiaanse ijsfamilie. ‘Mijn grootvader, Guido de Lorenzo, heeft ruim tachtig jaar geleden het woord ijssalon bedacht. Toen hij in 1928 naar Nederland kwam, kon je alleen bij een ijskar ijs kopen. Veel keuze was er niet: men kende alleen maar roomijs. Toen hij in Utrecht een echte ijssalon opende, moesten zijn buurtgenoten dan ook wel even wennen. Een salon waar je meerdere smaken ijs kon kopen, dat was toch iets heel anders dan zo’n ijskar. En al die smaken, wat moest men nu kiezen?’

Carlina’s grootvader besloot dan ook om een flink aantal ijskarretjes door heel Utrecht te verspreiden, zodat mensen aan zijn ijs zouden wennen. Carlina: ‘Hij noemde deze karretjes ‘zijn krukken’. Het ijs van mijn opa viel gelukkig al snel in de smaak. Bij de verkiezing voor de Utrechter van de eeuw, driekwart eeuw later, zat mijn grootvader bij de top 3. Zou elke Utrechter inmiddels verslingerd zijn geraakt aan het ijs van mijn opa?’

Carlina’s eerste bijbaantje was natuurlijk in de ijssalon van haar ouders, op de Oude Gracht. ‘Ik heb er met mijn zusje heel wat uren en zonnige dagen doorgebracht en heb er zelfs mijn eerste vriendje leren kennen. De ijssalon van mijn vader was heel innovatief; hij maakte in de jaren zeventig bijvoorbeeld al drop- en kaneelijs. Naast de ijssalon is mijn vader ook altijd actief geweest. Zo is hij een van de oprichters van de vereniging van Italiaanse ijsbereiders in Nederland, de ITAL. Ook was hij hoofdexaminator voor de vakopleiding tot meester ijsbereider.’

Carlina trad in de voetsporen van haar vader en grootvader. Samen met Roberto maakt ze nu elke dag het lekkerste ijs voor Roberto Gelato. ’s Ochtends vroeg, voordat de eerste mensen hun ijsje komen halen, maken ze samen alle smaken die ze die dag gaan verkopen. Natuurlijk wordt er elke dag wel vanille-, chocolade-, citroen- en aardbeienijs gemaakt (en variegato amarena natuurlijk, niet in het minst voor Roberto zelf), maar Roberto zou Roberto niet zijn als hij er niet voor zorgt dat er steeds ook bijzondere smaken in de vitrine liggen. Wat denk je bijvoorbeeld van wittevrouwen (kwark met honing en krokante sesam), capriccio (roomijs met karamel en gesuikerde pinda’s), frollini (met heerlijke Italiaanse chocoladekoekjes) of Sicilia (ijs van geroosterde amandelen en vijgen)?

Daarnaast maakt Roberto elke week een nieuwe smaak, die hij nog nooit eerder gemaakt heeft en die vaak ook alleen maar die week te proeven is. Roberto noemt deze smaak mai prima, nooit eerder, omdat hij hem dus nog nooit eerder gemaakt heeft. Carlina: ‘Roberto verzint een nieuwe ijssmaak meestal niet in de ijssalon. Hij krijgt de beste ideeën als we ergens anders zijn. Of ’s nachts, maar daar ben ik niet zo blij mee, want meestal maakt hij me dan wakker om zijn idee te delen.’

Gelukkig vallen Roberto’s ideeën meestal goed in de smaak. Al klinken sommige ijssoorten misschien eerst heel raar, Roberto weet er toch iets heel lekkers van te maken. Nooit gedacht bijvoorbeeld dat je van ansjovis ijs kan maken, maar het kan niet alleen: het smaakt ook nog eens heerlijk. Je proeft de zilte smaak van de ansjovis, maar tegelijk ook het romige van het ijs. Heel bijzonder! Roberto maakte zo ook al eens haringijs, bierijs, tomatenijs, kaasijs, sigarenijs en sesamijs. Geloof je niet dat deze ijssmaken lekker zijn? Ga dan zelf maar eens proeven bij Roberto en Carlina! Natuurlijk mag je ook een ‘gewone’ smaak kiezen, al zijn deze ijssmaken hier wel veel lekkerder. Dat komt onder andere door de ingrediënten die gebruikt worden, verklapt Roberto.

‘De mango’s voor ons mangoijs komen uit India, de citroenen worden natuurlijk op Sicilië geplukt en de pistachenoten komen uit het Siciliaanse Bronte. De vanille voor het vanille-ijs komt van Madagaskar, de hazelnoten uit Piëmonte en de chocolade van bij onze zuiderburen. Lekkerder krijg je het echt niet!’

Daar kan ik Roberto na een middag ijs proeven alleen maar gelijk in geven. Ik weet in elk geval dat ik hem vandaag meer dan verslagen heb; ik kan de bolletjes ijs die ik gegeten heb niet eens meer tellen! Het liefst zou ik, net als Roberto, elke dag een bolletje of zes eten, zeker van dit bijzonder lekkere mango, wittevrouwen- of bloedsinaasappelijs. Ik zou er bijna voor naar Utrecht verhuizen…

Wil je deze bijzondere ijservaring niet missen, Roberto en Carlina maken nog tot oktober elke dag opnieuw het lekkerste ijs. Je vindt hen aan de Poortstraat 93, in Utrecht, of op www.lekkerijs.nl. Voor iedereen die na een bezoek aan Roberto en Carlina ook thuis het lekkerste ijs wil maken, schreef Carlina het boekje Lekker! IJs.

Naast allemaal leuke weetjes over de geschiedenis van ijs geeft Carlina natuurlijk ook wat recepten prijs! Voor de lezers van Ciao tutti het recept voor wittevrouwenijs, genoemd naar de Utrechtse wijk waar Roberto en Carlina hun ijssalon hebben.

Wat heb je nodig?

voor ongeveer 12 bollen ijs

weegschaal
kunststof bewaarbak
grote kom
plastic lepel
blender of staafmixer

450 gram volle kwark*
120 gram volle melk*
50 gram slagroom*
80 gram vloeibare honing* (ik vind acaciahoning het lekkerst!)
100 gram sesamzaad

*Carlina heeft alle ingrediënten in grammen gezet, aangezien een weegschaal meestal veel nauwkeuriger is dan een maatbeker!

Meng eerst de kwark met de melk, slagroom en honing.

Als je een ijsmachine hebt, kun je deze mix nu in de machine doen. Als je geen ijsmachine hebt, zet je het mengsel in een plastic bak minstens 2 uur in de diepvries. Het ijs is klaar als het helemaal hard bevroren is. Voel even met een vork.

Als het ijs klaar is, schep je het in de blender om de ijskristallen te breken. Schep het ijs zo snel mogelijk uit de bak, mix het in de blender of met een staafmixer en schep het daarna terug in de bak. Zet de bak weer in de diepvries. Laat het ijs 5 minuten in de diepvries staan.

Strooi net voor je het ijs serveert het sesamzaad over het ijs. Als je geen sesamzaad kunt vinden, kun je ook een sesam-snackreep in stukken breken en die gebruiken.

  • Share/Bookmark
aug 08

Marta Morazzoni brengt elk jaar een vijfdaags bezoek aan Amsterdam, de stad van Anne Frank, Spinoza en Rembrandt. De stad van de bruine kroegen, van Albert Cuyp en het begijnhof; van het Vondelpark met zijn joggers en skaters en een hond achterop de fiets. Haar ervaringen tekende ze op in een persoonlijk reisverslag, Stad van het verlangen - Amsterdam.

Een heerlijk reisverslag van de Hollandse hoofdstad, maar dan met een Italiaanse inslag. Lees maar mee:

‘Als het vliegtuig de kustlijn volgt en over de grote zandduinen tussen Den Haag en Haarlem heen vliegt om te landen op Schiphol, het vliegveld dat ooit een meer was, zie je door het raampje een kronkelende waterslang die zich rekt tot in zee, waar ze haar venijnige muil openspert: de monding van het Noordzeekanaal, in IJmuiden, een van de twee grote toegangswegen tot de haven van Amsterdam. Als ik er zo naar kijk terwijl het vliegtuig langzaam hoogte verliest, en zie hoe het zoals altijd is gehuld in de donkere rookwolken van de grote fabrieken die erlangs liggen, bevestigt dat voor mijn gevoel onze behoefte om beelden te creëren, om in de vormen van de dingen andere vormen te zien, menselijke of dierlijke: een landschap waar we van bovenaf naar kijken voorzien we van een anatomie en een soort fysiologie, geven we een ziel en een wil.

De rookwolken uit de fabrieken versterken dan feilloos het beeld van de slang met de venijnige bek en maken er een Wagneriaanse draak van, die met zijn vurige gloed de toegang tot de grot met de schat bewaakt. Het goud van de legendarische maar ook historische Gouden Eeuw, het tijdperk waarin Nederland met haar hoofdstad in een oord van sobere overvloed veranderde, een symbool van tegenspraak en tolerantie in het door de Tachtigjarige Oorlog verscheurde Europa.

Op dit punt moet ik de Nederlandse historicus Johan Huizinga inderdaad gelijk geven: die grandioze, nijvere zeventiende eeuw, nog steeds de steunpilaar van het land, zouden we eigenlijk niet de Gouden Eeuw moeten noemen, want de materialen waarvan ze is gesmeed, van het hout tot de pek, van de teer tot de verf en de inkt, waren eigenlijk minder nobel maar wel duurzamer dan goud.

Ook dat is voor mij – inmiddels niet langer een willekeurige toerist maar nog altijd op bezoek in deze wereld – een goede reden om van Amsterdam en omgeving te houden. Het is een betrekkelijk kleine stad, de hoofdstad van een klein land waar je met de fiets omheen kunt rijden zonder echt getraind te zijn. De voortgejaagde groepsreiziger kan met een gerust hart zeggen dat hij Amsterdam ‘in twee dagen heeft gedaan’, en met een beetje goede wil zou hij daar best gelijk in kunnen hebben.

Stad en natie hebben in werkelijkheid een complexe geschiedenis, al hebben ze in onbetrouwbaar modderwater wortel moeten schieten. Twee dagen volstaan voor wie genoegen neemt met de gevels van de herenhuizen en een rondvaart door de voornaamste grachten, om uit te komen in de haven, die ooit aan zee lag en nu toegang biedt tot een groot zwanenmeer, het IJsselmeer, voorheen de Zuiderzee.

Ik moet toegeven dat deze zee, die niet langer zout is, dat dit meer waarvan de uiteindelijke oever ver weg en onzichtbaar is, zelfs de oppervlakkigste toerist op het eerste gezicht boeit en verontrust: Amsterdam was en blijft een van de voornaamste havens ter wereld, maar door de onneembare muur van de Afsluitdijk, negenentwintig kilometer beton, in 1892 ontworpen door Cornelis Lely en op 28 mei 1932 geopend, wordt de natuurlijke uitgang van haar enorme havenbekken hermetisch afgesloten. De schepen verlaten de haven via twee grote zijarmen: naar het oosten door het Amsterdam-Rijnkanaal, een verbinding die doorloopt tot de grens met Duitsland, naar het westen via het Noordzeekanaal, de slang met zijn opengesperde muil die door het rustige duinlandschap kronkelt. Twee machtige armen die de handel hartelijk verwelkomen.

Zoals ik al zei, past vrijwel alles binnen die twee dagen, inclusief een wandeling door de rosse buurt en een bezoekje aan een karakteristiek café, een van de bruine kroegen, steeds donkerder geworden door de tijd en door de rook van hele generaties stamgasten. En ook het Van Goghmuseum, waarvan de faam in de wereld van de kunsten inmiddels niet meer onderdoet voor die van het Rijksmuseum, zijn historische buurtgenoot, waar De Nachtwacht hangt. Naast die paar dingen, die misschien essentieel zijn, is er dan de rest van Amsterdam.

Of liever: is er Amsterdam. Het Amsterdam waarvan ik heel zeker weet dat ik het niet ken. Dat klinkt niet als een goed uitgangspunt voor iemand die zich heeft voorgenomen de eigen band met een stad van deze afmetingen en met deze geschiedenis zwart op wit te zetten. Maar het is wel een uitgangspunt dat – zonder dat ik me erachter probeer te verschuilen – stimulerend werkt voor mijn onderzoek naar alles wat ik nog wil weten en misschien nooit zal weten.

Ik zou hier een jaar lang moeten wonen, boodschappen doen, met mensen omgaan en niet alleen naar binnen kijken door de ramen zonder gordijnen. Ik zou een baan moeten hebben en liefst elke zondag op de fiets naar de tennisbaan gaan. Of bij de eerste tekenen van de zomer naar zee moeten gaan, naar een van die onafzienbare stranden waarlangs het bij zonsondergang zo prachtig wandelen is, met de gewaarwording dat er geen eind aan komt. Maar dat alles valt de toerist meestal niet ten deel, zelfs niet als hij vasthoudender is dan de gemiddelde hedendaagse reiziger, die flink zijn best moet doen om de wereld te zien voordat het te laat is.

Zelfs niet als hij wél de tijd en de wil opbrengt om terug te komen. Deze toerist maakt dan kennis met die toestand tussen het aanmatigende déjà vu-gevoel waardoor hij denkt dat hij tijd verliest, wordt geplaagd door de vage angst dat hij iets zou kunnen missen, en anderzijds de mogelijkheid ergens dieper in te duiken en iets waar hij op het eerste gezicht geen gewicht aan had gehecht beter te leren kennen.

Ik heb al een poosje de mogelijkheid om vijf dagen per jaar in Amsterdam door te brengen, niet veel maar wel een vast gegeven. Nu ik daaraan denk, schiet me een kort, merkwaardig verhaal van Borges te binnen, Het schrift van de god.

Een man zit gevangen in een krappe, donkere cel, doormidden gedeeld door een hekwerk waarachter, in een identieke ruimte, een gevlekt roofdier rusteloos rondloopt. Er sijpelt maar één minuut per dag wat licht in de cel door, als de gevangenbewaarder het luik opendoet, eerst voedsel in het hok van de gevangene laat zakken en daarna in dat van het roofdier. In die schaarse ogenblikken ziet de gevangene de vlekken op de vacht van het dier, dat net als hij is opgesloten, en hij begint na te denken, zich af te vragen of de speciale rangschikking van die vlekken niet door iets méér dan het toeval is gewild, door iets wat aan een zekere logica beantwoordt, een soort alfabet dat een zin vormt, een magisch woord, waarvan de ontraadseling de sleutel naar de vrijheid betekent, een geheimzinnig sesam open u waarna voor de gevangene het leven zou beginnen.

En elke dag weer concentreert de gevangene zich in de minuut die hij ter beschikking heeft op die vacht, om de logica ervan te achterhalen, de compositie waarvan de formule – daar is hij inmiddels van overtuigd – hem de vrijheid zou hergeven. Alle dagen, één minuut per dag, tot hij de betekenis, de oplossing van het raadsel te pakken heeft.

Omwille van de mensen die het niet kennen verraad ik de afloop van dit magistrale verhaal niet, maar ik herken bij mezelf een soortgelijk gedrag bij mijn Amsterdamse aanpak: elk jaar voegen die vijf dagen een steentje toe, of zet ik met meer vertrouwen een volgende stap naar dieper inzicht in de stad. Ik vind haar terug en ga door met mijn ontdekkingstocht, stukje bij beetje. Er is nog tijd genoeg voor alles wat ik niet weet.’

En dat is heel wat, getuige de 160 pagina’s van het boek die Amsterdam door Italiaanse ogen laten zien. En eerlijk gezegd: met Italiaanse ogen wordt Amsterdam nog een beetje mooier dan de stad al is!

Kijk voor meer informatie over Stad van het verlangen - Amsterdam op www.serenalibri.nl of bestel het boek bij bol.com via deze link.

  • Share/Bookmark
jul 29

Deze maand staat op Ciao tutti de Palio van Siena centraal. Maar de paardenrace in Siena is niet de enige Palio. Vandaag een greep uit de meest bijzondere Italiaanse Palio-tradities.

In Ferrara kennen ze net als in Siena de Palio als paardenrace. Sterker nog, de Palio di San Giorgio, zoals de race hier heet, is de oudste paardenrace ter wereld. Hoewel minder bekend dan de Palio van Siena, is de Palio van Ferrara zeker niet minder mooi om te zien.

Ook hier strijden de verschillende contrade tegen elkaar om een palio in de wacht te slepen. Het zijn echter niet alleen de paarden die de overwinning kunnen behalen. Elk weekend in mei kunnen de contrade punten in de wacht slepen. Er zijn wedstrijden voor vaandelzwaaiers en trommelaars en er is een feestelijke parade waarvoor de inwoners van Ferrara hun traditionele kledij uit de kast halen. De stoet voert naar het Castello Estense. Hier legt elke contrada een eed af aan de hertogen van de D’Este-familie.

Tijdens het laatste weekend van mei vindt dan de grande finale plaats. Het Piazza Ariosto, een groot ovaal plein met een verlaagd middenstuk, is verbouwd tot toneel voor de race. De Palio bestaat in Ferrara, anders dan in Siena, uit vier verschillende races: de race van de putti (jongens), de race van de putte (meisjes), de race van de asine (ezels), en – de belangrijkste – de race van de cavalli (paarden).

Net als in Siena werd de Palio in Ferrara twee keer per jaar gehouden: op 23 april ter ere van San Giorgio, de beschermheilige van de stad, en op 15 augustus ter ere van Maria Hemelvaart. Nu vinden alle feestelijkheden en races zoals gezegd in mei plaats. Wie echter op een ander moment in Ferrara verblijft, kan toch een glimp van de Palio opvangen. De fresco’s die de muren van de Salone dei Mesi in het Palazzo Schifanoia versieren, geven namelijk een aantal fragmenten van de Palio van 1471 weer. In dat jaar werd de Palio opgedragen aan Borso D’Este, die door paus Paulus II was benoemd tot Hertog van Ferrara. De race ging gepaard met extra veel feestelijkheden, zo getuigen ook de feestvierende mensen op de fresco’s.

Maakt een ezelrace in Ferrara deel uit van de Palio, in Asciano, een dorpje in Toscane, vindt op de tweede zondag van september een heuse Palio dei Ciuchi plaats, een ezelrace waar geen paard aan te pas komt. Wat in de jaren tachtig is begonnen als een parodie op de Palio van Siena, is inmiddels uitgegroeid tot een serieus evenement dat de sfeer in het stadje aardig in zijn greep houdt. Zeven stadswijken strijden om de eer. Ook hier weer een schitterende optocht voorafgaand aan de eigenlijke race. Hoewel, race… We hebben het hier natuurlijk wel over ezels en die zijn niet zo makkelijk als paarden. Het zou dus zo maar kunnen gebeuren dat een paar rondjes een uur in beslag nemen, als de ezels überhaupt de ene poot voor de andere willen zetten.

Een dergelijke ezelrace wordt elk jaar ook in Asti, een stadje in Piemonte, georganiseerd. Hier barst de strijd echter niet los tussen wijken onderling, maar tussen twee verschillende steden, Asti en Alba, hetgeen het allemaal nog spannender maakt. De rivaliteit kan hoog oplopen! De inwoners van Asti, organiseerden voor het eerst een paardenrace in 1275. De race werd gehouden ter ere van San Lorenzo, de patroonheilige van Alba. Aangezien de race net buiten de stadsmuren plaatsvond, bleef hij voor de inwoners van het naastgelegen Alba niet bepaald onopgemerkt. Zij besloten hun buren te imiteren en zetten zelf een race op poten, maar dan binnen de eigen stadsmuren. Deze race zou echter niet met paarden maar met ezels worden gereden.

Na een jarenlange onderlinge strijd besloten beide gemeenten in 1967 samen een ezelrace op touw te zetten, waarbij de twee steden het tegen elkaar op moesten nemen. Op de eerste zondag van oktober worden beide stadjes in oude luister hersteld. Alleen daarom is het al leuk om deze ezelrace een keer mee te maken. De Palio is tevens de opening van de Fiera del Tartufo, de truffelbeurs. Net als in Asciano doen de ezels precies waar ze zin in hebben en kun je niet altijd van een echte race spreken. Meer dan bij de andere races is het in Asti echter wel zaak om niet als laatste over de finish te hobbelen. De wijk die namelijk als allerlaatste over de streep komt, krijgt voor straf een ansjovis. Het jaar erop moet die wijk de catering van het evenement verzorgen, waarbij de gerechten worden gemaakt op basis van… juist, ja: ansjovis.

In Montepulciano hadden ze een vooruitziender blik: niks geen paarden, ezels en al zeker geen ansjovis als straf. Nee, in dit kleine Toscaanse dorpje rollen elke laatste zondag van augustus de wijnvaten door de straten!

  

Tijdens de Bravio delle Botti, de race van de wijnvaten, nemen de verschillende stadsdelen het tegen elkaar op door enorm zware wijnvaten (ik hoorde vorig jaar zeer uiteenlopende gewichten genoemd worden door de omstanders, van tachtig tot wel tweehonderdvijftig kilo) tegen de heuvel op te rollen. De race wordt ook hier voorafgegaan door een stoet van mensen in middeleeuwse kledij, maar het heeft ook wel wat om al die mannen met ontbloot bovenlijf te zien ploeteren. Bij de Palio gaat het – als er tenminste paarden aan te pas komen – vaak zo snel dat je geen idee hebt wat er gebeurt, maar tijdens deze wijnvatenrace kun je in alle rust kijken, aanmoedigen en foto’s maken. De race wordt afgesloten met een feestelijke maaltijd op het Piazza Grande, waarbij de wijn uit de vaten natuurlijk als eerste soldaat wordt gemaakt.

In Gubbio ten slotte moet je de laatste zondag van mei goed uit je ogen kijken. Hier vindt dan namelijk de traditionele Palio della Balestra plaats, een wedstrijd kruisboogschieten.

Op het Piazza della Signoria zoeven de pijlen met een enorme snelheid op hun doel af, de roos van een schietschijf die op 36 meter afstand is geplaatst. Doordat het lijkt alsof alle pijlen in de roos belanden, is het vaak ondoenlijk om uit te maken wie de winnaar is. Dit levert hoogoplopende, verhitte Italiaanse discussies op, zeker omdat ook hier weer twee dorpjes tegen elkaar strijden. De inwoners van Gubbio nemen het op tegen de dorpelingen van Sansepolcro, dat even verderop ligt. Maar zodra duidelijk wordt wie de winnaar is, is alle strijd vergeten en kan het grote feestvieren beginnen!

  • Share/Bookmark
jul 08

Deze kreet echoot tijdens de honderd dagen voorafgaand aan de Palio door de wijk Civetta. Alle contradaioli, jong en oud, zingen uit volle borst het volkslied van de contrada, hetgeen de overwinning zou moeten afdwingen. Luister maar mee!

Luister naar Civetta va

Il Castellare è tutto in festa;
quanta letizia c’è nei nostri cuori!
Inneggiamo alla Civetta,
inneggiamo ai suoi colori.
Sventola al vento la Bandiera,
rulla il tamburo, tutti a te corriam;
per te fremiam,
per te cantiam
un inno di passion.

Civetta và,
Civetta và,
tu gloria e vanto sei di tutta la città.
Civetta và,
Civetta và,
sei Priora e fieri ci sentiam.

Ecco alla mossa già i fantini andar,
freme la Piazza e urla piena di passion.
Per te soltanto
noi viviamo l’incanto
di una corsa che il cuore soffrirà…

Civetta và,
Civetta và,
Palio stasera si festeggerà!

Piazza del Campo è tutta in festa:
Siena ritorna come ai tempi d’or!
Suona lento il campanone,
torna Cecco tra di noi.
Tutti in Contrada questa sera.
Il cavallino benedetto è già.
Ora corriam,
ora cantiam,
un inno di passion…

Maar er wordt niet alleen gezongen; alles wordt uit de kast gehaald om ervoor te zorgen dat Castellare, waar het hoofdkwartier van Civetta gevestigd is, de overwinning op zijn naam mag schrijven. Iemand van buiten Siena kan zich vaak nauwelijks iets voorstellen bij al deze commotie, maar voor de Sienezen is de Palio het belangrijkste hoogtepunt van het jaar.

John Appel heeft dat gevoel een aantal jaren geleden perfect tot uiting weten te brengen in zijn documentaire The Last Victory, waarin twee inwoners van Civetta tijdens de dagen voorafgaand aan de Palio worden gevolgd en geïnterviewd. Hoofdpersoon van de film is Egidio, de 92-jarige nestor van Civetta. Een vitale oude man, met als grootste wens dat zijn wijk nog één keer de Palio weet te winnen. Alleen dan kan hij rustig sterven, aldus Egidio.

Egidio neemt John Appel mee naar het hoofdkwartier van zijn contrada, naar het diner op de avond voorafgaand aan de Palio en naar de stal waar het paard wordt verzorgd door de 21-jarige Paolo, die de Palio voor het eerst als stalknecht meemaakt. Hij vertegenwoordigt de jonge generatie wijkgenoten die nog nooit een overwinning heeft gezien. Civetta had namelijk op het moment van filmen (2003) al sinds 1979 geen enkele overwinning meer weten te behalen.

De film vertelt het kleinere persoonlijke verhaal van de verschillende hoofdpersonen terwijl ze zich voorbereiden op de race. Hun levenslot, verdriet, nostalgie en geluksmomenten. Zo kijkt Egidio de Palio niet op het Piazza del Campo of met andere contradaioli in Castellare, maar thuis, met zijn hoofd bijna in de televisie, omdat hij de spanning anders niet meer aan kan. Zo kan hij ook beter zijn teleurstelling verwerken, als blijkt dat Civetta wederom naast de vaandel grijpt.

Na het kijken van The Last Victory begrijp je pas echt wat de Palio voor de inwoners van Siena betekent. De film toont de saamhorigheid van een wijk die leeft tussen hoop en teleurstelling, hoe de Palio is ingebed in een kleine maar hechte samenleving. Politiek, religie, traditie en bijgeloof zijn er allemaal mee verweven. Voor de Sienezen is de Palio niet slechts een evenement van één dag, of een toeristische trekpleister, nee, het is veel meer dan dat: het is een manier van leven.

Dat bleek vorig jaar augustus wel, toen Civetta tijdens de Palio van 16 augustus, na jarenlang te hebben verloren, als eerste over de finish kwam. Aangezien ook na het verschijnen van The Last Victory geen succes meer was geboekt, waren de Civettini uitzinnig van vreugde. Ik stond midden op het Piazza del Campo en wist niet wat me overkwam. Van alle kanten renden uitzinnige ‘uiltjes’ naar het paard (de befaamde Istriceddu) en Brio (alias Andrea Mari), de ruiter. De eerste minuten had ik al mijn aandacht nodig om in die golvende massa op de been te blijven.

Toen de rust op het plein weer ietwat was teruggekeerd, trokken de meeste Civettini naar de Duomo, om Maria te bedanken voor deze overwinning. Het paard en de ruiter voorop, en daarachter een stoet lachende, huilende, biddende en zingende contradaioli. Na een ererondje in de kerk trok de hele stoet naar Castellare, waar het feest uiteraard werd voortgezet. De klok van het kerkje van Civetta weerklonk onophoudelijk, de deuren van het museum werden wijd opengezet, de rode wijn vloeide rijkelijk en de meeste mannen en jongens bleven tot diep in de nacht rondjes door de wijk lopen, uiteraard met de gewonnen Palio maar natuurlijk ook met een heel leger aan trommelaars en vaandeldragers.

Uiteraard was ik erg benieuwd of Egidio deze overwinning nog mee had mogen maken. Ik besloot een van de vrouwen die bij de deur van het museum zat naar hem te vragen. Tot mijn grote verrassing nam ze me bij de hand en bracht ze me bij Egidio, inmiddels 98 jaar oud maar dolgelukkig na deze overwinning. Hij straalde van oor tot oor en brabbelde onophoudelijk ‘Abbiamo vinto, abbiamo vinto!’, ‘We hebben gewonnen, we hebben gewonnen!’. Ik feliciteerde hem met de overwinning en we toostten op het feit dat zijn grootste wens in vervulling was gegaan. Hij liet vol trots de fontein van Civetta zien, een vliegende uil van brons die hoog boven de hoofden van de contradaioli over de binnenplaats van Castellare vliegt. Uiteraard moest ook het museum worden bezocht, waarbij Egidio met tranen in zijn ogen vertelde over de overwinning van 1979.

Na al die verhalen was het inmiddels vreselijk laat geworden, maar buiten liepen de trommelaars nog even enthousiast rond. Tot diep in de nacht zou het overwinningslied door de stad schallen. Egidio en ik namen afscheid en ik sprak de wens uit dat we bij de eerstvolgende overwinning wederom samen zouden toosten. Of Civetta mag deelnemen aan de Palio van augustus is afhankelijk van de trekking op 11 juli. Er zijn nog drie plaatsen vrij voor 10 contrade. Giraffa, Leocorno, Istrice, Civetta, Onda, Lupa, Chiocciola, Pantera, Torre en Aquila maken allemaal nog kans op een startplaats. Op 2 juli 2011 doet Civetta zeker mee, maar of Egidio dat nog mag meemaken… Speriamo!

  • Share/Bookmark
Getagd met:
jul 01

Vanaf vandaag verblijven we een maand in Siena, waar de voorbereidingen voor de Palio, de paardenrace die de hele stad wekenlang in zijn greep houdt, in volle hevigheid zijn losgebarsten. Maar paarden zijn bij lange na niet de enige dieren die je in aanloop naar de Palio in Siena tegen komt. Lees en wandel mee door de verschillende wijken van de stad en ontdek de meest bijzondere beesten!

Siena is verdeeld in 17 verschillende wijken, contrade genaamd. Elke contrada heeft zijn eigen grondgebied, zijn eigen kerk, zijn eigen fontein, zijn eigen hechte gemeenschap… en zijn eigen dier. Dat dier kom je in deze tijd van het jaar op elke straathoek tegen: op vlaggen, halsdoeken, kaartjes, stickers, aanstekers, aanplakbiljetten, actiefoto’s en T-shirts. Van A tot en met Z kent Siena de volgende beesten een belangrijke rol toe:

aquila – adelaar
bruco – rups
chiocciola – slak
civetta – uil
drago – draak
giraffa – giraffe
istrice – stekelvarken
leocorno – eenhoorn
lupa – wolvin
nicchio – schelp
oca – gans
onda – golf (met een vrolijke dolfijn)
pantera – panter
selva – woud (met een flinke neushoorn)
tartuca – schildpad
torre – toren (die wordt gedragen door een olifant)
valdimontone – ram

Op dit kaartje zie je precies welk deel van de stad tot welke contrade behoort:

Istrice – Stekelvarken
In het noordwesten vind je de Contrada Sovrana dell’Istrice, de grootste van de stad. Het motto van deze contradaioli, de inwoners van de wijk, is het stekelvarken op het lijf geschreven: ‘Sol per difeso pungo’ – ‘Ik prik slechts om me te verdedigen’. De keuze voor het stekelvarken is gezien de ligging van de wijk, zo aan de rand van de stad, niet verwonderlijk; op het platteland rondom Siena komen immers nog veel stekelvarkens voor. Aangezien het stekelvarken bekend staat om zijn onverschrokken karakter, dient hij als voorbeeld voor alle contradaioli, van jong tot oud. Onverschrokken dalen ze steeds opnieuw af naar het Piazza del Campo om hun paard naar de overwinning te juichen.

Lupa – Wolvin
Istrice grenst aan de Contrada della Lupa. Het symbool van deze contrade is ontleend aan Rome: de wolvin die twee jonge kinderen zoogt. Volgens de overlevering zou Siena gesticht zijn door afstammelingen van Remus, maar daarover later deze maand meer. Het eerste wat opvalt als je door de wijk van de wolvin loopt, is dat ze haar tanden ontbloot als er ook maar een stekelvarken in de buurt komt. In de loop der eeuwen zijn er zeer hevige vijandschappen ontstaan in de strijd op het Piazza del Campo. Zeker als beide contrade meedoen aan dezelfde Palio, is de sfeer vaak om te snijden. Ook binnen families kan dit tot uitbarsting komen. Je behoort namelijk tot de contrada waarin je bent geboren. Mocht iemand dus in een andere contrada ter wereld komen dan zijn moeder en/of vader, dan wordt ook gelijk de verdeeldheid geboren.

Drago – draak
Ten zuiden van Lupa vind je de Contrada del Drago, half slang en half vogel. Volgens de Sienezen zou het zelfs om een vrouwelijke draak gaan, die nog meer magie door haar aderen zou hebben stromen dan de mannelijke variant. De beschermvrouwe van de wijk van de draak is de beschermvrouwe van heel Siena, de heilige Caterina. Op het pleintje voor de kerk zie je echter niet alleen de vaandelzwaaiers en trommelaars van de Contrada del Drago oefenen, ook de contradaioli van de aangrenzende wijken laten daar graag hun kunsten zien. Een schitterend schouwspel, want de een doet natuurlijk niet graag onder voor de ander!

Oca – Gans
Een van de contrade die aan Drago grenst, is de Nobile Contrada dell’Oca. Vanaf het moment dat men de winnaars van de Palio heeft geregistreerd, staat de naam Oca het vaakst in de boeken. Het paard met de kleuren groen en oranje ging vaak als eerste over de finish, en daar zijn de contradaioli maar wat trots op. Dankzij Oca kennen we ook een tweede Palio, in augustus. In 1701 voor het eerst georganiseerd door (en op kosten van) de wijk van de gans, en inmiddels gemeengoed. Oca wist ook een van de meest bijzondere races te winnen, de Palio della Luna. Deze bijnaam werd gegeven aan de paardenrace van 1969, hetzelfde jaar waarin de mens voor het eerst voet op de maan zette.

Civetta – Uil
Wanneer je iets verder naar het noorden loopt, beland je in de Contrada Priori di Civetta, die haar hoofdkwartier in Castellare heeft, een middeleeuwse verzameling huizen rondom een binnenplaats. Naast de uil staat Cecco Angiolieri, een belangrijke Sienese dichter, in het middelpunt van de aandacht. Hij was verliefd op zijn wijk, en zijn wijk is verliefd op zijn woorden. Ze weerklinken te pas en te onpas en worden vooral aangewend om de schoonheid van de kleinste contrada van de stad uit te drukken.

Bruco – Rups
Ten noordwesten van Civetta beland je in de Nobile Contrada del Bruco, het kleinste diertje aan de Sienese totem. Deze wijk werd voorheen vooral bevolkt door textielarbeiders, die zijden stoffen in alle kleuren van de regenboog fabriceerden. Bruco moet de grote kerk in de wijk, de San Francesco, delen met de aangrenzende contrada. Zo kom je de kerk binnen als rups, en kniel je na een uitzonderlijke transformatie te hebben ondergaan, voor het altaar neer als giraf.

Giraffa – Giraf
De Imperiale Contrada della Giraffa grenst zoals gezegd aan de Contrada del Bruco. Op het grondgebied van Giraffa bevindt zich de kerk Santa Maria di Provenzano, de Maria aan wie elk jaar de Palio van juli wordt gewijd. De contradaioli van de winnende contrada rennen na hun behaalde zege zo snel mogelijk naar deze kerk, om een danklied voor Maria te laten klinken en het gewonnen vaandel te tonen. De winnende contrada van de Palio van augustus trekt overigens naar de Duomo, om de Maria aldaar te eren. Eeuwenlang was Bruco de grote vijand van Giraffa, maar inmiddels is de harmonie wedergekeerd. Al ben ik benieuwd hoe dat gaat als ze morgen beide op het Piazza del Campo moeten aantreden…

Leocorno – Eenhoorn
In het oosten grenst Giraffa aan de Contrada del Leocorno, die door de contradaioli ook wel liefkozend Leco wordt genoemd. De inwoners beroepen zich op de magische krachten van dit bijzondere dier, die absoluut niet verward mag worden met een gewoon paard. In het museum van Leocorno is een grote, eeuwenoude klok te bewonderen: de Martinella, die dateert uit de tijd van de slag om Montaperti, waarbij de Florentijnen in de pan werden gehakt. Die vechtersmentaliteit zit de contradaioli van Leocorno nog steeds in hun bloed; ze trekken voorafgaand aan de Palio door de hele stad om hun kracht tentoon te spreiden.

Nicchio – Schelp
De Nobile Contrada del Nicchio is een enorme sint-jakobsschelp, een heilig dier volgens de Sienezen. Niet voor niets prijkte deze schelp in de middeleeuwen op de mantels en stokken van de pelgrims die naar Santiago di Compostela trokken. De schelp staat volgens de contradaioli daarom ook voor een spirituele zoektocht, een zoektocht naar God. Naast deze zoektocht heeft Nicchio ook schoonheid hoog in het vaandel staan. Met de witte schelp, het rode koraal en de hemelsblauwe achtergrond is het wapen van Nicchio een van de meest elegante van de stad, en de kostuums van de contradaioli zijn prachtig om te zien. Vorig jaar won Nicchio dan ook terecht de prijs voor de mooiste vertoning!

Valdimontone – Vallei van de ram
De Contrada di Valdimontone ligt in het oosten van de stad, rondom de Santa Maria dei Servi. Hun onderkomen is ontworpen door Giovanni Michelucci, de bekende Italiaanse architect die ook het station van Florence op zijn naam heeft staan. Hier komen de contradaioli bijeen om te praten, een strategie uit te denken, samen te eten, feest te vieren of elkaar te troosten als het paard naast de overwinning heeft gegrepen. Met name de avond voorafgaand aan de Palio is het hier een drukte van belang, dan zitten alle contradaioli aan lange tafels. Ze eten gezamenlijk, bidden voor een goede afloop de dag erna en zingen vrolijke strijdliederen die de ruiter het volste vertrouwen in de overwinning moeten geven. Uiteraard schuift daags erna ook het paard aan, als de overwinning binnen is!

Torre – Toren
De Contrada delle Torre wordt gedragen door een vreselijk sterke kracht, gesymboliseerd door een olifant. Voor 1900 bracht deze olifant niet alleen de toren naar het veilige onderkomen van de wijk, maar wist hij ook vele malen de overwinning binnen te slepen. Sindsdien wist het paard van de Contrada della Torre nog maar een aantal overwinningen te behalen. Legendarisch is de Palio van 16 augustus 2004, toen Torre na 44 jaar weer een vaandel mee naar huis wist te nemen. Een oude inwoner van de wijk schreef aan de paus om te bidden voor de overwinning van Torre. Johannes Paulus II gaf er graag gehoor aan, en zo konden de contradaioli na lange tijd weer feestend door de straten van Siena trekken, waarbij ze vooral Oca en Onda probeerden jaloers te maken.

Onda – Golf
De Contrada Capitana dell’Onda heeft een vrolijke dolfijn als symbool gekozen. Deze contrada draagt de erenaam ‘capitana’ omdat de contradaioli in vroeger tijden belast waren met de bewaking van zowel het Palazzo Pubblico (dat met zijn rug naar Onda wijst) als de Tyrrheense kust. Een doorn in het oog van Torre, die Onda’s grootste vijand is. Op het Piazza del Mercato treffen de groepen elkaar vaak en dat loopt wel eens uit de hand. Zo werden de capitani van beide contrade in 1642 uitgesloten van alle publieke optredens, omdat ze hun contradaioli er niet toe aan konden zetten de vrede te bewaren. Onda bevindt zich nu gelukkig in iets rustiger vaarwater; vooral letizia (vreugde) staat bij de contradaioli hoog in het vaandel. Of dat eerder tot een overwinning leidt zullen we morgen zien…

Tartuca – Schildpad
De Contrada della Tartuca heerst in het oudste en hoogste gedeelte van de stad, Castelvecchio genaamd. De inwoners zijn niet alleen trots op de geschiedenis van hun wijk, maar zeker ook op hun dier, ook al lijkt de schildpad dan misschien niet handig gekozen voor een strijd die met name om snelheid gaat. Toch wist Tartuca vorig jaar juli de overwinning binnen te halen. De grootste tegenstander, Chiocciola, is gelukkig eveneens erg langzaam, waardoor een bitterder strijd losbarst dan tegen de ‘snellere’ dieren, met wisselend resultaat. In 1686 maken beide contrade het zo bont dat ze allebei van deelname worden uitgesloten. Gelukkig zijn de gemoederen nu ietwat bedaard, alhoewel Chiocciola natuurlijk wel op een overwinning aast, nu Tartuca vorig jaar zo’n succesvolle race kende.

Chiocciola – Slak
Helemaal in het uiterste zuiden van de stad ligt de Contrada della Chiocciola. Deze contrada heeft sterke banden met Venetië en de beschermheer van Chiocciola is dan ook niemand minder dan San Marco. Hoewel je bij een slak misschien in eerste instantie niet aan een groot, sterk beest denkt, ligt dat voor de contradaioli duidelijk heel anders. Zoals een van hen probeerde uit te leggen: ‘Diep in ons hart herbergen wij een beeld van een enorme slak, in wiens schaduw alle contradaioli bescherming kunnen vinden.’ Ruim baan voor de slak dus!

Pantera – Panter
De Contrada della Pantera werd volgens overlevering vooral bewoond door kooplieden uit Lucca, die hun stadssymbool aan deze middelgrote contrada gaven. De contrada bevindt zich op het hoogstgelegen punt van de stad, vanwaar hij als het ware over de rest probeert te domineren. Vooral Aquila, de grootste vijand van Pantera, moet het vaak ontgelden. In juli 2006 was de spanning tussen beide contrade te snijden. Tot 10 centimeter van de finish leek het er namelijk op dat Aquila de overwinning mee naar huis zou nemen, maar tijdens de laatste seconden wist Pantera nog net aan kop te geraken. Sindsdien is de sfeer tussen de contradaioli niet verbeterd, maar gelukkig neemt morgen alleen Aquila deel aan de Palio. Wanneer Aquila niet wint, is het in elk geval niet de schuld van Pantera…

Selva – Woud
De neushoorn in het woud staat symbool voor de Contrada della Selva, hetgeen deze wijk tot de meest exotische van heel Siena maakt. De contradaioli staan vooral bekend om hun gastvrijheid en solidariteit. Niet voor niets bevindt het duizend jaar oude ziekenhuis zich juist binnen de grenzen van deze contrada. Deze solidariteit gaat zelfs zo ver dat Selva geen vijandelijke contrade kent. Hoewel de contradaioli in de negentiende eeuw nog geen stadsgenoten uit de wijk Pantera konden luchten of zien, is inmiddels met elke contrada vrede gesloten.

Aquila – Adelaar
De Nobile Contrada dell’Aquila daarentegen kan Pantera zoals gezegd met huid en haar opvreten. De zwarte adelaar is dan ook niet een beest waar je de spot mee kunt drijven. Zelfs Dante was zeer onder de indruk van deze vogel, dus de contradaioli vinden dat ook Pantera maar een toontje lager moet zingen. Zeker na die vreselijk vernederende nederlaag van 2006. Daar moet ik wel even bij vermelden dat deze vijandige houding niet alleen bij de Palio hoort. Bij het naderen van de herfst wordt de strijdbijl begraven tot de volgende Palio zich aandient. In de tussentijd heerst er in Siena een grote solidariteit tussen de inwoners van alle contrade. Dan schiet een contradaiolo van Aquila zijn Pantera-buurman als eerste te hulp!

  • Share/Bookmark
Getagd met:
jun 27

We blijven vandaag nog even op Sicilië, dankzij het prachtige kookboek van Loes Jansen Miraglia, Sicilicious. Aan de hand van authentieke, streekgebonden recepten, informatie over regionale producten en mythologische, cultuurhistorische, religieuze en folkloristische verhalen neemt Loes je mee op een culinaire ontdekkingstocht over het eiland dat ze als geen ander kent. Direct na haar huwelijk met de Siciliaanse Alessio werd ze door diens familie (en door hem zelf!) ingewijd in de geheimen van de Siciliaanse keuken. Nonna Tina gaf haar het recept van haar wereldberoemde limoncello, terwijl andere familieleden hun succesrecepten voor onder andere caponata, risotto en cassata met haar deelden. Zio Sebastiano tekende voor alle wijnadviezen en zoontje Thomas fungeerde graag als hulpkok en als eerste proefpersoon. Loes woont samen met haar Siciliaanse gezin aan de voet van de Etna, maar op zoek naar traditionele recepten reist ze vaak en graag het eiland over.

In Monreale, een op de punt van een berg gelegen stadje ten zuidwesten van Palermo, vond ze het recept voor biscotti di Monreale, koekjes uit Monreale. Tomasi di Lampedusa schreef in zijn roman Il Gattopardo al dat deze koekjes gegeten werden tijdens het ontbijt, vergezeld van een sterk kopje koffie. Ook nu nog worden de koekjes vaak vroeg in de ochtend gegeten. In de zestiende eeuw werden de koekjes gebakken door de nonnen van het benedictijner klooster in Monreale, San Castrense. Nu zijn het niet de nonnen die elke nacht het deeg kneden, maar de plaatselijke bakkers. Maar met het recept van Loes haal je deze lekkernij heel gemakkelijk naar Nederland!

Biscotti di Monreale

Ingrediënten:
(voor circa 18 koeken)

voor het deeg:
1 eierdooier
1 kg bloem (van het Italiaanse type 00)
300 ml melk
200 g suiker
200 g reuzel, plus wat extra om de bakplaat in te vetten
1 zakje vanillesuiker

voor het glazuur:
1 eiwit
1 eetlepel citroensap
175 g poedersuiker
1 flinke eetlepel water

Verwarm de oven voor op 200 °C. Meng de bloem met de eierdooier, de melk, de suiker, de reuzel en de vanillesuiker. Kneed net zo lang totdat er een stevig deeg ontstaat. Maak koeken in de vorm van een S (circa 2 cm breed en 12 cm lang) en leg deze op een met reuzel ingevette bakplaat. Bak de koeken 10 tot 15 minuten in de voorverwarmde oven.

Klop voor het glazuur het eiwit met het citroensap op. Verhit de poedersuiker al roerend met 1 flinke eetlepel water op matig vuur, totdat de suiker gesmolten is. Haal het pannetje van het vuur en roer de poedersuiker snel door het eiwitmengsel heen.

Haal de koeken uit de oven en bestrijk ze met het glazuur. Laat de koeken daarna afkoelen en serveer ze als ontbijt, bijvoorbeeld met een kom warme melk, of als laat-op-de-middag-tussendoortje met een glaasje moscato.

Mocht je trouwens in Monreale zijn, neem dan vooral even een kijkje in de monumentale kathedraal, het hoogtepunt van de Arabisch-Normandische bouwkunst op Sicilië. Het hele schip, de zijbeuken, het koor, het transept en de apsis zijn bedekt met de schitterendste mozaïeken, met episoden uit het Oude en Nieuwe Testament en in de apsis Christus Pantocrator. Bezoek ook de kloostergang van het naastgelegen klooster, met maar liefst 228 dubbele zuilen in Normandische stijl.

Kun je na het lezen van Ciao tutti van vandaag maar geen genoeg krijgen van Sicilië maar heb je je vakantieplannen al gemaakt? Geen probleem, met Sicilicious creëer je de sfeer van het eiland ook heel gemakkelijk in je eigen keuken. De Siciliaanse eetcultuur, met Griekse, Romeinse, Arabische, Spaanse en Scandinavische invloeden, is heel gevarieerd. Eenvoudige boerengerechten als matarocco (koude tomatensoep) staan tegenover de aristocratische overdaad van timballo di maccheroni (macaronitaart); eeuwenoude recepten als maccu (tuinbonenpuree uit de Romeinse tijd), pasta con le sarde (pasta met sardines uit de tijd van de Arabische overheersing) worden afgewisseld met modernere recepten als risotto con le fragole (aardbeienrisotto). De verrassend originele recepten (seizoensgebonden en met verse ingrediënten gemaakt), de achtergrondinformatie bij de gerechten en de ingrediënten, de wijnadviezen en de zonnige fotografie maken Sicilicious net zo fascinerend als het eiland in het hart van het Middellandse Zeegebied…

  • Share/Bookmark
Getagd met:
preload preload preload