mrt 21

Het valt niet mee De naam van de roos te benoemen. Is het een middeleeuwse kroniek, een detective, een ideologische sleutelroman of een allegorie? Wie één oog dichtknijpt en in het boek kijkt als in een ver verwijderde spiegel, zal in elk geval gemakkelijk de monnikskappen en kardinaalsmijters uit de middeleeuwse dagen verwarren met de moderne tekens van macht.

De naam van de roos verscheen precies dertig jaar geleden. Het wordt beschouwd als Umberto Eco’s oerwerk; de roman vormde het begin van een subliem schrijverschap. Nu, na drie decennia, vond Eco het tijd om zijn meesterwerk weer eens opnieuw woord voor woord na te lopen, en te voorzien van de nodige aanvullingen en uitbreidingen. Zoals hij het zelf zegt:

‘In deze herziene, gecorrigeerde uitgave van mijn roman van dertig jaar geleden veranderen de wijzigingen die ik her en der in de oorspronkelijke tekst heb aangebracht noch de narratieve structuur, noch de stijl, die geen andere kan zijn dan die van een middeleeuwse chroniqueur. Ik heb een aantal termen die ik een paar bladzijden van elkaar herhaal verwijderd, en veel ingrepen hebben te maken met het ritme, want je hoeft maar een bijvoeglijk naamwoord weg te halen of een tussenzin te schrappen en de hele zin wordt luchtiger. Ik ben te werk gegaan als een tandarts die een prothese heeft aangebracht bij een patiënt, en die patiënt heeft het gevoel dat hij een steen in zijn mond heeft: hij haalt er even de boor overheen en de tanden staan meteen beter op elkaar.

Ik heb er een paar foutjes uitgehaald die te wijten waren aan een haastige vertaling van de middeleeuwse bronnen; ik was bijvoorbeeld in een herbarium uit die tijd cicerbita tegengekomen (wat een soort cichorei is) en had daar cucurbita van gemaakt, waardoor het een pompoen werd, en pompoenen kenden ze nog niet in de Middeleeuwen. Die kwamen pas later naar Europa, uit Noord- en Zuid-Amerika. Zo had ik ook onterecht melding gemaakt van paprika’s en een violino – een viool –, die in die tijd niets anders kon zijn dan een viella, een vedel.

Op een bepaald moment zegt Adson dat hij iets in een paar seconden heeft gedaan, terwijl de seconde als tijdseenheid in de Middeleeuwen niet bestond. Je zou – gezien het feit dat het verhaal een vertaling lijkt van een negentiende-eeuwse Franse versie van een middeleeuwse tekst – natuurlijk kunnen zeggen dat die seconden best aan mijn abt Vallet konden worden toegeschreven, en dat ik me dus niet druk had hoeven maken. Maar als je eenmaal hebt besloten te herzien en te corrigeren, word je pietluttig. De grootste veranderingen (maar het gaat nog steeds om weinig regels) betreffen de beschrijving van het gezicht van de bibliothecaris, waarin ik een al te ostentatieve verwijzing naar de neogotiek wilde schrappen, en sommige Latijnse citaten.

Het Latijn was en blijft van wezenlijk belang om de lotgevallen een kloosterlijk tintje te geven en bepaalde verwijzingen naar ideeën uit die tijd geloofwaardig en authentiek te doen overkomen. Anderzijds wil ik mijn lezer altijd enige tucht opleggen. Maar ik vond het vervelend dat een aantal lezers mij vertelden dat ze zich voor sommige citaten genoodzaakt zagen een Latijns woordenboek te raadplegen. Dat ging me wat al te ver, zo raakten ze uit het verhaal. Mijzelf stoorde het niet, en stoort het nog steeds niet dat er Latijnse citaten in staan, vooral niet als het alleen maar boektitels zijn; ze helpen om afstand tot het heden te creëren. Maar in een aantal gevallen merkte ik dat als je het citaat niet snapte, je niet goed kon begrijpen wat ik vertelde.

[…]

Voor het overige zijn de veranderingen, zoals ik al zei, niet aangebracht ten faveure van de lezer, maar ten faveure van mijzelf als herlezer, om me stilistisch meer op mijn gemak te voelen daar waar het vertoog mij enigszins hijgerig leek.’

Eco’s herziening maakt De naam van de roos nog virtuozer, en vooral: nog altijd actueel in tijden waarin macht in elk leven verweven is. Een goede reden dus om het verhaal nog eens heerlijk te herlezen!

De naam van de roos
Umberto Eco
vertaald door Jenny Tuin & Pietha de Voogd
ISBN 9789044620443
€ 19,95
uitgeverij Prometheus

feb 19

Na ruim 750 blogstukjes leek het me aardig weer eens iets nieuws te doen, waardoor jullie tijdens het lezen van Ciao tutti nog meer het gevoel hebben van achter je computer even in Italië beland te zijn. Ik blog namelijk wel elke dag over Italië en Italiaanse zaken, maar nooit in het Italiaans. En dat terwijl het zo’n heerlijke taal is, met een prachtige klank die je gelijk meevoert naar Toscaanse wijnboeren, Napolitaanse pizzabakkers en Venetiaanse gondeliers.

Vandaar dat het me leuk leek om af en toe ook wat kleine stukjes Italiaans aan jullie voor te schotelen. Om al een beetje te oefenen voor de komende reis naar Italië, om te genieten van die prachtig uitgebreide frasen die Italianen bezigen of simpelweg om je kennis op peil te houden.

We beginnen met een paar teksten uit het boek Venezia è un pesce van Tiziano Scarpa, die in 2009 de prestigieuze Premio Strega won voor Stabat mater. Zijn boek over Venetië, dat al in 2000 verscheen maar dat ik onlangs tegenkwam in een nieuwe druk uit 2010, laat op het omslag al zien dat Venetië inderdaad veel weg heeft van een vis, vanuit de lucht gezien.

Hij neemt je mee op reis door het Venetië zoals zijn ogen dat zien, zoals zijn voeten het belopen, zoals zijn hart het heeft omsloten. In negen hoofdstukken laat hij evenveel lichaamsdelen de revue passeren, die allemaal hun herinneringen aan Venetië onthullen.

Een stukje uit Scarpa’s inleiding:

‘Venezia è un pesce. Guardala su una carta geografica. Assomiglia a una sogliola colossale distesa sul fondo. Corne mai questo animale prodigioso ha risalito l’Adriatico ed è venuto a rintanarsi proprio qui? Poteva scorrazzare ancora, fare scalo un po’ dappertutto, secondo l’estro; migrare, viaggiare, spassarsela corne le è sempre piaciuto: questo fine settimana in Dalmazia, dopodomani a Istanbul, l’estate prossima a Cipro. Se si è ancorata da queste parti, un motivo ci deve essere. I salmoni si sfiancano controcorrente, si arrampicano sulle cascate per andare a fare l’amore in montagna. Balene, sirene e polene vanno a morire nel mar dei Sargassi.

Gli altri libri sorriderebbero di quello che ti sto dicendo. Ti raccontano la nascita dal nulla della città, la sua strepitosa fortuna commerciale e militare, la decadenza: fiabe. Non è cosi, credimi. Venezia è sempre esistita corne la vedi, o quasi. È dalla notte dei tempi che naviga; ha toccato tutti i porti, ha strusciato addosso a tutte le rive, le banchine, gli approdi: sulle squame le sono rimaste attaccate madreperle mediorientali, sabbia fenicia trasparente, molluschi greci, alghe bizantine. Un giorno però ha sentito tutto il gravame di queste scaglie, questi granelli e schegge accumulati sulla pelle un poco per volta; si è resa conto delle incrostazioni che si stava portando addosso. Le sue pinne sono diventate troppo pesanti per sgusciare fra le correnti. Ha deciso di risalire una volta per tutte in una delle insenature più a nord del Mediterraneo, la più tranquilla, la più riparata, e di riposare qui.’

Het mooist is misschien wel het verhaal van de benen, die het in Venetië zwaar te verduren krijgen:

‘Una faticaccia: le case sono vecchie, pochissime hanno l’ascensore; non c’era proprio posto nella tromba delle scale. Per la strada, ogni cinquanta, cento metri salta fuori un ponte: almeno una ventina di gradini da salire e scendere. Poche malattie di cuore, a Venezia. Tanti acciacchi alle ossa, reumatismi provocati dall’umidità.

Continuerai a satire e a scendere anche nelle calli: Venezia non è mai piatta, è un continuo dislivello, tutta groppe, dossi, gnocchi, schiene gibbose, avval­lamenti, depressioni, displuvi; le fondamente digradano verso i rii, i campi sono trapuntati dai tombini come bottoni affondati nei gonfiori di una poltrona. Questo capitolo, oltre alle gambe, è dedicato per­tanto anche al labirinto: o meglio, alla coppia di labirinti corporei, le due chiocciole in fondo alle orecchie che ti danno il senso dell’equilibrio.

Io non so quanto sia vera questa storia, te la rivendo cosi come me l’hanno raccontata: conta le colonne del palazzo Ducale, sul lato esposto verso il bacino san Marco, di fronte all’isola di san Giorgio. Cominciando dall’angolo, arriva alla quarta colonna. noterai che è leggermente fuori allineamento rispetto alle altre, si sporge in avanti di pochi centimetri. Se appoggi la schiena alla colonna e cerchi di strisciare addosso alla sua circonferenza, dalla parte esterna del colonnato, non potrai fare a mena di cadere dal microscopico gradino di marmo bianco che si alza sulle pietre grigie della riva. Prova e riprova, ti sbilancerai e cadrai dal gradino anche se ti schiacci contro la colonna o allunghi di lato una gamba per slanciarti oltre l’orlo e superare il punto critico.

Da bambino ci provavo sempre, era molto più di una sfida o un gioco, mi procurava un brivido vero: mi avevano detto che ai condannati a morte veniva offerta quest’ultima possibilità di salvezza, una specie di ordalia equilibrista, un giudizio di Dio per acrobati; se fossero riusciti a strisciare attorno alla colonna senza poggiare i piedi sulle pietre grigie avrebbero ricevuto misericordia all’ultimo momento. Crudelissima illusione, che si potrebbe chiamare supplizio della speranza, come il racconto perfido di uno scrittore francese dell’Ottocento. Ad ogni modo, mi piace questa rappresentazione della morte profonda pochi centimetri, invece del solito abisso: non è un’immagine ampollosa ed è molto più spaventevole. Forse morire sarà così: forza, il gradino è minuscolo, non si precipita affatto in un baratro, guarda, sono soltanto tre centimetri, su, basta uno sforzo minimo, nessuno ti sta spingendo, dai, un po’ di equilibrio, è facile…’

Het advies van Scarpa is wel om van je benen in Venetië het uiterste te vergen:

‘Preparati a salire in vaporetto (batèo, battello), aspetta in piedi sui pontili d’imbarco (gli imbarcadèri): il vaporetto accosta, ti dà uno scossone che ti prende di sorpresa come una spinta a tradimento. Monta sul battello e, anche lì, non sederti, resta in piedi sulla plancia, sotto la tettoia esterna; senti con le gambe il tremolio del motore nella pancia del vaporetto che ti fa vibrare i polpacci, il rollio che ti costringe a spostare continuamente il peso del corpo da una gamba all’altra, ti fa tendere e rilasciare muscoli che non sapevi nemmeno di avere.’

Voor wie het Italiaans machtig is, is deze unieke stadsgids van Scarpa echt een aanrader. In de stad die als een vis in het water ligt voel je je dankzij zijn verhalen, beschouwingen en tips zelf al snel als een vis in het water en wandel je door de stad zonder te verdrinken in de mensenmassa.

Getagd met:
feb 12

Overmorgen is het Valentijnsdag – een dag waarop je je geliefde uiteraard verrast met een Italiaans etentje, al dan niet in Italië. Maar waar neem je je amore mee naartoe? Naar een heus ristorante, een trattoria of gewoon gezellig naar een pizzeria? En wat is het verschil eigenlijk?

De kleine Italiaans voor Dummies zet de verschillende Italiaanse eetgelegenheden voor je op een rijtje, zodat je goed beslagen ten ijs komt:

‘Voordat je in Italië je honger gaat stillen, moet je bepalen waar je dat gaat doen. Het grote aanbod restaurants in Italie maakt de keuze er niet makkelijker op. Je kunt kiezen uit:

bar (bar): een Italiaanse bar met allerlei drankjes en kleine hapjes.

paninoteca (pa-nie-no-te-ka): hier kun je allerlei warme en koude broodjes krijgen.

osteria (os-te-rie-ja): een kleine eetgelegenheid waar je een eenvoudige, maar smakelijke hap kunt krijgen. De prijzen zijn meestal laag.

trattoria (trat-to-rie-ja): een trattoria houdt het midden tussen een osteria en een restaurant. De prijzen zijn gemiddeld.

taverna (ta-ver-na): de kwaliteit van het eten en drinken is iets lager dan in een trattoria.

ristorante (ries-to-ran-te): Italië kent uitstekende restaurants, maar de prijzen variëren nogal. De beste strategie: bekijk eerst de prijzen en beslis daarna.

pizzeria (piet-tse-rie-ja): de meeste verkopen veel verschillende pizza’s. Pizza’s zijn altijd goed in Italië. Je kunt hier ook pasta en salade krijgen.

tavola calda (ta-vo-la kal-da): een soort fastfoodrestaurant of afhaalrestaurant, waar je warme gerechten kunt krijgen.’

Tja, hier moet ik als Italiëkenner toch even ingrijpen in de tekst van De kleine Italiaans voor dummies. Vooral bij de pizzeria. De echte Italiaanse pizzeria verkoopt namelijk maar een paar soorten pizza: de margherita, de marinara en soms nog een variant als extra margherita (met extra mozzarella). Dus niks geen veel verschillende pizza’s; dat doen ze puur voor de toeristen. En dus eigenlijk ook geen pasta en salade. Bovendien: bij pizza drink je cola of bier, een uitgebreidere keuze is er vaak niet.

Nu kun je bij de laatst genoemde eetgelegenheid meer dan lekker eten – het gaat misschien zo snel als fast food, maar je mag je bord volscheppen met de lekkerste pasta’s, groentegerechten en gebraden vlees. Maar of het geschikt is voor Valentijnsdag, met zijn tl-licht, gehaaste obers, plastic stoeltjes en allesbehalve romantische sfeer? Ik weet het nog zo net niet…

Ik geloof dat ik toch het meest verrast word door een romantisch gedekte tafel thuis, met kaarsen en niet al te ingewikkelde Italiaanse heerlijkheden. Maar of mijn Valentijn dat nu ook zo’n goed idee vindt?

Wie daarom toch graag een tafeltje in een Italiaanse setting reserveert, kan met De kleine Italiaans voor Dummies in elk geval uit de voeten, zowel voor de keuze van een soort restaurant als voor de reservering. Voor een ingewikkelde liefdesverklaring zou ik echter de grote broer aanschaffen, want met deze kleine versie kom je op dat gebied niet zo ver. Of kijk bij de liefdesverklaringen die ik twee jaar geleden op mijn blog zette of bij de mooi vormgegeven Valentijnswens van vorig jaar. Maar natuurlijk mag je mij ook altijd mailen – kleine Valentijnswensen op maar worden nog voor Cupido met zijn pijlen gaat schieten vertaald!

 

De kleine Italiaans voor Dummies
Francesca Roman Onofri & Karen Antje Moller
ISBN 9789043023245
€ 7,95
Pearson Education

sep 23

Hoe mooi is de hemel boven de Via Margutta, zo zingt Luca Barbarossa over deze sfeervolle Romeinse straat waar we gisteren doorheen wandelden. Voor iedereen die graag wegdroomt bij prachtige Italiaanse muziek is dit liedje een absolute aanbeveling, zowel qua tekst als qua setting! Luister maar: Via Margutta

‘Sta cadendo la notte
sopra i tetti di Roma,
tra un gatto che ride
e un altro che sogna
di fare l’amore,
sta cadendo la notte
senza fare rumore.

Sta passando una stella
sui cortili di Roma
e un telefono squilla,
nessuno risponde
a una radio che parla,
è vicina la notte,
sembra di accarezzarla.

Amore vedessi
com’è bello il cielo
a via Margutta questa sera,
a guardarlo adesso
non sembra vero
che sia lo stesso cielo
dei bombardamenti e dei pittori,
dei giovani poeti e dei loro amori
consumati di nascosto
in un caffè.
Amore vedessi
com’è bello il cielo
a via Margutta insieme a te,
a guardarlo adesso
non sembra vero
che sia lo stesso cielo
che ci ha visto soffrire,
che ci ha visto partire,
che ci ha visto ..

Scende piano la notte
sui ricordi di Roma,
c’è una donna che parte
un uomo che corre,
forse vuole fermarla,
si suicida la notte,
non so come salvarla.

Amore vedessi
com’è bello il cielo
a via Margutta questa sera,
a guardarlo adesso
non sembra vero
che sia lo stesso cielo
dell’oscuramento e dei timori,
dei giovani semiti e dei loro amori
consumati di nascosto
in un caffè.

Amore sapessi com’era il cielo
a Roma qualche tempo fa,
a guardarlo adesso
non sembra vero
che sia lo stesso cielo,
la stessa città,
che ci guarda partire
e volerci bene,
che ci guarda lontani
e di nuovo insieme,
prigionieri di questo cielo,
di questa città,
che ci ha visto soffrire,
che ci ha visto partire,
che ci ha visto.

È vicina la notte
sembra di accarezzarla…’

Voor iedereen die het Italiaans nog niet zo machtig is, hieronder een zeer vrije vertaling van mijn hand:

‘De nacht begint te vallen
over de daken van Rome,
tussen een kat die lacht
en een ander die droomt
over het bedrijven van de liefde,
begint de nacht te vallen
zonder geluid te maken.

Er komt een ster voorbij
over de binnentuinen van Rome
en een telefoon rinkelt,
niemand antwoordt
op een radio die aanstaat,
de nacht is dichtbij,
lijkt haar zachtjes aan te raken.

Liefje, als ik zou zien
hoe mooi de hemel
boven de Via Margutta deze avond is,
nu ik daar zo naar sta te kijken
lijkt het niet dezelfde hemel te zijn
van de bombardementen en van de schilders,
van de jonge dichters en hun liefdes
waarvan ze stiekem genieten
in een café.
Liefje, als ik zou zien
hoe mooi de hemel
boven de Via Margutta samen met jou is,
nu ik daar zo naar sta te kijken
lijkt het niet dezelfde hemel te zijn
van degene die ons heeft zien lijden,
ons heeft zien vertrekken,
ons heeft zien…

De nacht daalt langzaam neer
over de herinneringen aan Rome,
er is een vrouw die vertrekt
en een man die rent,
misschien wil hij haar tegenhouden,
de nacht maakt er een einde aan,
ik weet niet hoe ik haar moet redden.

Liefje, als ik zou zien
hoe mooi de hemel
boven de Via Marguatta deze avond is,
nu ik daar zo naar sta te kijken
lijkt het niet dezelfde hemel te zijn
van de verduistering en de angst,
van de jonge semieten en hun geliefden
waarvan ze stiekem genieten
in een café.

Liefje, als ik zou weten
hoe de hemel boven Rome
enige tijd geleden was,
nu ik daar zo naar sta te kijken
lijkt het een andere hemel,
een andere stad,
die ons ziet vertrekken
en ons een warm hart toedraagt,
die ons op grote afstand ziet
en weer opnieuw bij elkaar,
gevangenen van deze hemel,
van deze stad,
die ons heeft zien lijden,
die ons heeft zien vertrekken,
die ons heeft gezien.

De nacht is dichtbij,
en lijkt ons zachtjes aan te raken.’

Getagd met:
jul 26

Cipressen en Toscane, ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het Toscaanse landschap is niet compleet zonder deze prachtig donkergroene bomen, die strak in het gelid staan langs oprijlanen en zandpaadjes.

Wie in Toscane vakantie viert, kan bijna niet thuiskomen zonder deze boom op de gevoelige plaat te hebben vastgelegd, en een karakteristieke ansichtkaart met Groeten uit Toscane telt minstens één cipressenplaatje.

De mooiste cipressen vind je langs de circa 4 kilometer lange Viale dei Cipressi, die Castagneto Carducci met Bolgheri verbindt. De lange cipressenlaan wordt aan beide zijden geflankeerd door eeuwenoude cipressen.

De cipressen van Bolgheri zijn vooral beroemd geworden door de dichter Giosuè Carducci, die jarenlang in deze streek heeft gewoond. In zijn gedicht Davanti San Guido roemt hij de cipressen. Voor degenen onder jullie die Italiaans spreken (of hard aan het studeren zijn), het hele gedicht zoals Carducci dat optekende:

‘I cipressi che a Bolgheri alti e schietti
van da San Guido in duplice filar,
quasi in corsa giganti giovinetti
mi balzarono incontro e mi guardar.
Mi riconobbero, e – ben torni omai -
bisbigliaron vèr’ me co ‘l capo chino:
Perchè non scendi ? Perchè non ristai?
Fresca è la sera e a te noto il cammino.
Oh sièditi a le nostre ombre odorate
ove soffia dal mare il maestrale:
ira non ti serbiam de le sassate
tue d’una volta: oh non facean già male!
Nidi portiamo ancor di rusignoli:
deh perché fuggi rapido così?
Le passere la sera intreccian voli
a noi d’intorno ancora. Oh resta qui!

Bei cipressetti, cipressetti miei,
fedeli amici d’un tempo migliore,
oh di che cuor con voi mi resterei.
Guardando lor rispondeva – oh di che cuore!
Ma, cipressetti miei, lasciatem’ire:
or non è più quel tempo e quell’età.
Se voi sapeste!… via, non fo per dire,
ma oggi sono una celebrità.
E so legger di greco e di latino,
e scrivo e scrivo, e ho molte altre virtù:
non son più, cipressetti, un birichino,
e sassi in specie non ne tiro più.
E massime a le piante. – un mormorio
pe’ dubitanti vertici ondeggiò
e il dí cadente con un ghigno pio
tra i verdi cupi roseo brillò.

Intesi allora che i cipressi e il sole
una gentil pietade avean di me,
e presto il mormorio si fe’ parole:
ben lo sappiamo: un pover uom tu se’.
Ben lo sappiamo, e il vento ce lo disse
che rapisce de gli uomini i sospir,
come dentro al tuo petto eterne risse
ardon che tu né sai né puoi lenir.
A le querce ed a noi qui puoi contare
l’umana tua tristezza e il vostro duol.
Vedi come pacato e azzurro è il mare,
come ridente a lui discende il sol!
E come questo occaso è pien di voli,
com’è allegro de’ passeri il garrire!
A notte canteranno i rusignoli.
Rimanti, e i rei fantasmi oh non seguire.

I rei fantasmi che da’ fondi neri
de i cuor vostri battuti dal pensier
guizzan come da i vostri cimiteri
putride fiamme innanzi al passegger.
Rimanti; e noi, dimani, a mezzo il giorno,
che de le grandi querce a l’ombra stan
ammusando i cavalli e intorno intorno
tutto è silenzio ne l’ardente pian,
ti canteremo noi cipressi i cori
che vanno eterni fra la terra e il cielo:
da quegli olmi le ninfe usciran fuori
te ventilando co ‘l lor bianco velo;
e Pan l’eterno che su l’erme alture
a quell’ora e ne i pian solingo va
il dissidio, o mortal, de le tue cure
ne la diva armonia sommergerà.

Ed io – lontano, oltre Apennin, m’aspetta
la Tittí – rispondea; lasciatem’ire.
È la Tittí come una passeretta,
ma non ha penne per il suo vestire.
E mangia altro che bacche di cipresso;
né io sono per anche un manzoniano
che tiri quattro paghe per il lesso.
Addio, cipressi! Addio, dolce mio piano!
Che vuoi che diciam dunque al cimitero
dove la nonna tua sepolta sta?
E fuggíano, e pareano un corteo nero
che brontolando in fretta in fretta va.
Di cima al poggio allor, dal cimitero,
giù de’ cipressi per la verde via,
alta, solenne, vestita di nero
parvemi riveder nonna Lucia.

La signora Lucia, da la cui bocca,
tra l’ondeggiar de i candidi capelli,
la favella toscana, ch’è sí sciocca
nel manzonismo de gli stenterelli,
Canora discendea, co ‘l mesto accento
de la Versilia che nel cuor mi sta,
come da un sirventese del trecento,
piena di forza e di soavità.
O nonna, o nonna! Deh com’era bella
quand’ero bimbo! Ditemela ancor,
ditela a quest’uom savio la novella
di lei che cerca il suo perduto amor!
Sette paia di scarpe ho consumate
di tutto ferro per te ritrovare:
dette verghe di ferro ho logorate
per appoggiarmi nel fatale andare.

Sette fiasche di lacrime ho colmate,
sette lunghi anni, di lacrime amare:
tu dormi a le mie grida disperate,
e il gallo canta, e non ti vuoi svegliare.
Deh come bella, o nonna, e come vera
è la novella ancor! Proprio così.
E quello che cercai mattina e sera
tanti e tanti anni in vano, è forse qui,
sotto questi cipressi, ove non spero,
ove non penso di posarmi piú.
Forse, nonna, è nel vostro cimitero
tra quegli altri cipressi ermo là su.
Ansimando fuggía la vaporiera
mentr’io così piangeva entro il mio cuore.
E di polledri una leggiadra schiera
annitrendo correa lieta al rumore.

Ma un asin bigio, rosicchiando un cardo
rosso e turchino, non si scomodò:
tutto quel chiasso ei non degnò d’un guardo
e a brucar serio e lento seguitò.’

Zo mooi, alleen voor dit gedicht alleen al zou je Italiaans moeten leren! Geniet, en de groeten uit Toscane!

jun 30

Nu de zomervakantie voor de deur staat vandaag twee hebbedingetjes die onmisbaar zijn voor je vakantie naar Italië!

100% Italiaans
Eerst een nieuwe taalgids van mo’media, een app&boekje ineen. Je koopt een papieren taalgids op iPhoneformaat en downloadt met een speciale code die je in die gids vindt een handige applicatie voor je smartphone.

Dankzij deze taalgids maak je, in een land waar je de taal niet spreekt, in no-time duidelijk wat je wilt. Aan de hand van de zinnen, woordenlijsten en handige weetjes sta je tijdens een korte citytrip, een zakenreis of een langere vakantie nooit meer met je mond vol tanden. De weg vragen, flirten, lekker eten… het komt allemaal aan bod. Met de handige app voor je mobiele telefoon spreek je alles bovendien goed uit, zodat er geen verwarring kan ontstaan. De app is geschikt voor alle smartphones op het Iphone & Android platform.

100% Italiaans – app&book
ISBN 9789057675027
€ 5,95
uitgeverij mo’media

100% Travel Journal
Voor wie al zijn Italiaanse zomerbelevenissen wil vastleggen, is het 100% Travel Journal echt een must. Met dit reisdagboek, dat je met de bijgeleverde stickers 100% van jou maakt, maak je je vakantie in Italie nog leuker! Het is een prima verzamelplek voor leuke observaties, uitspraken, toegangskaartjes, bonnetjes, ansichtkaarten en allerlei andere leuke dingen die je gedurende je reis verzamelt. Heerlijk om te doen, maar net zo heerlijk om na de vakantie terug te bladeren en herinneringen op te halen.

In het 100% Travel Journal vind je bovendien handige tabellen en kaarten voor onderweg en kun je je persoonlijke gegevens kwijt. Maar verder is het (nog) leeg, zodat jij alle ruimte hebt om je reiservaringen vast te leggen. Ook ik neem hem natuurlijk mee, zodat ik alle ideeën voor nieuwe stukjes kan noteren – inspiratie genoeg in Italia!

100% Travel Journal
ISBN 978 905 767 5058
€ 12,95
uitgeverij mo’media

Getagd met:
apr 26

Op 3 april nam ik jullie mee op sleeptouw door Palermo. Een van de lezers noemde toen in haar reactie al de naam van de heilige Rosalia, de patroonheilige van de stad. Het toeval wilde dat ik een paar dagen later een boek in handen kreeg dat begint met een lofzang op Rosalia:

‘Rosalia. Rosa en lia. Rosa die benevelde, rosa die verbijsterde, rosa die roofde, mijn zinnen zijn ontzind. Rosa die geen roos is, rosa die doornappel is, jasmijn, elfrank en bitterzoet; rosa die pomelia is, magnolia, petunia en gardenia. Dan zonsondergang, en bij avondstond, als de opalen bol aan het zwerk verschijnt, de lucht niet langer zengt, daalt genadig koelte neer en overschrijdt een bries van zee het glinting, strijkt langs palmen en pilaren van het klooster in clausuur, vangt, omvangt, verstuift lichte odeuren, sublieme aromen, droesige balsemgeuren. Rosa, ze stak, wee!, met haar giftige doorn recht in mijn hart.

Lia die mij liasseerde als ceder en citroen de lippen, liane van smarten, eeuwige keten, bedwelmende libatie, betoverende likeur, dodelijke drank, liefde die mijn lichaam delgde, lelie van de limbus die ik godinne waande, lint dat mij omslingerde en verstikte, slangetong, vergif deed je me slikken, fiere liebaard, lipide van mijn ziel, zwarte liquor, pek waarin ik, wee mij verdoemde!, reddeloos ten onder ging. Kroon van vreugd en kwelling, slang die in haar staart bijt, slinger zonder begin en eind, rozenkrans van vervoering, verdorven referein, donkere afgrond, put van lusteloosheid, blinde doling, ledige nacht zonder licht, Rosalia, mijn bloed, mijn kwelgeest, waar ben je?’

Aldus de eerste regels van Retabel – Siciliaanse passies van Vincenzo Consolo. Een lofzang op de liefde, zowel de hoofse als de aardse. Een jonge monnik, Isidoro, vlucht uit het klooster vanwege zijn hartstochtelijke liefde voor de schone Rosalia. Hij komt in dienst bij een Milanese edelman, Fabrizio Clerici, die een rondreis over Sicilië maakt om zijn liefdesverdriet te vergeten.

Tijdens hun tocht door het adembenemende landschap met talrijke resten uit de Oudheid, maar waar het ook wemelt van de struikrovers, vertellen de reisgenoten elkaar – en de lezer – hun levensverhalen. In de zijpanelen (retabel betekent namelijk altaarstuk) lees je de hartverscheurende lamentaties van Isidoro en Rosalia, in het middenpaneel dat van Fabrizio Clerici.

Retabel is het eerste boek van uitgeverij Novecento, die waardevolle boeken uit wil geven die in de vergetelheid zijn geraakt, niet meer in de handel zijn of zelfs nooit in het Nederlands zijn verschenen. Novecento richt zich vooral op boeken die in het begin van de twintigste eeuw geschreven of gepubliceerd zijn. Bij het literaire werk dat Novecento zal gaan uitgeven ligt de nadruk op romans waarin vorm en taal minstens zo belangrijk zijn als het verhaal zelf.

Met Vincenzo Consolo’s Retabel heeft Novecento in elk geval een schitterende aftrap gegeven van dit streven. Consolo, die in 1933 op Sicilië is geboren, wordt gezien als een van de grootste Siciliaanse schrijvers van de twintigste eeuw. In 1992 won hij de Premio Strega, de meest prestigieuze Italiaanse literatuurprijs. Zijn romans zijn al in veel landen vertaald, maar dit is de allereerste Nederlandse vertaling van een werk van Consolo.

Consolo is een taalvirtuoos, hetgeen het voor vertaalster Pietha de Voogd niet altijd even makkelijk maakte om de tekst naar het Nederlands om te zetten. De Voogd vertaalde eerder De naam van de Roos (Umberto Eco) en De eenzaamheid van de priemgetallen (Paolo Giordano), maar Retabel beschouwt ze als het mooiste en moeilijkste werk dat ze ooit vertaald heeft.

Aangezien ik zelf ook wel wat Italiaanse vertalingen gemaakt heb, kan ik me daar wel een voorstelling bij maken. Zo schrijft Pietha de Voogd in de verantwoording achter in het boek dat ze een aantal dagen met Consolo heeft doorgebracht om verschillende stijlkwesties met hem te bespreken. ‘Zijn literaire prioriteiten zijn duidelijk: ritme, klank, rijm, stilistische kunstjes, veel dubbele betekenissen (vaak verwijzend naar de Italiaanse politiek of cultuur) en contrasten, uitvergrote beelden als het ware, die een zuinige Nederlander misschien overdrijvingen zou noemen.’

Pietha de Voogd heeft geprobeerd om het Nederlands in dezelfde geest op te tekenen. ‘De zinslengte van het Italiaans is strikt gehandhaafd, omdat die naar mijn mening een hoofdbestanddeel is van de ‘adem’, het ritme van het verhaal. Ik ben me ervan bewust dat deze roman van Nederlanders misschien meer inspanning vergt dan van Italianen, gewend als zij zijn aan rijk taalgebruik. Ritme en klank, de muziek, spelen een hoofdrol. Daarom heb ik de betekenis van een woord er soms ondergeschikt aan gemaakt.

Vooral de eerste bladzijde (waar ook bovenstaand fragment uit afkomstig is) illustreert dit. De genoemde planten zijn gekozen om de klank en het ritme van hun naam, ofschoon ze wel allemaal, net als in het origineel, lid zijn van de – giftige – familie der nachtschaden. Het spel met de naam Rosalia vergde soortgelijke ingrepen: het ritme is dat van de rozenkrans (Isidoro is immers een gewezen monnik), de woorden beginnend met lia staan in alfabetische volgorde, het Italiaans telt immers ook veel alliteratie en beginrijm.’

Dit alles maakt Retabel tot een ode aan de rijkdom van de Italiaanse taal, aan het prachtige ritme van de woorden die Consolo zo zorgvuldig optekende en die je er als het ware nog doorheen gefluisterd hoort. Iedereen die de Italiaanse taal een warm hart toedraagt zal hiervan genieten, van elke zin opnieuw. Laten we hopen dat Retabel een succes wordt, zodat uitgeverij Novecento snel weer zo’n pareltje kan laten vertalen!

Retabel – Siciliaanse passies
Vincenzo Consolo
vertaald door Pietha de Voogd
ISBN 9789491126017
€ 17,50
uitgeverij Novecento | www.novecento-press.nl

Getagd met:
apr 24

Otto Holzhaus vertelt vandaag het verhaal met het Urbi et Orbi van de paus als onderwerp. Het is hilarisch in al zijn eenvoud, en zeker de ontknoping zal op deze Eerste Paasdag menige schaterlach veroorzaken. Meer verklap ik niet, lees zelf maar!

‘De internationale trein naar Italië glijdt bij de Zwitserse grens de nacht in. We zijn op weg naar Florence, waar we de paasdagen willen doorbrengen. In Milaan missen we de aansluiting. We stappen op de eerste de beste trein die ook naar Florence gaat. Dat mag niet zomaar. Bij de kaartjescontrole komt het ons duur te staan.

De oude binnenstad van Florence stroomt in de stralende lentezon vol met toeristen. Bij de Santa Maria del Fiore loopt een groep Japanners achter een vlaggetje aan. Op de Ponte Vecchio, de beroemde brug met de goudwinkeltjes, staan landgenoten met ‘middeleeuwse’ mutsen op. Ze scanderen ‘Hallekiederstjie’, hun Italiaanse versie van ‘Hallekidee’.

We besluiten vandaag de cultuur de cultuur te laten. De fresco’s van Masaccio en Giotto komen morgen aan de beurt. Mede dankzij een gratis wijnproeverij waarin we verzeild zijn geraakt, verkeren we in een opperbeste stemming. We beginnen trek te krijgen en kijken uit naar een restaurantje waar je lekker en vooral ook goedkoop kunt eten, want we willen die boete van de trein terugverdienen.

In een achterafstraatje ontdekken we een intieme trattoria. Het eethuisje wordt gerund door een struise signora, een blondine zoals je wel meer ziet in Toscane. Ze begroet ons in het Engels en vraagt waar we vandaan komen. Gerarda antwoordt in haar beste Italiaans dat ze daarnaar mag raden. De uitbaatster maakt er een spelletje van.

Ze neemt de bestelling op in het Frans, schenkt de wijn in met een Spaanse toelichting en wenst ons ‘Guten Appetit’ als ze het voorgerecht op tafel zet. Ik hef het glas en wens haar ‘Buona Pasqua!’. ‘Di espressione italiana,’ voeg ik er nadrukkelijk aan toe. Dat heeft ze meer gehoord.

‘Che cosa si dice di espressione Greca?’ lacht ze – hoe zeg je dat in het Grieks? Ze zou zelf Grieks kunnen zijn. Ze heeft wel wat weg van de jonge Melina Mercouri. ‘Cristós anésti!’ antwoord ik zonder aarzelen. Ik weet precies wat ik zeggen moet. Ik heb goed naar de vorige paus geluisterd. Ik ken zijn paaswensen op mijn duimpje. Jaar in jaar uit zat ik gefascineerd voor de tv als hij vanaf het Sint-Pietersplein zijn Urbi et Orbi uitsprak – de zegen voor de stad Rome en de wereld – met als vaste prik: ‘Di espressione Olandese, gezeggende Paasfee, bedank voor die bloeme.’

In de loop der jaren nestelde zich de ene na de andere buitenlandse paaswens in mijn geheugen. Onze gastvrouw kan mijn nagespeelde Vaticaanse balkonscène wel waarderen. Ze daagt me uit.

‘Di espressione Portoghese?’
‘Muito boas Festas!’ repliceer ik.
‘Di espressione Polacca?’
‘Wesolégo Alleluja!’

Ik krijg een open doekje van de gasten van het eethuis. Iedereen wil een duit in het zakje doen. ‘Di espressione Russa?’ ‘Kristós vosskrièsse!’ Arabisch? Ik weet het. Hongaars? Geen punt. Vietnamees? Kleine moeite.

Nu gelooft zelfs Gerarda het niet meer. De wensen van de Heilige Vader voor China en Japan heb ik als uitsmijter bewaard. ‘Fu Hua Ju Que!’ roep ik met wijd uitgespreide armen, gevolgd door: ‘Cristo no ayomigaeri, omedetoh gozaimasu!’ Het applaus davert over de tafels.

Maar met de bewondering van onze gastvrouw is het gedaan als ik even later met mijn vinger de rekening naloop. ‘Amai, ge zijt Ollanders, nondedju!’ zegt ze uit de grond van haar hart.’

Otto Holzhaus en zijn vrouw Gerarda hebben zich jarenlang met grenzeloze nieuwsgierigheid in ongewisse avonturen gestort, in Kameroen en Laos, in Venezuela en Vietnam en overal daartussen. Hun niet zelden bizarre belevenissen stonden geregeld op de Achterpagina van NRC Handelsblad – het nationale erepodium voor kortestukjesschrijvers. Nu zijn deze stukjes (samen met een aantal nieuwe reisverhalen) voor het eerst verzameld, met als resultaat een boek dat je op het puntje van je stoel laat zitten – zowel van spanning als van spontaan opkomende reislust. Deze reisavonturen kun je lezen in

Vroeg of laat komt het goed
Otto Holzhaus
ISBN 9789064105111
€ 10,00
uitgeverij Hollandia

mrt 19

Parliamo, laten we praten – maar dan op z’n Italiaans! Voor wie graag Italiaans wil leren, maar daar wel een beetje hulp bij kan gebruiken en zelfstudie (zoals met het taalgidsje van gisteren) nog een beetje te hoog gegrepen is, geeft Allegonda Teerlink van Parliamo Italiaanse les (zowel voor beginners als gevorderden), een stoomcursus Italiaans voor op vakantie of een Italiaanse cursus op maat rond elk denkbaar onderwerp.

Allegonda: ‘De liefde voor Italië, de taal, de kunst, de rijke historie en cultuur, de gastronomie, de mode en het klimaat zijn door mijn Italiaanse familie aan mij doorgegeven. Nu is het jouw beurt om met mij een reis naar het prachtige Italië te maken. Een reis waarbij al je zintuigen geprikkeld worden. Je ogen om de schoonheid van het schiereiland te zien, je oren voor het luisteren naar de prachtige taal, die bijna gezongen wordt, en je mond voor het uitspreken van al die melodieuze klanken, je neus en eveneens je mond bij het proeven van de overheerlijke Italiaanse wijnen en spijzen.

Mijn passie wil ik graag doorgeven, in eerste instantie door de taalcursussen van Parliamo. Tijdens de cursus wordt, naast het versneld leren van de taal, aandacht besteed aan de actualiteit in Italië en aan leuke wetenswaardigheden – allemaal in een ongedwongen sfeer. Laat je betoveren door deze ervaring en kom alvast in vakantiestemming. Leer de hotspots kennen van de mooiste Italiaanse steden en streken van Italië, die zo worden besproken dat je direct je koffer wilt pakken.’

Maar Parliamo is meer… Wat dacht je bijvoorbeeld van een Italiaanse koffieworkshop? Allegonda vertelt enthousiast verder: ‘Wat is dat toch dat wij Nederlanders met Italië hebben? Elke nuchtere kaaskop beseft dat de liefde voor het land van la dolce vita een vals soort romantiek is. Toch vallen we massaal in katzwijm als we direct na de Brennerpas de eerste espresso bij een langs de autostrada gelegen Autogrill proeven. Zijn we dan toch gevoeliger voor theater, flair en elegantie dan we ons zelf voorhouden?

Bovenstaande gedachten komen bijna vanzelf in je op als je bij IJssalon Doppio binnenloopt – voor je gevoel passeer je dan net als na de Brennerpas de grens met Italië. Maar Doppio ligt niet in een Italiaans stadssteegje. Nee, dit is hartje Rotterdam, een volksbuurt pur sang – Crooswijk – met alle dynamiek die daarbij hoort. Er staan mannen aan de bar een espresso te drinken, een verlegen jongetje treuzelt bij de ijsvitrine en op een bankje voor de zaak zitten Turkse dames te genieten van een pril voorjaarszonnetje.

De barista en naar blijkt ook eigenaar van Doppio is Mesut Demir. Mesut: ‘Koffie, en dan met name de Italiaanse manier van koffiezetten en drinken, spreekt me enorm aan. Dus ‘korte’ koffies met een sterke, krachtige smaak die je als een smaakbonbonnetje tot je neemt. De Nederlandse koffiecultuur met z’n aangelengde koppen koffie die je drinkt om te drinken, om vocht aan te vullen, daar heb ik niet veel mee. Al mijn investeringen richtten zich de afgelopen jaren op een nog intensere smaak.’

Op de inrichting van deze ijssalon ben ik altijd verliefd geweest. De prachtige authentieke betimmeringen uit de jaren zeventig vormen de eyecatcher van Doppio. In de loop van de jaren heb ik allerlei punten aangepakt. Een nieuwe vloer, een pui en vloertegels en mooie lichtsculpturen. De blow-up aan de muur van de beroemde foto van Ruth Orkin’s ‘American Girl’ belichaamt voor mij exact voor wat Doppio zou moeten zijn: een klein stukje Italiaans leven in Rotterdam, dat de Italiaanse manier van leven tot uiting laat komen. Het theater van de straat, waarin je mannen vanaf een Vespa ziet omkijken naar een vrouw, puur omdat ze schoonheid weten te waarderen.’

Allegonda Teerlink organiseert samen met Doppio een workshop waarbij je op zoek gaat naar de herkomst van koffie, waar je verschillende koffiesmaken leert herkennen en waar je uiteraard leert om de perfecte koffie, cappuccino en macchiato te maken.

   

Een dergelijke workshop is bij Doppio natuurlijk ook mogelijk met ijs (wie wil met het voorjaar in aantocht nu niet ijs leren bereiden…) en Allegonda organiseert ook workshops Italiaanse koken. In dat laatste geval laat Jolanda Tom, die zelf in Italië zelf diverse kookcursussen heeft gevolgd en veel ervaring heeft opgedaan met Italiaanse gerechten en bereidingswijzen, je kennismaken met de Italiaanse keuken en geeft ze een aantal van de geheime trucjes die de Italiaanse koks zich eigen hebben gemaakt prijs. Uiteraard geniet je aan het einde van de avond van je zelfgemaakte driegangendiner en krijg je de recepten na afloop mee naar huis.

De eerste stoomcursus start op maandag 28 maart 2011. De lessen beginnen om 19.00 uur en duren circa twee uur. De stoomcursus bestaat uit 10 lessen en wordt gehouden op een sfeervolle locatie in Schiedam. Bij voldoende animo zijn ook lessen op locatie mogelijk. De workshops vinden plaats op verschillende data in april en mei. Kijk voor meer informatie op www.parliamo.nl

Getagd met:
mrt 18

Volgens het spiksplinternieuwe taalgidsje Hoe zeg je dat in het… Italiaans heeft recent onderzoek aangetoond dat de bekendste Italiaanse woorden in EU-landen pizza, spaghetti, cappuccino en espresso zijn. De Italiaanse keuken is niet de enige reden om Italië te bezoeken; ook liefhebbers van cultuur vinden er immers veel van hun gading. Veel culturele sectoren hebben een deel van hun terminologie overgenomen uit de Italiaanse taal.

In de eerste plaats de muziek – Italië domineerde geruime tijd het muzikale leven in Europa en de libretto’s (ook een Italiaans woord, inderdaad!) van veel beroemde opera’s zijn geschreven in het Italiaans. Geen wonder dus dat het Italiaans de internationale taal van de muziek is. Zelfs een muzikale leek zal bekend zijn met termen als piano, forte, concerto of virtuoso.

Het Italiaans is een Romaanse taal die uit het Latijn is voortgekomen. Ongeveer 61,5 miljoen mensen spreken Italiaans als moedertaal. Behalve in Italië wordt Italiaans gesproken in het Vaticaan, de republiek San Marino, in Zwitserland (in de kantons Ticino en Grigioni) en in een paar dorpjes in Slovenië en Kroatië. Het Italiaans verspreidde zich door historische gebeurtenissen, kolonisatie en emigratie ook naar andere landen, waar het weliswaar niet de officiële taal is, maar waar je de taal wel regelmatig hoort: Corsica, Monaco, Malta, Libië, Ethiopië, Somalië en Argentinië.

Het Italiaans komt voort uit het vulgair Latijn, de gesproken versie van het Latijn, die lange tijd naast de officiële geschreven versie bestond. De eerste teksten die als voorloper van het moderne Italiaans kunnen worden beschouwd , stammen uit de tiende eeuw.

De basis van het moderne Italiaans werd door Dante, Boccaccio en Petrarca gevonden in het dialect dat in Toscane werd gesproken en dat door toedoen van deze drie literaire grootmachten langzaam uitgroeide tot de officiële taal van alle Italiaanse regio’s.

Naast het dialect wel te verstaan, want net als de Italiaanse keuken is de Italiaanse taal zo divers als het land en zijn inwoners. Gelukkig verstaan ze allemaal Italiaans en kun je je dus met behulp van dit gidsje overal in Italië verstaanbaar maken. In deze minitaalgids vind je maar liefst 2600 zinnetjes, met uitspraakweergave zodat je ook weet hoe je ze hardop moet uitspreken, die zijn ingedeeld op thema. Daarnaast bevat dit taalgidsje woordenlijsten over onder andere eten en drinken, de tekst op informatieborden en kleding.

Ook praktische reisinformatie over Italië, kadertjes met wetenswaardigheden, een beknopte grammatica en een verrassend compleet miniwoordenboek ontbreken niet. Een ideale metgezel dus, deze minitaalgids. Da raccomandare!

Hoe zeg je dat in het… Italiaans
Prisma minitaalgids
ISBN 9789049106737
€ 6,99
uitgeverij Het Spectrum

Getagd met:
preload preload preload