dec 19

Nadat Simone Martini de Annunciatie in bladgoud voor de Duomo van Siena had voltooid, vertrok hij naar Avignon. Een van de eerste schilderingen die hij daar zou hebben gemaakt, is het Orsini Polyptiek. De opdracht voor dit draagbare reisaltaar kreeg Martini van kardinaal Napoleone Orsini, die in die tijd eveneens in Avignon woonde en werkte.

Het altaar bestond oorspronkelijk uit acht panelen. Twee panelen bevatten het wapen van de Orsini-familie, twee panelen beeldden de Annunciatie uit (Martini schilderde de engel op het ene paneel, Maria op het andere) en de vier overige panelen waren scènes van de kruisweg. De acht panelen zijn helaas niet meer bij elkaar en bevinden zich nu in drie verschillende musea (het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen, het Louvre in Parijs en de Staatliche Museen in Berlijn).

Gelukkig is de Annunciatie nog compleet. Beide panelen zijn te bewonderen in Antwerpen, normaal gesproken in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, maar tot eind 2012 bij de tentoonstelling Vijf eeuwen beeld in Antwerpen, in het nieuwe Museum Aan de Stroom (MAS). De taferelen van de Annunciatie zijn op de achterkant van de Kruisweg-panelen geschilderd. Zo bevindt Maria zich op de achterkant van Calvarie, en staat aartsengel Gabriël met zijn rug tegen Kruisafneming. Hoewel Martini Maria nog steeds als bedeesd en een beetje angstig afbeeldt, is haar houding niet meer zo sterk als op de Annunciatie die we gisteren zagen.

Martini toont zich een meester in detail. Kijk maar eens naar de prachtig versierde rand van Maria’s mantel, of naar de rand die zowel om de afbeelding van de engel als om die van Maria is geschilderd.

Martini’s oog voor detail komt overigens bij de overige taferelen nog sterker tot uiting. Links op Calvarie schilderde hij de Romeinse soldaat Longinus, die de zijde van de gekruisigde met zijn lans doorboort. Opvallend zijn de uitgesproken emoties van Maria Magdalena aan de voet van het kruis en de vrouwen die zich links om Maria bekommeren. De klemtoon ligt op het fysieke, zichtbare lijden en niet op de geestelijke smart. Dezelfde expressiviteit zien we terug bij de toeschouwers op het tafereel Kruisafneming. Hier zien we, knielend aan de voet van het kruis, bovendien de opdrachtgever van het altaar, kardinaal Napoleone Orsini.

Het zou fantastisch zijn om de acht panelen nog eens samen te zien, maar zo vlak voor Kerstmis kun je in Antwerpen in elk geval genieten van de helft van de panelen, met als hoogtepunt de Annunciatie. Een klein stukje Italië dicht bij huis!

dec 18

Het Uffizi in Florence herbergt eveneens een prachtige Annunciatie van Simone Martini, die oorspronkelijk in de Dom van Siena te zien was. Hoewel we niet veel weten over het leven van Martini, is wel met zekerheid vast te stellen dat hij in 1284 in Siena werd geboren.

Voor zover bekend is, schilderde hij tussen zijn twintigste en vijfentwintigste een aantal Madonna’s, waarbij hij zich vooral laat inspireren door stadsgenoot Duccio di Buoninsegna. Opvallend is het gebruik van bladgoud, hetgeen veel navolging zal vinden door schilders uit Siena en omgeving. We zullen straks zien dat hij dit bladgoud ook volop gebruikte voor zijn Annunciatie. Deze eerste Madonna’s van Martini vind je in de Pinacoteca Nazionale di Siena.

Zijn eerste grote opdracht kreeg hij rond zijn dertigste van het gemeentebestuur van Siena. Hij mocht een fresco schilderen in het Palazzo Pubblico in Siena. Het werd een overdonderende Maestà. Vorig jaar juli schreef ik hierover: ‘Wanneer je je blik naar links wendt, sta je oog in oog met een van de mooiste Madonna’s die ooit met penseel en verf is gecreëerd. Deze Maestà, geschilderd door Simone Martini, is meer dan alleen de mooiste Maria die ik ooit heb gezien. Het bijzondere zit hem niet alleen in haar serene gezichtsuitdrukking, in de prachtige gewaden en fijne gezichtjes van haar gevolg, bestaande uit engelen en heiligen. Het is het verhaal erachter dat het schilderij boven het gros van de Maria’s uittilt. Maria zit namelijk onder een baldakijn, waarmee Martini geprobeerd heeft een soort van perspectief aan het tafereel te geven, hetgeen nog vrij ongewoon was in die tijd.’

Simone Martini verlaat Siena en werkt in Assisi aan de Cappella di San Martino (de Sint-Maartenskapel). Nog tijdens zijn werkzaamheden in de basiliek van Assisi wordt hij door Robert van Anjou ontboden in Napels, om een schilderij van zijn kroning te maken. Nadat Martini dit heeft voltooid, keert hij terug naar Assisi om zijn werk met Sint Maarten in de hoofdrol te voltooien.

Rond 1318 keert Martini terug naar Toscane. Hier werkt hij vooral aan polittici (polyptieken, veelluiken), onder andere in San Gimignano en Pisa. In 1325 keert hij terug naar Siena, waar hij wederom een opdracht voor het Palazzo Pubblico uitvoert. Hier schildert hij ook, samen met zijn zwager Lippo Memmi, zijn prachtige Annunciatie in bladgoud, die bedoeld was voor een van de altaren van de enorme Dom.

We zien, zoals gewoon is bij een Annunciatie, aartsengel Gabriël die de blijde boodschap aan Maria brengt. Simone Martini creëerde echter een zichtbaar ontstelde Maria, die zich deels van de engel afkeert en een gezicht als een donderwolk heeft gekregen. Martini laat de woorden van de aartsengel letterlijk uit zijn mond stromen, maar ook dat stelt Maria blijkbaar niet op haar gemak.

Maria en de engel worden geflankeerd door twee heiligen. Links staat de heilige Ansanus, een van de beschermheren van Siena, rechts de heilige Margherita, die volgens de overlevering niet zijn geschilderd door Martini, maar door zijn zwager, Lippo Memmi.

De Annunciatie was tot 1799 te zien in de Duomo van Siena, op de originele plek. In dat jaar werd het paneel echter door de toenmalige groothertog van Toscane, Leopold II, geruild voor twee werken van Luca Giordano. Maria en de engel belandden in het Uffizi in Florence, waar ze nog steeds te zien zijn.

De Florentijnen zijn uiteraard blij met deze aanwinst, maar in Siena zullen ze nog wel eens een traantje hebben gelaten nadat het meesterwerk van een van de grootste schilders van de stad aan Florence was overgedragen…

Getagd met:
jan 31

Vandaag verlaat ik Toscane – met een beetje pijn in het hart, maar met een lijstje adressen waar ik later dit jaar, als het voorjaarszonnetje weer volop schijnt en de bomen in bloei staan, zeker nog eens terug zal keren.

Geïnspireerd door de verhalen van een grote Romeo & Julia-fan, die ik op een van mijn laatste avonden in Toscane ontmoette, verruil ik Toscane vandaag voor de regio Veneto, in het noordoosten van Italië. Veneto is de regio van de spritz en de prosecco, van Verona en Venetië, van carnaval en Casanova. Een ideale plek om de maand februari, met Valentijnsdag en de start van het Venetiaanse carnaval, door te brengen.

In de trein naar Verona lees ik De kleur van de hemel, een boek dat net als mijn treinreis Toscane en Venetië verenigt. Het verhaal begint in Venetië, in 1295. Op Hemelvaartsdag vindt Teresa Fiolaro een te vondeling gelegde baby. Ze noemt hem Paolo. Ondanks het verzet van haar echtgenoot voedt Teresa het kind thuis op, tussen de glasmakers van Murano.

Als Paolo opgroeit, realiseren zijn nieuwe ouders zich dat hun zoon bijziend is. Maar hij heeft ook een vreemd en scherp oog om kleur en koloriet te onderscheiden. Zijn talent wordt opgemerkt door Simone Martini, een schilder uit Siena. Hij stuurt Paolo op weg, met de opdracht het perfecte ultramarijnblauw te vinden. Deze reis zal Paolo over de hele wereld voeren, door Perzië, Afghanistan en China. Daarbij komt hij niet alleen veel te weten over kleur, maar ook over gezichtsvermogen en afstand, dood en schoonheid, trouw en liefde.

Een fragment:

‘Simones atelier bevond zich in de Contrada Aquila. Het werd omringd door een ruim erf dat uitkwam op een smalle, drukke straat. Hier werd de pupillen geleerd hoe ze het hout moesten prepareren voor godsdienstige panelen en altaarstukken: het wassen, het schuren en het polijsten van elk stuk populierenhout voordat de onderlaag van gesso erop werd aangebracht. De meer ervarenen onder hen werkten aan de ornamenten: ze persten tinfolie en bladgoud en begonnen met het vergulden, versieren, aandrukken en pletten. Anderen die zich bezighielden met de fresco’s buiten het atelier hadden al geleerd hoe ze een muur moesten prepareren, bevochtigen, pleisteren, richten en gladstrijken.

Simone vertelde Paolo dat hij elk onderdeel van het schilderproces onder de knie moest krijgen: het prepareren van houtskool voor de schetsen, het maken van penselen, papier en pennen en het verzamelen van eieren waarmee je pigment kon binden en het mengsel van tempera en verf kon maken. Hij moest ongebluste kalk en zand zeven, gips maken, panelen polijsten en ten slotte, als hij het proces volledig beheerste, mocht hij dan met kleuren aan de gang gaan.

‘Wat schildert u?’ vroeg Paolo.
‘Alles,’ antwoordde Simone. ‘Alfa en Omega. Het begin en het einde.’
‘Schildert u de hemel?’
‘En de hel. Vanaf deze onwaardige wereld. Is het niet ongelooflijk?’ De kunstenaar praatte als een kermisbaas die zijn publiek toespreekt. ‘Ik kies zorgvuldig elk ingrediënt, als een huisvrouw op de markt. Ik kook met verf.’ Hij verkruimelde een brokje oker tussen zijn duim en wijsvinger. ‘Zoals een chef-kok smaken creëert, zo roep ik kleuren op: met ei en tempera, meekrap en saffraan. Dit zijn mijn ingrediënten en specerijen.’ Hij klopte de verfstof van zijn vingers. ‘ Er is maar één verschil.’
‘En dat is?’
‘De maaltijd die ik creëer blijft eeuwig bestaan.’

Simone was het gelukkigst als hij bekijks had, en Paolo vroeg zich af of zijn medewerkers niet louter waren aangenomen om hand en spandiensten te verrichten, maar ook om hem voortdurend aandacht te schenken en altijd klaar te staan om om zijn spitsvondigheden te lachen. Zorgen dat Simone tevreden was maakte bijna de helft van het werk uit, want hij kon elk moment gedeprimeerd raken, zo fragiel was zijn zelfvertrouwen, en, zo merkte Paolo op, zijn liefde voor wijn. De man kon in één ogenblik van euforie tot wanhoop vervallen, wat maakte dat allen die voor hem werkten voortdurend nerveus en op hun hoede waren.

Soms smeet Simone opeens een penseel tegen de grond en verliet hij het atelier om het met zijn vrienden op een zuipen te zetten en te beschonken terug te keren om zijn werk te kunnen voortzetten. Hij compenseerde zulke ongeremdheid door zesendertig uur aan één stuk door te werken. Getalenteerd, wispelturig en gemakkelijk afgeleid overlaadde hij zijn leerlingen soms met onvoorstelbaar zware verantwoordelijkheden.

‘Lippo, doe jij de handen – Mino, maak jij het aureool af – Ugolino, decoreer jij de mantel van de Heilige Maagd.’
‘Hoe?’
‘Verzin maar wat.’
Paolo begon met het prepareren van houtskool om schetsen mee te maken: hij pakte strengen wilgentak, sneed die tot luciferhoutjes, schuurde ze en sleep ze tot pijpjes, bond ze in bosjes bijeen en legde ze vervolgens in een aardewerken pot die hij elke avond naar de bakker bracht om de staafjes tot de volgende ochtend te laten roosteren.

Na vier maanden leerde hij hoe hij met kleuren moest werken, vergruisde hij pigment en maakte hij plakken purpersteen of serpentijnsteen. Om azuur te maken kookte hij in een serie kommetjes mengsels van alkaline, honing en loog, en voegde er vervolgens pigment aan toe, waarbij hij scherp in het oog hield hoe de kleur zich geleidelijk aan verdiepte. Als hij de vloeistof eenmaal had afgegoten, was de verf klaar om te binden met eidooier en aan te brengen op paneel of fresco.

Net zoals hij had geleerd elke kleurschakering van steen en glas te bepalen, begon Paolo nu ook in te zien hoe verf in enkele ogenblikken lichter of donkerder kon worden gemaakt en de kleur kon worden verdiept of afgezwakt.
‘Onze taak is niets minder dan de glorie van Gods schepping te laten zien. Schilderen is een geloofsbelijdenis, Paolo. We vertellen verhalen, zetten aan tot devotie. Dit is het land van wonderen’ – Simone glimlachte – ‘ook al herhalen ze zichzelf nog wel eens.’

‘Wat bedoelt u daarmee?’
‘Heiligen kunnen behoorlijk saai zijn, vind je niet? Er is slechts een beperkt aantal manieren waarop een schilder devotie kan afbeelden. De hel is zoveel amusanter.’ Terwijl ze pigment vermengden met eierdooiers, begon Simone Paolo te vertellen van zijn ambitie een Laatste Oordeel te schilderen: de doden die skeletachtig, spookachtig uit de krochten en spleten van de aarde tevoorschijn komen en wachten om met vlees te worden bekleed of om, achtervolgd door een bleek blauw licht, in de hel te worden gefolterd.

Toen hij eenmaal de smaak van dit thema te pakken had, vulde het verhaal zich met gruwelijke details. Er zouden brandende rivieren en bodemloze putten vol vulkanische vertwijfeling zijn waarin de bezoedelde zielen van de verdoemden, zwartgeblakerd door zonden en met lekkende vlammen, dreven. Woekeraars moesten hete munten slikken en sodomieten zouden als varkens aan het spit worden geregen. Je zou er lasteraars zien met opengesperde en opengesneden monden en hun tanden tot pulp vermalen, die alleen maar aangroeiden om opnieuw te worden verpulverd. Het schilderij zou een beeld van oneindige ellende geven en boven alles zou satan zetelen, met drie schurkenkoppen, vleermuizenvleugels en Judas die half verorberd uit zijn mond hangt.

‘Je zult wel begrijpen dat het schilderen van de hemel een tikkeltje saai is na zoiets,’ besloot Simone. ‘We hebben drama nodig, geen eeuwigdurende gelukzaligheid. Maar dit is natuurlijk onze uitdaging. Om het paradijs opwindend te maken. Een plek die je verstand te boven gaat.’’

Lees het hele verhaal van Paolo in:


De kleur van de hemel
James Runcie
vertaald door Rob van Moppes
ISBN 9789044313291

jul 13

De eerste aanblik van het Piazza del Campo ontroert me ook dit keer weer. Het begint al op een paar kilometer afstand, als je de slanke Torre del Mangia boven de daken van de huizen ziet uitsteken en steeds dichterbij ziet komen. Naarmate je dichterbij komt, verdwijnt de toren soms achter een groot gebouw, maar niet voor lang. Door de smalle straatjes vang je steeds weer een glimp op van de toren, totdat je door een nauwe doorgang aan de rand van het Piazza del Campo staat en de toren in al zijn glorie kunt aanschouwen.

Het plein vraagt echter om voorrang. Zelden nog heb ik zo’n perfect plein gezien, zo harmonieus. De gebouwen lijken vloeiend in elkaar over te lopen, alsof ze allemaal tegelijk zijn neergezet. Als ik mijn blik langs de gevels laat glijden – in allerlei kleuren, van lichtroze tot terracotta – denk ik eraan hoe het zou zijn om elke ochtend van deze aanblik te kunnen genieten. Een dag die zo inspirerend begint kan alleen maar tot grootse dingen leiden…

Mijn blik dwaalt af naar het plein zelf, de licht aflopende schelpvorm, die precies is aangelegd op de plek waar de drie heuvels waarop Siena is gebouwd samenkomen. De ‘schelp’ wordt door witte strepen in het plaveisel in negen stukken verdeeld, die verwijzen naar de periode dat Siena door een bestuur van negen man werd geregeerd, zo rond 1300.

Deze schelpvorm kwamen we deze maand al eerder tegen; het is tevens het symbool van de Contrada del Nicchio. Niet vreemd dus dat ook in het volkslied van de contrada de vergelijking met het Piazza del Campo naar voren komt:

‘Contrada azzurra come il nostro cielo
dal mare cullata,
conchiglia di corallo coronata,
simile al Campo, ove si corre il Palio.’

Oftewel:

Een contrada met het blauw van onze hemel
van de zacht kabbelende zee,
een schelp, omkranst door koraal, bekroond
net als de Campo, waar de Palio wordt gereden.

Het Piazza del Campo ligt overigens op neutraal gebied; het plein behoort tot geen enkele contrada. Wel eigende Civetta zich het plein vorig jaar even toe, toen de overwinningsmaaltijd die altijd volgt op de Palio niet in hun eigen wijk mocht worden gehouden. Zo had ik het Piazza del Campo nog nooit gezien…

Toch is het plein in de vroege ochtend het mooist. De Torre del Mangia werpt een voorzichtige schaduw op de voorbijgangers, die zich naar hun eerste kopje koffie van de dag spoeden. De duiven wassen zich in het water van de Fonte Gaia, de prachtige fontein die even na 1400 werd ontworpen door Jacopo della Quercia. De fontein ontleent haar naam aan de vrolijke festiviteiten waarmee de bevolking van Siena de komst van het water tot op het Piazza del Campo vierde; gaia betekent namelijk vrolijk.

Ook vandaag de dag hangt er steeds iets van vrolijkheid in de lucht rondom de fontein. Kinderen rennen rondjes, gadegeslagen door hun oma’s die met elkaar de nieuwste roddels uitwisselen. Niets heerlijker dan even te zitten mijmeren te midden van deze dagelijkse ‘drukte’, te midden van de Sienezen, die later op de dag hun huizen opzoeken om de toeristenmassa te ontvluchten.

Ga vooral voor de eerste busladingen toeristen aankomen een kijkje nemen in het Palazzo Pubblico, het stadhuis van Siena dat niet alleen van de buitenkant prachtig is maar tevens de mooiste kunstwerken van de stad herbergt.

In het Museo Civico dat in het Palazzo Pubblico is gevestigd, wandel je van de prachtigste fresco’s over het leven van paus Alexander III naar een zeer minutieus beschilderde kapel met afbeeldingen van klassieke goden, politici, filosofen en de deugden, een monnikenwerk van Taddeo di Bartolo. Ook het houtwerk is tot in detail uitgewerkt, kijk maar eens naar de koorbanken.

In de Zaal van de Wereldkaart verwacht je natuurlijk niets meer of minder dan een wereldkaart, maar die hangt hier nu niet meer. Hoewel in deze zaal eens de kaart van Siena en omgeving (hetgeen door de Sienezen als de wereld werd beschouwd) te bestuderen was, hangen er nu twee meesterwerken van een heel andere orde.

Wanneer je je blik naar links wendt, sta je oog in oog met een van de mooiste Madonna’s die ooit met penseel en verf is gecreëerd. Deze Maestà, in 1315 geschilderd door Simone Martini, is meer dan alleen de mooiste Maria die ik ooit heb gezien. Het bijzondere zit hem niet alleen in haar serene gezichtsuitdrukking, in de prachtige gewaden en fijne gezichtjes van haar gevolg, bestaande uit engelen en heiligen. Het is het verhaal erachter dat het schilderij boven het gros van de Maria’s uittilt. Maria zit namelijk onder een baldakijn, waarmee Martini geprobeerd heeft een soort van perspectief aan het tafereel te geven, hetgeen nog vrij ongewoon was in die tijd.

Aan de muur tegenover deze prachtige Maria hangt Giudoriccio da Fogliano, eveneens van de hand van Simone Martini. Het werk is een aandenken aan de inname van een kasteel door Sienese troepen, onder leiding van deze Giudoriccio da Fogliano. In de naastgelegen zaal, de Sala dei Nove (Zaal van de Negen), hebben de vroegere bestuurders van de stad laten afbeelden hoe een ideaal bestuur eruit zou moeten zien, maar daarover later deze maand meer.

Nog even terug naar het Piazza del Campo. We kunnen de 102 meter hoge Torre del Mangia, het symbool van de stad, natuurlijk niet overslaan. De naam van de toren is een afkorting van de naam van een van de klokkenluiders, Mangiaguadagni. Hoewel de toren bijna op het laagste punt van de stad staat, steekt hij hoog boven alle andere gebouwen uit. Wanneer het nog niet te heet of te druk is, beklim dan alle treden van deze slanke toren. Het uitzicht is de klim meer dan waard; je kijkt tenslotte niet elke dag uit over het mooiste plein van de wereld…

preload preload preload