jul 13

Schimmenrijk, een van de eerste boeken van Rosita Steenbeek, speelt zich af in de Maremma, in en om de plekken waar Etruskische overblijfselen gevonden zijn. De hoofdpersoon is de Nederlandse Lisa, die in een diepe crisis raakt als haar vriend Lorenzo, een archeoloog uit het gebied van de Etrusken, plotseling sterft. Lisa is zozeer verlamd door verdriet dat zelfs haar hartsvriendin Heleen, met wie ze jarenlang lief en leed heeft gedeeld in hun gezamenlijke appartement in Rome, haar niet kan helpen.

Bijna een jaar na het overlijden van Lorenzo, besluit Lisa een reis naar zijn geboortegrond in het zuiden van Toscane te maken om het verdriet in de ogen te zien en in de hoop meer te weten te komen over de raadselachtige omstandigheden rondom zijn dood.

Het is het begin van een avontuurlijke en tegelijk louterende tocht. Lisa komt in aanraking met de geheimzinnige wereld van tombaroli en fiumaroli, grafrovers en rivierschuimers, die haar rondleiden door het Dodenrijk. ’s Nachts daalt ze met hen af in beschilderde Etruskische tombes. Uiteindelijk weet ze via verborgen wegen niet alleen de ware toedracht rond de dood van Lorenzo te achterhalen, maar ook het spoor terug te vinden naar haar eigen leven. Haar vriendin Heleen zal haar daarbij op een onverwachte, paradoxale manier de hand reiken.

Schimmenrijk is een aangrijpende roman over verbondenheid en vergankelijkheid, vriendschap en liefde – en over het vieren van het leven in het aanzicht van de dood. Een fragment:

‘Angela gebaart Lisa haar te volgen over het geploegde land naar een lange, dichte haag van hoog riet. Boven hen, op de heuvel, ligt Saturnia dat in het licht van de laatste zon uit goud lijkt opgetrokken. Aurinia, stad van het goud, heette het vroeger, voordat Saturnus het zijn naam gaf, de god die regeerde in het gouden tijdperk, toen overal vrede heerste en iedereen gelukkig was.

Als ze dichter bij de haag komen, klinkt opnieuw geluid van water. Langs de riethalmen klimt haagwinde omhoog, dunne steeltjes met groene hartjes. Ze lopen verder tot ze bij een open plek zijn, als een loge.

Blauwwit water kolkt en borrelt voorbij, er komen dampen vanaf. Lisa kijkt naar Angela. Dit moet de plek zijn waar ze met Lorenzo had zullen baden, ’s nachts, bij kaarslicht.

Ze trekken hun kleren uit en hangen die aan de takken van een olijfboom, zoals de Etruskische meisjes dat deden op een vaas die ze in het museum had gezien.

Voorzichtig stappen ze in de warme beek. De stroming is sterk en ze moeten zich stevig vasthouden om niet te worden meegetrokken. Van twee kanten buigt het riet over hen heen en vormt zo een tunnel, een poort over een weg van dampend water. Lisa kan niet zien waar die weg begint en waar hij eindigt.

Hier lijkt de grens tussen droom en leven te vervagen. Ze stelt zich voor hoe Lorenzo langzaam uit de nevels opdoemt. Blijf daar, gebaart hij, in de wereld waar de dingen nog contouren hebben. Ze knippert met haar ogen. De oever is bruingroen met vlak boven het wateroppervlak een wit uitgeslagen rand. Overal ziet Lisa die groene hartjes van de winde, als in de tombe van Tarquinia, als tegen de muur van Lorenzo’s balkon.

Koesterend is het water. Voor het eerst wordt ze weer gestreeld, warm, zacht, sterk. De lange bladeren van de riethalmen wuiven als haren. De zwavelstank begint vertrouwd en bijna aangenaam te worden.

Ze zwemmen een eindje, het water sleurt hen mee.
‘Kijk uit,’ roept Angela. ‘Hier is een waterval.’
Net op tijd grijpen ze zich vast aan het riet. Dan dalen ze voorzichtig af, langs de zijkant, en gaan een meter lager zitten, onder het neerstortende water.

De stralen spatten op Lisa’s huid, als handen van honderden trommelaars slaan ze, jagen haar bloed door armen, buik, dijen. Even lijken al haar tobberijen op te lossen. Even lijkt ze alles te vergeten. Voor het eerst voelt ze weer dat ze een lichaam heeft. Ze blijven een tijd zo zitten, tot ze gloeien.

Angela haalt een hand modder van de oever, van vlak boven de waterspiegel. Het is bruinig, kleiachtig. ‘Dit is wat ze in al die mooie potjes stoppen en over de hele wereld duur verkopen.’

Ze smeert de klei op Lisa’s arm, dan op haar eigen armen en op haar gezicht. Lisa volgt haar voorbeeld. Het is een aangename sensatie, die smeuïge klei met haar hand van de oever te schrapen, zichzelf ermee in te smeren. Ze gaan op de wal zitten om ook de rest van hun lijf met een laag te bedekken en de modder te laten drogen. Langzaam veranderen ze van kleur en worden groen. Groen als het riet.

De avond valt.
‘Het wordt snel koud als de zon weg is,’ waarschuwt Angela. Met veel moeite waden ze tegen de stroom in, terug naar de plek waar ze hun spullen hebben achtergelaten. Ze spoelen de modder van hun lijf.

Als ze het water uit stappen, bibberen ze van de kou. Angela vist een handdoek uit haar rugzak en haastig drogen ze zich af. Op dat moment komt er een tractor langs. ‘Complimenti alla mamma!’ roept de jonge boer geestdriftig. Lachend kleden ze zich aan en in hoog tempo lopen ze de berg op, naar het stadje, terwijl het land de deken van de nacht over zich heen trekt.’

Schimmenrijk
Rosita Steenbeek
ISBN 9789044615913
€ 19,95
uitgeverij Prometheus

Getagd met:
apr 14

In Parels van Rome, het geschenkboekje van de Week van de Klassieken (zie Ciao tutti van gisteren), neemt Rosita Steenbeek je mee naar Ponza, Ventotene en Capri – drie eilandjes voor de kust van Rome. Ten tijde van het Romeinse rijk deden ze dienst als verbanningsoord voor de politieke elite. De bannelingen kwijnden er echter alles behalve weg; ze leefden in grote luxe. De eilanden zijn tegenwoordig weer in trek bij de Romeinse jetset. Rosita Steenbeek schreef er een persoonlijk reisverslag over waarin geld en macht, rijkdom en weelde centraal staan.

Een fragment:

‘In de vroege ochtend rijd ik met de bus door een langzaam ontwakend Rome naar Stazione Termini. De straten zijn nog donker en de eerste lichten gaan aan in de palazzi, waardoor je een glimp kunt opvangen van de grandeur die achter de gevels verborgen ligt. Aan de andere kant van de open ramen schitteren beschilderde plafonds en wanden, kleurig zoals ooit in de paleizen van de keizers.
We komen langs Palazzo Massimo, waar de wandschilderingen te zien zijn uit de villa van Livia: tuinen vol bloemen, fruitbomen, vazen, beelden en zingende vogels.

Even later zit ik in de trein naar Sicilië, die zal stoppen in Taormina, Catania, Syracuse. De trein zal langs de Valle del Bove rijden, waar de zonnegod zijn runderen liet grazen, langs het Griekse theater van Taormina met de Etna, de werkplaats van Vulcanus als deel van het decor, en uiteindelijk stoppen in de buurt van de hoge witte muren van het Oor van Dionysus. Het is een eiland waarnaar ik altijd heimwee houd.

Maar nu stap ik uit in Formia en ga ik naar een eiland waar ik nog nooit een voet aan wal heb gezet: Ponza, waar niet alleen de hedendaagse jetset van Rome verkoeling zoekt in de zomer maar waar ook de rijken van de oudheid naartoe gingen.

het eiland Ponza

Mijn vriendin Valentina heeft me erover verteld. Ponza zou nog mooier zijn dan het nabijgelegen Ventotene, het eiland waarheen keizer Augustus zijn dochter Julia verbande, en dat ik vorig jaar bezocht. Ponza is niet voor niets het eiland waar de keizer zelf zijn zomervilla bouwde. […]

De trein raast langs Anzio, waar keizer Nero is geboren en waar onlangs een monument voor hem is opgericht. De bevolking van Anzio vond dat dat hem toekwam omdat er onterecht veel kwaad over deze keizer is gesproken. Onder het grote bronzen standbeeld staat geschreven dat het rijk tijdens zijn principaat een periode van vrede kende, van grote luister en belangrijke hervormingen. Aan het strand van Anzio zijn de resten van zijn villa nog te zien. […]

Ik moest zeker Le Grotte di Pilato gaan bewonderen, aan zee, onder de Romeinse villa. Het eiland was niet genoemd naar Pontius Pilatus. Net zoals Germanicus en Britannicus hun namen dankten aan de gebieden die ze hadden overwonnen, had Pilatus zijn naam aan het eiland te danken, omdat hij daar met succes een opstand de kop in had gedrukt. (Anderen zeggen dat hij zo heet omdat hij naar Ponza verbannen werd.)

We suizen door het station van Fondi waar ik vaak uitstap om naar het strand te gaan van Sperlonga, aan dezelfde intieme baai die keizer Tiberius uitverkoos. Vanaf dat strand zie je de grot liggen waarin je vanuit het paleis kon afdalen. Die grot grenst aan de zee en was omgebouwd tot lustoord voor feesten en partijen. Op een platform omspoeld door water werd getafeld te midden van grote beelden en beeldengroepen van figuren uit de Odyssee. Scylla, het veelarmige monster met vrouwentorso dat de boot van Odysseus grijpt, Odysseus die met zijn mannen Polyphemus zijn ene oog uitsteekt. […]

Het moet feeëriek geweest zijn om te tafelen in die grot, omringd door beeldengroepen die tot leven leken te komen in het licht van fakkels en in de weerspiegeling in mozaïeken en water, terwijl er passages uit de Odyssee werden voorgedragen. Niet toevallig liet Tiberius deze figuren uit steen hakken. Odysseus doolde rond aan deze zelfde kust.’

In Parels van Rome dolen ook wij langs deze kust, in het gezelschap van Rosita Steenbeek en haar prachtige verhalen. Dit boek is echter niet gewoon te koop; je krijgt het cadeau bij aankoop van een van de titels die tijdens de Week van de Klassieken (die tot en met 24 april duurt) centraal staan. Kijk voor een overzicht van alle ‘Week van de Klassieken’-titels op www.weekvandeklassieken.nl

apr 13

Vandaag wordt voor de vierde keer het startschot gegeven voor de Week van de Klassieken, een week waarin de klassieke schrijvers centraal staan. Het thema van dit jaar is Geld. Ter gelegenheid daarvan presenteren uitgeverij Athenaeum en uitgeverij Ambo een aantal nieuwe titels en nieuwe edities van klassiekers. Verschillende culturele organisaties en instellingen hebben speciale tentoonstellingen, lezingen en andere evenementen op het programma staan.

Klassiekers
Tijdens de Week presenteert uitgeverij Athenaeum enkele bijzondere klassiekers, zoals Van Troje tot Tiberius van Velleius Paterculus, in een prachtige vertaling van Vincent Hunink. Velleius Paterculus vertelt in dit boek het levendige verhaal over de burgeroorlogen en over de keizers Caesar, Augustus en Tiberius. Dankzij zijn vertelkunst wordt de gestage, onomkeerbare verandering van republiek naar keizertijd al die tijd later bijna tastbaar, en is het net of je de ommekeer zelf meemaakt.

Daarnaast verschijnt het Verzameld werk van de stoïsche filosoof Epictetus en het Orakelboek, dat alle vragen – ook die over geld – zal beantwoorden. Ook brengt uitgeverij Athenaeum Vrouwen van Rome, over seks, macht en politiek in het Romeinse Rijk.

Uitgeverij Ambo brengt speciaal voor de Week van de Klassieken Athene, Het oude Egypte en een goedkope editie van Nero & Seneca. Anton van Hooff schetst hoe de levens van de keizer en de filosoof eerst nauw met elkaar verbonden waren, maar gaandeweg verder van elkaar verwijderd raakten. Het roept de vergelijking op met latere terreurregimes waarin intellectuelen voor de gewetensvraag kwamen te staan hoever ze moesten meegaan met hun tirannieke heerser en is nu misschien wel actueler dan ooit. Voor wie nieuwsgierig is: via deze link kun je alvast een fragment lezen.

Parels van Rome
Ambassadeur van de Week van de Klassieken is dit jaar Rosita Steenbeek. Zij schrijft het geschenkboekje met de titel Parels van Rome. Je ontvangt dit boekje bij aankoop van een van de bovengenoemde actietitels. Met het boekje krijg je overigens niet alleen een prachtig reisverhaal zoals we dat van Rosita Steenbeek gewend zijn, het dient tijdens de Week van de Klassieken ook nog eens als toegangskaartje voor het Allard Pierson Museum in Amsterdam, het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, Het Valkhof in Nijmegen, Tresaor in Leeuwarden en het Geldmuseum in Utrecht. Morgen krijgen jullie een voorproefje van Rosita’s reis naar de eilanden!

Lezingen, exposities en andere evenementen
Vanavond wordt de Week van de Klassieken feestelijk geopend met de Nacht van het Orakel in het Comedy Theater in de Nes. Tijdens deze avond doen verschillende experts voorspellingen over de toekomst van onder andere Athene, de liefde en vinex-wijken…

In het Allard Pierson Museum is vanaf vandaag de afdeling met Griekse en Romeinse munten weer open. Ook worden er in het museum verschillende lezingen rondom het thema geld gegeven.

Op vrijdagavond 15 april zijn er bijvoorbeeld twee lezingen i.s.m. Labrys Reizen. Drs. Hein L. van Dolen, classicus en byzantinoloog, opent met de lezing ‘Handel en wandel. De markt van het antieke Athene’. Aansluitend zal drs. Andrea Vreede, archeologe en NOS-correspondente in Rome, de lezing ‘Brood en spelen onder Silvio Berlusconi, Caesar van modern Italië’ houden.

Op Witte Donderdag speelt het Allard Pierson Museum in op het verraad van Judas, die tijdens het Laatste Avondmaal Jezus met een kus verraadde – voor 30 zilverlingen. Tijdens de lezing wordt ingegaan op de vraag met welke munten Jezus nu verraden werd en wat Judas er toentertijd voor had kunnen kopen.

Op diezelfde avond vindt in het Rijksmuseum van Oudheden de eerste ‘Ken-Uw-Klassieken Pubquiz’ voor classici plaats. Onder het genot van een drankje vragen docenten, studenten en andere geïnteresseerde classici het uiterste van hun kennis over de Klassieke Oudheid, in de strijd om een fraai prijzenpakket en de onvergankelijke eer.

Op verschillende dagen en locaties vertelt Rosita Steenbeek over de invloed die de Klassieken al vroeg op haar hadden, en over de inspiratie die de klassieke literatuur en de antieke wereld haar nog steeds bieden. Ze zal ook ingaan op het thema van de Week van de Klassieken: geld en luxe in de Oudheid.

Kijk voor meer informatie over bovengenoemde lezingen en evenementen, en voor een volledig overzicht van alle activiteiten tijdens de Week van de Klassieken, op www.weekvandeklassieken.nl Met de quiz op deze site kun je bovendien een reis naar Rome winnen!

okt 04

Ook Rosita Steenbeek liet zich betoveren door de sprookjesachtige sfeer van La Casina delle Civette, het Uilenhuisje, in de Villa Torlonia. In haar net verschenen boek, Kleuren van Rome, vertelt ze over deze bijzondere plek in Rome:

‘In de krant lees ik dat er een concert is in de Villa Torlonia, het grote ommuurde park aan de rand van de stad. Ik was er vaak langsgekomen maar nooit binnengegaan. Er lag een doem overheen omdat Mussolini daar had gewoond. Je hoorde er bijna nooit over, in tegenstelling tot de Villa Borghese of de Villa Doria Pamphili waar mensen gingen wandelen of picknicken. Dit was een kans om er toch eens rond te gluren. De villa werd volledig gerestaureerd en het was onvolwassen, zo zei de burgemeester van Rome, om het verleden te verdringen.

Ik stap uit de bus in de Via Alessandro Torlonia en loop langs de antiek aandoende muur naar de toegangspoort. Aan het eind van de achttiende eeuw was de in korte tijd rijk geworden familie Torlonia in de adelstand verheven. Daarbij hoorde een villa, zoals de grote adellijke Romeinse families bezaten, een parkachtig land met een paleis, priëlen, paardenstallen, theaters, vijvers met watervallen en fonteinen. De Torlonia’s hadden deze lap grond waar eerst wijngaarden waren en artisjokkenvelden, gekocht en omgetoverd tot een vorstelijk landgoed.

Het is al schemerig. Palmen in alle vormen en maten werpen schaduwen over het pad. Tussen de stammen zie ik een enorme obelisk. Ik tuur naar de raadselachtige hiëroglyfen. Dit moet een van de twee obelisken zijn die Alessandro Torlonia in 1848 liet oprichten voor zijn ouders. Echte obelisken waren niet meer voorradig in Rome, daarom heeft hij ze uit een blok roze graniet laten hakken en via Venetië, de Adriatische zee waar het stormde, de Straat van Messina en tenslotte over de Tiber hier naartoe laten vervoeren.

Er is niemand te bekennen. Alleen de roep van een vogel klinkt af en toe. Achter de obelisk ligt het met zuilen gesierde paleis, waar de Duce vanaf 1925 resideerde en waar de Amerikaans-Engelse troepen in 1943 hun intrek namen. Er staan hekken omheen, barakken, hijskranen. Ik wandel verder tussen de palmen, ceders, oleanders, tot ik bij een aangetaste muur kom met nissen en afgebroken pilaren. Op een bordje lees ik ‘Finti ruderi’. Deze namaakruïne krijgt ook een opknapbeurt, evenals de bouwvallige Tempel van Saturnus. Ik tuur naar het reliëf van de god van de Tijd die Vreugde, Kunst en Cultuur verzwelgt. De antieke tempel ziet er verdacht nieuw uit.

Het grind kraakt onder mijn voeten als ik doorloop. In de verte glanst licht. Dat zal La casa delle civette zijn, het huis van de uilen, waar het concert is. Hoe dichter ik nader, hoe meer ik het gevoel heb in de Efteling te zijn. Ik zie een sprookjeskasteeltje, met torentjes, balkonnetjes, zuilen, koepeltjes. In een soort gewelf onder het huis staan een vleugel en rijen stoelen.

Ik loop naar binnen en kom in een hal met houten wanden en kleurig glas in lood. Ik ga de houten kronkeltrap op en wandel door kamertjes, halletjes, koepeltjes, allemaal voorzien van kleurige glaskunst. In al dat glas zijn vogels verwerkt. Zwaluwen, pauwen, eksters. In de badkamer zwemmen zwanen en in de zoldering van de slaapkamer waar prins Torlonia sliep, fladderen vleermuizen.

De prins was een mensenschuw man, vertelt de conservatrice van het Uilenhuis. Hij voelde zich meer thuis in de wereld van de nachtvogels. Hij trok zich hier terug toen de Mussolini’s het paleis betrokken. De dame klaagt dat alles veranderd is. Het was hier doodstil, nu wordt men overspoeld door lawaaierige kinderen met ouders die denken dat dit een soort Eurodisney is. Tot voor kort kwam hier alleen een groep archeologen die onder leiding van een Nederlandse professore onderzoek deed naar de catacomben. Ja, er zijn Joodse catacomben onder dit terrein ontdekt, vertelt ze, ouder dan de christelijke. Een deel daarvan was door Mussolini omgebouwd tot bunker. Achter het huis komt een museum van de Shoah.

Tijdens de lieflijke noten van Mozart sluipen katten rond, die verlekkerd omhoog kijken naar de houten, metalen en glazen vogels boven hun kop. Als ik weer terugwandel, fladderen echte vleermuizen boven de namaakruïnes en even lijkt het of de sfinxen terug zijn die de toegangspoort sierden.’

Kleuren van Rome bevat alle columns die Rosita Steenbeek de afgelopen jaren voor Italië Magazine schreef. In geuren en kleuren vertelt ze over het dagelijkse leven in Rome: over kattengejank dat haar berooft van haar nachtrust, over de ‘sprekende beelden’ die de Romeinse straten en pleinen bevolken, over de machines van Leonardo da Vinci en het laatste etentje van Pasolini. Ze rent langs de Tiber en wandelt over de ‘koningin der wegen’. Ze daalt af naar de wereld die onder de stad verborgen ligt, maar kijkt ook omhoog, naar de wonderbaarlijke vogels in de Romeinse lucht.

Haar columns in Italië Magazine worden geïllustreerd door Sieb Posthuma. In het blad is er vaak maar beperkt ruimte voor zijn schitterende illustraties, maar gelukkig wordt dat in deze bundel meer dan goed gemaakt: met de paginavullende illustraties is Sieb Posthuma’s aandeel in een enkeltje Rome minstens zo groot.

Een heerlijk boek om bij weg te dromen; Rome ontvouwt zich aan je voeten – waar je ook bent!

aug 12

Op mijn zoektocht naar het lekkerste Italiaanse ijs in Amsterdam miste ik een smaak die ik tijdens mijn laatste bezoek aan Italië tot de lekkerste ijssmaak heb verkozen: granaatappelijs. Er gaat niks boven dit smaakvolle, helderrode ijs, dat overigens misschien nog wel lekkerder smaakt met een bolletje vanille-ijs erbij voor het contrast. Bewerkelijk is het wel, dus misschien niet zo gek dat geen enkele Amsterdamse ijssalon zich er dagelijks aan waagt.

Ingrediënten:
5 granaatappels
1 citroen
200 g suiker

Haal de pitjes uit de granaatappels. Doe dit wel voorzichtig, want een rijpe granaatappel kan erg spatten en het rode sap maakt vlekken die moeilijk te verwijderen zijn. Doe de pitjes in een pan en pers de citroen erboven uit. Schenk er een half glas water bij en roer de suiker erdoor. Laat het geheel een kwartier zachtjes koken. Wrijf het mengsel door een zeef en laat het goed afkoelen. Draai vervolgens in de ijsmachine van dit granaatappelsap in ongeveer 30 minuten een heerlijke granaatappelsorbet, oftewel gelato melagrano.

Siciliaans testament – Rosita Steenbeek

In Siciliaans testament van Rosita Steenbeek vond ik een fragment waarin het granaatappelijs als toetje wordt opgediend. Het granaatappelijs wordt hier vast niet voor niets opgediend; de vrucht staat symbool voor de melancholie die door het hele boek heen te voelen is.

Siciliaans testament gaat over een Nederlandse vrouw die naar Sicilië terug is gekeerd om haar voormalige geliefde te bezoeken, die stervende is. Waar ze vroeger midden in la dolce vita belandde en de liefde geen grenzen kende, komt ze nu terecht in een duister drama, met een oude verbitterde man, zijn schizofrene zoon en een tirannieke butler. De fysieke en mentale ontluistering van de oude psychiater en man van de wereld staan in schril contrast met de schoonheid van het eiland en de uitbundige feestelijkheden rond de beschermheilige van de stad, Sant’Agata.

Siciliaans testament is een hartstochtelijke ode aan Sicilië en ademt een zoete melancholie om wat was en nooit meer zal zijn. Lees maar een stukje mee:

’s Avonds eten ze op het door kaarsen verlichte terras van Sant’Elena, onder de hoge bomen waarin krekels boven de romantische muziek van de pianobar uit proberen te komen, naast hen het maanverlichte strand en de glanzende zee.

Ze was hier gelukkig geweest. En ongelukkig. Ze hield van hem en hij van haar. Ze leefde in het hier en nu, met hart en ziel en zinnen. Alles wat haar grond vormde, waarmee ze was grootgebracht, het Griekse theater, oude kerken, beeldende kunst en geschiedenis, vond ze hier. In andere opzichten was het jetsetbestaan van strand en nachtclubs, motorboten, luchtig vertier, in strijd geweest met alles wat ze kende en had nagestreefd. Maar de ondergrond was dramatisch, dat had ze altijd gevoeld, zoals hun relatie dramatisch was, want onmogelijk. Omdat ze zo aan hem verslingerd was kon hij haar kwetsen zonder het te willen. Dan had ze het gevoel dat ze een vastgelegde rol moest spelen in het leven dat hij al veertig jaar leidde. Nu raakt hij haar niet meer op die manier en dat is tegelijkertijd droef en bevrijdend. Ze voelt geen drang te vechten om zijn aandacht. Ze vindt het wel erg dat hij somber is en ze betreurt het dat ze daar weinig aan kan doen.

Er staat geen risotto alla zarina meer op de kaart, risotto met kaviaar, die ze hier vroeger altijd namen, wel risotto al nero di seppia, risotto in zwarte inktvisseninkt.
Achter de oleanders ziet ze het huisje met balkon dat ooit speciaal voor Roberto als appartement was ingericht. In de drukste periode van de zomer zaten ze vaak hier omdat Roberto geen zin had om heen en weer te rijden tussen de villa en de zee en ook omdat het hier levendig was en vol zat met artiesten die optraden tijdens het festival. Ze ziet zichzelf daar voor de spiegel staan om zich op te tutten voor een feestdiner en hoe het zweet van haar gezicht bleef druipen. Ook toen woei de scirocco en hield het eiland dagen in zijn gloeiende greep met temperaturen die zelfs ’s nachts niet onder de veertig graden daalden.

‘Beetje bitter,’ zegt Roberto melancholiek, ‘dat de dingen niet meer zijn zoals ze waren.’
Dat zei hij twintig jaar geleden ook en daar had ze vaak om gehuild.
‘Ook mooi,’ zegt hij nadat ze een tijdje zwijgend hebben gegeten. ‘Ieder mens heeft seksuele gevoelens, de laagste mensensoort, de dieren. Ze volgen hun driften en instincten, maar dit wat wij hebben is bijzonderder.’
Ze kijkt naar hem. Hij niet naar haar.
‘Diepe affectie, van hart en ziel.’
Dan ziet ze even een weemoedige glimlach.

Toe nemen ze granaatappelijs, zoet en bloedrood.
‘Ik heb veel fout gedaan, me door instincten laten beheersen. Wat is ervan over? Niks.’ Als hij de kracht zou hebben zou hij zich meteen weer in datzelfde leven storten, daar maakt ze zich geen illusies over.

Na het eten gaan ze zitten aan een tafeltje bij de rand van de dansvloer, een gedeelte van het grote terras dat door een bloemenhaag wordt gescheiden van het restaurant. De pianist speelt ‘Mala femmina’, zoals vroeger als ze hier verschenen. ‘Slechte vrouw, zoet ben je als suiker, je gezicht dat van een engel, en dat alles om mij te misleiden.’ Nadat Roberto dit lied een paar keer als verzoeknummer had laten zingen, zetten de zangers in alle pianobars het in zodra zij binnenstapten.

‘Champagne?’
Even later wordt er met een ingetogen knal een fles ontkurkt.
Ze toasten.
‘Op ons,’ zegt ze, ‘op wat is geweest, en op dat we hier weer zijn.’

© Rosita Steenbeek

aug 05

In mei was ik al zo verbaasd toen het met Pinksteren rozenblaadjes regende in het Pantheon (zie Ciao tutti van 23 mei), maar toen ik in Terug in Rome van Rosita Steenbeek las dat het in Rome altijd sneeuwt op 5 augustus, viel ik van verbazing bijna van mijn stoel. Sneeuw in augustus? Als de Romeinen de stad grotendeels verlaten hebben vanwege de drukkende hitte en je alleen nog toeristen over de trottoirs ziet slenteren, naarstig op zoek naar een barretje dat nog open is voor een flesje water of een ijskoffie? Als zelfs de Romeinse zwerfkatten pas ver na het vallen van de avond uit hun koele schuilplaats tevoorschijn komen om hun kostje bij elkaar te scharrelen?

Toch is inderdaad niets minder waar: elk jaar op 5 augustus sneeuwt het even in het snikhete Rome. Hoe dat kan? Rosita Steenbeek legt het uit:

‘Door een lege en al behoorlijk warme stad loop ik naar de Santa Maria Maggiore.
Een sneeuwbuitje zou een lekkere opfrisser zijn. Het is 5 augustus en vandaag wordt herdacht hoe Maria op 5 augustus van het jaar 356 door een sneeuwbui duidelijk maakte dat op die plek, boven op de Esquilijn, een kerk voor haar moest worden gebouwd. Paus Liberius gaf meteen gehoor aan haar verzoek. De eerste kerk is verdwenen. Na het concilie van Efeze in 431, waarbij Maria werd uitgeroepen tot Maria Theotokos, godbaarster, moeder van God, liet Sixtus III de huidige kerk bouwen.

Ik loop door de stille Via Panisperna, eerst omhoog, dan naar beneden en daarna weer omhoog, en ervaar dat Rome echt op heuvels is gebouwd. […]
Daar rijst de Santa Maria Maggiore op. Het onderste gedeelte van de zuil die ooit voor de ingang stond van het mausoleum van Augustus is verdwenen achter stellages die zijn opgesteld voor het spektakel dat hier vanavond plaatsvindt en dat wordt uitgezonden op de televisie. Vanavond schijnt het nóg eens te gaan sneeuwen.

Ik ga naar binnen, er zitten al behoorlijk wat mensen. […]

De mozaïeken schitteren extra luisterrijk in het licht van de schijnwerpers. Het marmer glanst en aan het plafond flonkert het goud dat Columbus meenam uit Amerika. Tussen de gouden rozetten is ook af en toe een stier te zien op de wapens van de twee Borgia-pausen.

In een zijkapel die is afgesloten door een hek houdt kardinaal Law een soort voor-plechtigheid. Ik gluur naar binnen, maar een mannetje in beige pak jaagt me met een vervaarlijke kop weg en ook andere belangstellenden worden als honden verjaagd. Waarschijnlijk een gek uit de buurt. Ik loop door en vind een plek aan de zijkant vlak bij het altaar, naast een groepje dames met een rozenkrans in de hand. Ze zijn vriendelijk en vertellen dat ze hier elke dag komen bidden. Dit is de mooiste plek, zeggen ze, want hier kun je Maria goed zien, anders zit het altaar ervoor. Het schitterende mozaïek van Maria die door Christus wordt gekroond. […]

Op het altaarpodium, dat is versierd met rode en witte bloemen, wordt druk geregisseerd door een ceremoniemeester in een fuchsiakleurig gewaad. Hij maakt weidse bewegingen met zijn armen om de choreografie goed in te prenten bij een reeks jonge priesters in zwarte toog die aandachtig luisteren. […]

Ik kijk omhoog naar het gouden cassettenplafond en vraag me af waar de sneeuw uit moet komen. Nadat ik een tijd speurend heb gekeken, zie ik dat een van de rechthoeken een beetje openstaat, als een luikje.

Law vertelt het verhaal van de geschiedenis van de kerk. Dat de rijke Romein Giovanni droomde dat Maria een sneeuwbui liet neerdalen op de Esquilijn om aan te geven dat daar de kerk moest komen. Hij snelde naar paus Liberius, die vertelde dat hij dezelfde droom had gehad. Toen ze samen naar de Esquilijn gingen zagen ze dat die inderdaad was overdekt met sneeuw. Daarop trok paus Liberius de omtrek van de kerk in de sneeuw en met de financiering van Giovanni werd de kerk gebouwd, zoals vele rijke lieden tijdens het opkomende christendom hun geld staken in het bouwen van gebedshuizen.

Trompetgeschal.
Honderd mannenstemmen zingen de lof van de hemelkoningin.
En dan dwarrelen de witte blaadjes neer, uit het gouden plafond, het gaat maar door, ze dwarrelen de grote opening in, op het kribje en het beeld van Pius IX. Mensen kijken omhoog, de handpalmen omhoog geheven. […]

Ook de marmeren vloer raakt bezaaid met witte blaadjes. ‘Dahliablaadjes,’ zegt de vrouw naast me. ‘Vroeger waren het rozenblaadjes. Hebben de nonnen van de steeltjes gehaald.’ Een paar vrouwen schieten naar voren, pakken wat blaadjes van de vloer, houden ze koesterend vast, mompelen iets. ‘Tu sei benedetta fra le donne.’ […]

Mensen verdringen zich bij de omheining rond het lager gelegen gedeelte met het kribje, grijpen naar blaadjes, verzamelen ze haastig, drukken ze tegen zich aan, stoppen ze in hun tas, in hun zakken. Het beeld van de paus is geheel overdekt. Witte blaadjes op zijn witmarmeren hoofd, zijn marmeren schouders, handen. Ook de vloer is overdekt. Mannen in zwart pak verzamelen ze in manden en delen ze uit. Mensen storten zich erop, met zoveel heftigheid en emotie alsof hun leven ervan afhangt en menigeen zal dat waarschijnlijk ook denken…’

Het volledige verhaal over de sneeuwvlokken in de Santa Maria Maggiore is te lezen in Terug in Rome. In dit boek (dat tot eind augustus slechts een tientje kost!) vervolgt Rosita Steenbeek de avontuurlijke omzwervingen door deze zo gelaagde stad, die ze begon in Thuis in Rome. Belevenissen in het heden worden afgewisseld met gebeurtenissen in het antieke Rome. Ze eet ondergronds in een pizzeria, gebouwd tussen de muren van de Thermen van Agrippa, ze ontmoet kleurrijke personages , zoals Tiberschuimster Valentina, ze bezoekt de villa met de bunker van Mussolini en de sacristie van de paus. Wederom wordt duidelijk dat het gewone leven in Rome nooit gewoon is!

mei 23

Net als eergisteren maken we vandaag een uitstapje naar Rome, voor het jaarlijkse pinksterritueel in het Pantheon. De Romeinse brandweer laat tijdens de pinkstermis rozenblaadjes door de oculus (het gat in de koepel) naar beneden dwarrelen, als symbool voor de vurige tongen die de Heilige Geest met Pinksteren op Maria en de Apostelen liet neerdalen. In Terug in Rome beschrijft Rosita Steenbeek dit feestelijke gebeuren:

‘Op de Piazza della Rotonda staat een grote brandweerauto knalrood te glanzen in de zon. Daarachter klatert de fontein met de naam van paus Gregorius XIII erop, die deze fontein samen met achttien andere liet ontwerpen om te vieren dat het Aqua Virgo weer ging stromen. Dat water, dat voor het eerst Rome binnenvloeide op 9 juni van het jaar 19 voor Christus en de baden van de Thermen van Agrippa vulde, werd stilgelegd toen de Goten de aquaducten verwoestten. Maar in 1572 kwam het water weer tot leven en nu kunnen we het ook zien bruisen in de Trevifontein en La Barcaccia op de Piazza di Spagna. Later werd deze fontein voor het Pantheon opgetuigd met maskers en dolfijnen, en de obelisk waarop Ramses II geprezen wordt, die ooit de Isistempel sierde hier vlakbij.

Op mijn stamterras zitten alleen een paar duiven.
Veel mensen verdringen zich voor de ingang van het Pantheon. De enorme bronzen deuren zijn ontsnapt aan de smeltlust van paus Urbanus VIII, die vele andere onderdelen van het Pantheon liet omvormen tot kanonnen en het baldakijn boven het altaar in de Sint-Pieter.
Naast de deuren zijn reliëfs te zien van bloemenguirlandes. Die waren niet aanstootgevend. Reliëfs met heidense voorstellingen zijn daarentegen vervangen door stenen met namen van pausen. In de nissen aan beide kanten van de poort stonden ooit beelden van Augustus en Agrippa. […]

Een paar mannen in mooie uniformen waarschuwen dat je als je naar binnen gaat er pas over twee uur weer uit mag. Veel mensen deinzen terug. Er klinkt gezang in de grote ronde ruimte waar een baan licht binnenvalt door het gat in de koepel. […]

Omdat de heilige Geest zichtbaar werd in de vorm van vlammetjes boven de hoofden van de apostelen, heeft de brandweer een speciale band met dit feest. Venit Creator Spiritus! Er wordt gezongen met heldere stemmen. Kom Schepper Geest! Op het juiste moment vliegt een duif binnen die wat lekkers brengt aan haar jonkies boven in de koepel. In de grote nis tegenover de ingang staan in het rood gehulde priesters rond het altaar. […] ‘Vruchten van de Heilige Geest zijn liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.’

Ik kijk naar de koepel, dat wonder van bouwkunst. Een van de geheimen van de duurzaamheid is dat er steeds lichtere steen is gebruikt, steeds meer puimsteen werd gemengd, hoe verder de koepel naar de hemel reikte. Bovendien werd er lang geroerd in het cement totdat de laatste luchtbel eruit was en wordt de wand naar boven toe steeds dunner.

De mannen staan roerloos.‘Steek het vuur van uw liefde aan!’ Even later wordt plechtig de hostie binnengedragen en een grote rode mand met witte rozen, een cordon van mannen en vrouwen in lange capes eromheen. […] Er klinkt verstild Gregoriaans gezang. Dan draaien de brandweerlieden zich om en vormen een cirkel onder de opening. Ze doen de gelige schermen, waarmee ze zich gewoonlijk tegen de vlammen beschermen, voor hun gezicht. Ze vouwen hun handen.
Iedereen kijkt naar boven, vol spanning, naar de blauwe hemel achter het ronde gat. Fons vivus, ignis, caritas. Levende bron, vuur, liefde. Dan dwarrelen rode rozenblaadjes naar beneden. Ze blijven maar neerdalen, opvlammend in de baan licht. Ze dwarrelen neer op de marmeren vloer, op de hoofden, de armen, de boezems, in een kinderwagen, in de haren van de in het rood gehulde priesters, op de helmen van de brandweerlieden.

Een sterke rozengeur verspreidt zich door de ruimte. De marmeren vloer raakt volledig overdekt met een dikke laag blaadjes.
Mensen zijn stil, sprakeloos.
Het gaat maar door.
Wel een kwartier.
In die mengeling van antieke geschiedenis, christelijke boodschap en beeldende kunst daalt de Heilige Geest in de vorm van die rode vlammetjes op ons neer. Iedereen is lange tijd stil en dan barst het gekwetter in alle talen los.’

© Rosita Steenbeek | www.rositasteenbeek.nl

Het volledige verhaal over de rozenregen in het Pantheon is te lezen in Terug in Rome. In dit boek vervolgt Rosita Steenbeek de avontuurlijke omzwervingen door deze zo gelaagde stad, die ze begon in Thuis in Rome. Belevenissen in het heden worden afgewisseld met gebeurtenissen in het antieke Rome. Ze eet ondergronds in een pizzeria, gebouwd tussen de muren van de Thermen van Agrippa, ze ontmoet kleurrijke personages , zoals Tiberschuimster Valentina, ze bezoekt de villa met de bunker van Mussolini en de sacristie van de paus. Wederom wordt duidelijk dat het gewone leven in Rome nooit gewoon is!

Getagd met:
preload preload preload