sep 14

De regina viarum, de koningin der wegen, zo luidde de eretitel van de Via Appia ten tijde van het Romeinse rijk. Het was de belangrijkste weg van het Romeinse rijk, de weg ook die het meest tot de verbeelding sprak en spreekt. Het begin van de Via Appia bevond zich op het Forum Romanum, waar ook de andere grote wegen uit die tijd hun vertrekpunt hadden.

Het eerste deel van het toenmalige traject van de Via Appia stond beter bekend als de Via Triumphalis, de Weg van de Triomf, die door zegevierende keizers en veldheren werd afgelegd na weer een overwinning. Tegenwoordig begint de Via Appia Antica pas bij de Porta San Sebastiano, die daardoor ook wel de Porta Appia wordt genoemd. Pas hier kun je – vooral op zondag, als er geen verkeer is – iets van de grandeur van de oude Romeinse weg ervaren en voelen hoe het hier duizenden jaren geleden geweest moet zijn.

De Via Appia werd namelijk al in 312 voor Christus aangelegd, om ervoor te zorgen dat de Romeinse soldaten snel van Rome naar het zuiden konden trekken. Het idee voor de aanleg van deze weg kwam van censor Appius Claudius Caecus, die ook zijn naam aan de weg gaf. In eerste instantie was het de bedoeling om Rome te verbinden met de stad Capua.

Onderweg stuitte men op veel moeilijkheden, niet in het minst vanwege natuurlijk hindernissen zoals de Pontijnse moerasvlakte (die pas tijdens de regeerperiode van Mussolini helemaal drooggelegd zou worden). Het eerste traject van de Via Appia eindigde in Terracina. Dit deel was een min of meer recht aangelegde weg die zich uitstrekte over een lengte van 90 kilometer. De laatste 30 kilometer lagen bovendien langs een reeds gegraven afwateringskanaal, hetgeen het transport van benodigde materialen aanzienlijk vergemakkelijkte.

Na Terracina moest de bergkloof van Itri overwonnen worden, om na in totaal bijna 200 kilometer in Capua aan te komen. Gemiddeld duurde het een dag of vijf, zes voor men van Rome naar Capua was gereisd, aanzienlijk sneller dan voor de aanleg van deze weg. De Via Appia groeide in de jaren daarna mee met het Romeinse rijk. Toen steeds meer gebieden in het zuiden werden geannexeerd, werd de Via Appia eerst doorgetrokken tot Benevento, tot Taranto en uiteindelijk zelfs tot Brindisi, waar nog steeds een afsluitende mijlpaal staat.

De precieze afstand tussen Rome en Brindisi bedroeg circa 540 kilometer, in die tijd een kleine twee weken reizen. Met enige regelmaat (meestal om de 12 kilometer langs drukke trajecten en om de 15 tot 17 kilometer langs de minder gebruikte stukken) konden reizigers terecht bij een uitspanning waar men iets kon eten en drinken, waar de paarden gewisseld konden worden en waar men kon overnachten.

De Via Appia was van begin af aan een brede weg, met een standaardmaat van 14 Romeinse voet, ruim 4 meter. Zo konden twee wagens die elkaar tegemoet kwamen elkaar zonder problemen passeren, hetgeen de snelheid van de reis zeker ten goede kwam. Naast elke kant van de rijweg, die overigens – als eerste weg ooit – geplaveid was met grote basalttegels, lagen twee voetpaden, van de rijweg gescheiden door kantstenen van circa 1,5 meter breed.

Hoe de Via Appia er in die tijd precies heeft uitgezien, zullen we nooit weten. Charles Dickens, de beroemde Britse schrijver, beschrijft in zijn Italian Travel hoe de weg er in de negentiende eeuw uitzag: ‘Twaalf mijlen lang klommen wij ononderbroken over heuvels en puinhopen, verwoeste en ingestorte grafmonumenten en tempels, kleine brokstukken van zuilen, friezen, sokkels, grote blokken graniet en marmer, verweerde, met onkruid begroeide bogen. Genoeg stenen om er een hele stad mee te bouwen, lagen verstrooid om ons heen. Soms stonden er muren, door schaapherders uit losse stukken opgestapeld, in de weg, dan weer werd het doorlopen gehinderd door een greppel tussen twee puinhopen. Af en toe waren het de brokstukken zelf die onder onze voeten wegrolden en het lopen moeilijk maakten. Maar het was altijd puin.’

Het deel van de Via Appia Antica dat vanaf de Porta San Sebastiano te bezoeken is, geeft gelukkig nu een veel opgeruimder beeld, waarbij je vrij gedetailleerd kunt zien hoe het ooit moet zijn geweest. Vooral op zondag, als de Via Appia is afgesloten voor gemotoriseerd verkeer, is het hier goed wandelen of fietsen. Pas in de rust van deze omgeving bedenk je hoe groot het Romeinse rijk was, hoeveel de Romeinen al wisten van architectuur en wegenbouw. Als je bedenkt wat deze stenen allemaal gezien en gehoord hebben…

Buiten het feit dat de stenen van de Via Appia zelf buitengewoon interessant zijn, valt er ook langs de route meer dan genoeg te zien. Veel voorname Romeinse families lieten langs deze weg namelijk hun graven aanleggen. Een van de bekendste grafmonumenten langs de Via Appia is de tombe van Cecilia Metella, de dochter van generaal Quintus Metellus Creticus, die het Griekse eiland Kreta wist te veroveren voor de Romeinen. Deze tombe heeft een doorsnee van maar liefst twintig meter en heeft veel weg van een burcht, vooral vanwege de kantelen die aan de bovenzijde geplaatst zijn.

Bij kilometerpaal 7,9 staat het grootste monument van de Via Appia, de Casale Rotonde. Dit cilindervormige graf zou zijn ontstaan in de tijd van de Romeinse republiek en voor het eerst zijn gerestaureerd ten tijde van keizer Augustus. Boven op het ronde gedeelte bouwde een boer uit de omgeving later een heuse villa met tuin.

Ook onder de Via Appia leeft de geschiedenis voort. In de catacomben van Domitilla en San Callisto vind je de ene na de andere gang met graven waar christenen begraven zijn. Alleen al in de catacomben van San Callisto vind je meer dan 170.000 graven.

De Via Appia was bovendien het toneel van een bijzondere ontmoeting tussen de twijfelende, angstige apostel Petrus en een voorbijganger, aan wie Petrus vroeg: Domine, quo vadis? (Heer, waar gaat u naartoe?). De voorbijganger zou vervolgens geantwoord hebben dat hij kwam om zich voor de tweede keer te laten kruisigen. Petrus besefte met verbijstering dat het Jezus was die tot hem sprak en hij keerde op zijn schreden terug om zich weer te wijden aan zijn roeping, het uitdragen van het geloof. Om deze ontmoeting te gedenken, werd er op deze plaats reeds in de negende eeuw een klein kerkje gebouwd, dat in de zeventiende eeuw grondig werd gerenoveerd.

De woorden Quo vadis staan nog steeds op de gevel. Daarnaast zijn de voeten van Petrus in de grond vereeuwigd. Genoeg stof tot nadenken aan iedereen die er voorbij wandelt, richting Brindisi…

sep 13

Hoewel het gezegde ons doet denken dat alle wegen naar Rome leiden, is het eigenlijk andersom: alle wegen vertrekken vanuit Rome. Het beginpunt van de grote wegen die de Romeinen reeds aanlegden, lag steeds in de Eeuwige Stad zelf; het eindpunt was veranderlijk, afhankelijk van de gekozen richting.

Zo leidde de bekendste Romeinse weg, de Via Appia (waar we morgen uitgebreid bij stilstaan), naar Brindisi. Een andere grote weg ten tijde van de Romeinen, de Via Flaminia, liep van Rome naar Rimini. De Via Flaminia werd overigens vernoemd naar keizer Gaius Flavianus, die tijdens de tweede Punische Oorlog aan de oevers van het Lago di Trasimeno zijn laatste adem uitblies.

In Rimini konden de Romeinen hun weg vervolgen over de Via Aemilia, die van Rimini naar Milaan liep. Onderweg werden uiteraard de belangrijkste plaatsen als Bologna, Modena, Parma en Piacenza aangedaan. Ook deze weg was vernoemd naar een belangrijke Romein, en wel naar de overgrootvader van Marcus Aemilius Lepidus, die samen met Antonius en Octavianus (de latere keizer Augustus) een driemanschap vormde.

De Via Cassia vertrok vanuit Rome in noordelijke richting, naar Florentia, het tegenwoordige Florence. Deze weg is grotendeels bewaard gebleven en wordt nog veel gebruikt, met name door pelgrims uit het noorden die naar Rome trekken. Ook de Via Aurelia, die langs de kust naar Genua liep, wordt nog dagelijks gebruikt en draagt zelfs nog zijn oorspronkelijk naam.

Rome als vertrekpunt dus, en niet als eindpunt. Om dat goed te onderstrepen werd er op het Forum Romanum een mijlpaal geplaatst, de zogenaamde Milliarium Aureum (Gouden Mijlpaal), die de precieze plek aangaf waar alle Romeinse wegen begonnen.

Deze Gouden Mijlpaal werd in 20 voor Christus opgericht door keizer Augustus. Hoewel de mijlpaal in eerste instantie bedoeld was als praktisch instrument, was het daarnaast zeker ook een politiek machtssymbool: hier in Rome bevond zich het centrum van de wereld – en nergens anders!

De Millarium Aureum was volgens archeologen een achthoekige marmeren zuil, bekleed met bladgoud, op een sokkel die eveneens van marmer was en die was versierd met bloemmotieven. In deze mijlpaal hadden de Romeinen de namen van de belangrijkste steden gegraveerd, met vermelding van de afstand tussen de stadspoorten van deze steden tot de stadspoorten van Rome. De afstanden werden dus niet gemeten vanaf de plek waar de mijlpaal zelf stond.

De gouden mijlpaal stond opgesteld achter het linkeruiteinde van de rostra (een soort spreekgestoelte op het Forum, waar de grote redenaars hun toespraken hielden). Aan het rechteruiteinde van de rostra bevond zich het Umbilicus Urbis (Het naveltje van de stad), dat werd beschouwd als het centrum van de stad. De rostra werd zo dus niet alleen het middelpunt van de stad en van de politiek, maar ook van de wereld die via de Romeinse wegen te bereiken was.

De Gouden Mijlpaal is helaas grotendeels verloren gegaan. Een klein deel van de sokkel is opgegraven en is nog steeds op het Forum te zien. Als je de mijlpaal bezoekt, houd dan wel onderstaande reconstructie van het origineel voor ogen:

Morgen nemen we deze mijlpaal als vertrekpunt voor een bezoek aan de koningin der wegen, de Via Appia. We verkennen de weg stukje voor stukje; zorg morgen dus voor goede wandelschoenen, een flesje water en bescherming tegen de zon!

sep 11

Sinds gisteren  is in het Thermenmuseum de internationale tentoonstelling Er was eens een weg… – Reizen in het noorden van het Romeinse rijk te zien. Deze tentoonstelling vertelt het verhaal over de aanleg en het gebruik van Romeinse wegen in het noordwesten van Europa en wat dit heeft betekend voor de ontwikkeling van de regio. De tentoonstelling is door het Thermenmuseum ontwikkeld in samenwerking met het Romeins-archeologisch museum van Bavay (Frankrijk).

Nadat de Romeinen het huidige Noord-Frankrijk, België en Zuid-Limburg veroverden, hebben ze in dit gebied grote hoofdwegen aangelegd. Deze Romeinse wegen werden intensief gebruikt door soldaten, de keizerlijke postdienst, handelaren en boeren die hun producten naar de markt brachten. Hoe werden de wegen aangelegd? Wat weten we over het vervoer op deze wegen? Wie waren de reizigers? Hadden de Romeinen ook wegwijzers? Deze vragen komen allemaal aan bod in de tentoonstelling.

Via Belgica
Een heel bekende Romeinse weg is de Via Belgica. Deze weg liep van Boulogne-Sur-Mer via Bavay, Tongeren, Maastricht en Heerlen naar Keulen. In Coriovallum, de Romeinse voorloper van Heerlen, lag het kruispunt tussen de Via Belgica en de weg van Aken naar Xanten. Door deze ligging kon Coriovallum uitgroeien tot een bloeiend handelscentrum waar talloze reizigers dagelijks onderdak vonden. Het is dan ook niet toevallig dat juist hier een publiek badhuis werd gebouwd. De ruïne van dit badhuis is nog steeds te zien in het Thermenmuseum.

De Via Belgica verbond Romeinse steden over grote afstand. Dat is bijna 2000 jaar later nog steeds het geval. Het Thermenmuseum produceerde samen met het Romeins-archeologisch museum in Bavay deze bijzondere tentoonstelling. In Bavay zijn de resten te bewonderen van het Romeinse forum van de stad Bagacum, hoofdstad van de Gallische stam de Nervii. In de tentoonstelling Er was eens een weg… zijn voorwerpen te zien van 19 musea, afkomstig uit vijf Europese landen. Topstukken uit bijvoorbeeld Xanten, Trier, Parijs en Keulen zijn voor deze tentoonstelling tijdelijk in Heerlen.

De thema’s die tijdens de tentoonstelling aan de orde komen zijn bijna te veel om op te noemen, maar ik doe een poging:

De rol die wegen speelden in het noorden van het Romeinse Rijk
Wegen spelen in onze samenleving een grote rol. Naast een toeristische en recreatieve betekenis, hebben ze vandaag vooral een economische functie. Maar hoe zat dat in de tijd van de Romeinen? Welke rol vervulden wegen toen? Hoe werden mensen, goederen en middelen van de ene plaats naar de andere vervoerd?

De aanleg van wegen
Met welk doel werden de Romeinse wegen aangelegd? Was dat vanuit militair strategische doeleinden of voor de economie, de communicatie en het verspreiden van de Romeinse cultuur? Wie legden de wegen aan en hoe gebeurde dit precies?

Mijlpalen en kaarten
Op regelmatige afstanden langs de Romeinse wegen stonden mijlpalen; grote stenen zuilen waarop de afstand tot de dichtstbijzijnde grote plaats stond aangegeven. Het waren dus een soort ANWB-borden. Hoe gebruikten de Romeinen deze mijlpalen? En welke andere middelen gebruikten de Romeinen om de weg te vinden?

De laatste reis: de weg en de doden
Romeinen geloofden in een leven na de dood. Op veel plekken begroeven zij hun doden langs de grote wegen. Wat was de religieuze en spirituele betekenis hiervan? En waarom deden zij dat eigenlijk?

De weggebruikers
Wie waren de reizigers in de Romeinse tijd, welke dieren en voertuigen werden als vervoer gebruikt en welk materiaal werd meegenomen tijdens het reizen? En hoe verplaatste men zich in heuvelachtige gebieden?

Een god als reisgenoot
Waren er goden die speciaal met reizen werden geassocieerd? Wat waren de rituelen van leven en dood die met het reizen waren verbonden? Welke goden beschouwde men als reisgenoot? En waarom eigenlijk?

Wil je deze tentoonstelling over reizen in de Romeinse tijd bezoeken? Dat kan van 10 september 2011 tot en met 31 maart 2012. De entree bedraagt € 6,50 voor volwassenen, € 6,- voor senioren en CJP-houders, € 5,50 voor kinderen van 4-12 jaar. Het bezoek aan de tentoonstelling is gratis voor iedereen met een Museumjaarkaart en voor kinderen van 0-3 jaar.

Thermenmuseum Heerlen
Coriovallumstraat 9
6411 CA Heerlen

Openingstijden: dinsdag t/m vrijdag van 10.00-17.00 uur. Op zaterdag en zondag en op feestdagen is het museum geopend van 12.00-17.00 uur. Voor speciale lezingen, wandelingen, activiteiten en meer neem je een kijkje op www.thermenmuseum.nl

 

sep 06

Sms’en op zijn Romeins, zelf een stad bouwen, roeien in een Romeinse boot, als militair op oorlogspad gaan: het kan allemaal in de spectaculaire tentoonstelling High Tech Romeinen. Vanaf afgelopen vrijdag kun je in Museum Het Valkhof in Nijmegen op ontdekkingstocht naar de Romeinse tijd. Door zowel te kijken als te doen maak je kennis met onverwacht slimme technische snufjes die de Romeinen al hadden uitgevonden.

De Romeinen gebruikten technieken die wij, anno 2011, in ons dagelijks leven nog steeds gebruiken. Het is ongelofelijk knap wat zij al die tijd geleden konden maken: tempels, aquaducten, vloerverwarming, wegen en katapulten. Romeinen waren net als de mens van nu voortdurend bezig met het verbeteren van de kwaliteit van leven. Voor inspiratie keken ze naar andere culturen, maar ze ontwikkelden zelf ook allerlei nieuwe technologieën.  

In de tentoonstelling High Tech Romeinen kun je voorwerpen uit de Romeinse tijd en spannende animaties bekijken, maar dat is zeker niet alles! Je stapt zo in de wereld van een Romeins architect of legeraanvoerder, je kunt een mozaïekvloer ontwerpen, een aquaduct aanleggen, een hijskraan uitproberen en games spelen om meer te ontdekken over de Romeinse eetgewoontes. Aan de hand van 9 thema’s kom je alles te weten over architectuur, luxe in huis, machines, communicatie, ambachten, meten/rekenen, het leger, water en reizen.

Bij het voorbereiden van de tentoonstelling High Tech Romeinen zijn veel mensen vanuit het museum betrokken, onder andere archeoloog Annelies Koster, conservator archeologie en hoofd collecties en educatie vertelt over de eerste aanzet tot de tentoonstelling:

‘De eerste ideeën voor de tentoonstelling High Tech Romeinen zijn ontwikkeld door onze educatieve afdeling. Ik ben in het project gestapt op het moment dat we gingen denken aan een samenwerkingsproject met meerdere partners uit binnen- en buitenland. Na enkele verkennende gesprekken werd een overeenkomst tussen vier musea gesloten voor de uitvoering van het project.

We hadden in het team dat de tentoonstelling voorbereidde verschillende expertises nodig die gelukkig ook bij de partners aanwezig waren: educatoren voor de vertaalslag naar het publiek, archeologen voor de inhoudelijke kant en voor de selectie van voorwerpen, tentoonstellingsmakers en technici die konden inschatten wat uitvoerbaar was. Vanuit Museum Het Valkhof nam ik als conservator archeologie vooral de inhoudelijke kant voor mijn rekening.

Na enkele bijeenkomsten met deze groep lag er een lange lijst van mogelijke tentoonstellingsstukken en thema’s. Bij elk van de exhibits moesten we ons afvragen of ze wel goed uitvoerbaar waren en of de bezoekers voldoende uitgedaagd zouden worden. Gevleugelde woorden werden niet alleen hands-on, maar ook minds-on. We wilden dat de bezoekers niet alleen worden uitgedaagd om iets te doen in de tentoonstelling, maar ook dat zij aan het denken worden gezet. We wilden met de tentoonstelling de bezoekers een bron van inspiratie bieden voor vernieuwingen in onze tijd, want een heleboel technische verworvenheden uit de Romeinse tijd worden immers nog steeds gebruikt!

Daarom hebben we in de uitvoering en vormgeving van de tentoonstelling vooral moderne materialen en middelen gebruikt. Maar naast interactieve media die de bezoekers de gelegenheid geven meer te weten te komen over Romeinse techniek en technologie, zijn er vele originele voorwerpen te zien uit de collecties van twee van de partners: het LVR-Landesmuseum in Bonn en Museum Het Valkhof. Maar ook zijn er enkele belangrijke bruiklenen te zien uit het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden en van de gemeente Utrecht.

Bij de tentoonstelling wilden we ook graag een boek uitgeven over techniek in de oudheid. Nu wilde het geval dat er net in 2010 een Duitse publicatie was verschenen die ons zeer geschikt leek als boek bij deze tentoonstelling. Ik heb contact gezocht met de uitgever en de auteur, die graag aan een vertaalde uitgave wilden meewerken. Vervolgens heb ik een vertaler gezocht met specialistische technische kennis. Hij heeft de teksten vertaald en ik heb daar weer de redactie van gedaan. Het resultaat is het boek High Tech Romeinen – Techniek in de oudheid, geschreven door Brigitte Cech, vertaald door Robert van der Veen, uitgegeven door Museum Het Valkhof.’

Morgen meer over dit bijzondere boek. Wie de tentoonstelling wil bezoeken kan tot en met 4 maart 2012 terecht bij Museum Het Valkhof te Nijmegen. Van oktober 2012 tot en met augustus 2013 zal de tentoonstelling te zien zijn in het Museon te Den Haag en daarna, van oktober 2013 tot augustus 2014, in Technopolis in het Belgische Mechelen. Reserveer nu dus alvast een dag in je agenda voor deze High Tech expositie, want High Tech Romeinen verrast jong en oud!

Museum Het Valkhof
Kelfkensbos 59, Nijmegen
www.museumhetvalkhof.nl

Openingstijden:
dinsdag tot en met zondag van 11.00 – 17.00 uur
ook open op maandagen tijden de korte vakanties

Entreeprijs:
17 jaar en ouder € 7,00
4 t/m 16 jaar € 3,50
65+ € 5,00
Museumjaarkaart gratis

jun 20

De stapels boeken voor de zomervakantie liggen vast al klaar, gezien de Italiaanse tips van de afgelopen maanden, maar vandaag iets leuks voor de wat jongere lezers (al heb ik er zelf ook erg van genoten!). De reis naar Italië is in een oogwenk voorbij met dit spannende avontuur op de achterbank!

In Gladiator is de hoofdrol weggelegd voor Marcus Cornelius Primus, een jonge rekruut die wordt ingewijd in het harde bestaan van gladiator. Zijn dagen worden beheerst door strikte discipline en afmattende trainingen. Maar hij kan zijn verleden niet zomaar vergeten: zijn vader, ooit een gevierde centurio, werd door soldaten vermoord, en zijn moeder werd ontvoerd en als slavin verkocht. Marcus is vastbesloten om Pompeius de Grote, die destijds commandant van zijn vader was, te vinden en hem om hulp te vragen. Het recht moet zegevieren en zijn moeder moet bevrijd worden.

Wat Marcus echter niet weet is dat hij een levensgevaarlijk geheim met zich meedraagt. Als de andere Romeinen hier lucht van krijgen, is hij zijn leven niet meer zeker…

Een fragment:

‘Marcus wist meteen dat het mis was toen de oude Aristides op een vroege zomerochtend de binnenplaats op stormde. Marcus was enthousiast met Cerberus aan het spelen en probeerde de ruigharige jachthond te leren om op zijn bevel te gaan zitten en daarna te gaan liggen. Maar Cerberus had alleen zijn kop schuin gehouden, met zijn tong uit zijn bek, en niet-begrijpend naar zijn jonge baasje gekeken. Zodra hij Aristides in het oog kreeg, rende hij met grote sprongen op de oude man af en begon te kwispelen.

De geitenhoeder was buiten adem en leunde hijgend op zijn staf tot hij was bijgekomen en weer iets kon uitbrengen.
‘Drie mannen.’ Met een trillende vinger wees hij naar het pad dat vanaf Nidri de heuvel op liep.
‘Grote mannen… Soldaten, volgens mij.’

De vader van Marcus zat aan de lange, oude tafel in de schaduw van een houten latwerk waar polsdikke wijnstokken doorheen kronkelden. Titus Cornelius was druk bezig geweest met de boekhouding van de boerderij, maar nu legde hij zijn stylus op de wastafeltjes, kwam overeind en liep met grote passen de kleine binnenplaats over.
‘Soldaten, zei je?’
‘Ja, meester.’
‘Juist.’ Titus glimlachte licht voor hij op een toegeeflijke toon verderging. ‘En wat weet jij van soldaten, oude man? Dieren, ja, natuurlijk. Maar soldaten?’

Aristides rechtte zijn rug en staarde zijn meester in de ogen. ‘Twee van de mannen hebben speren bij zich, en ze dragen allemaal een zwaard.’

Marcus keek naar zijn vader en zag heel even een bezorgde blik over zijn gezicht trekken. Marcus had zijn vader nog nooit ongerust gezien. Hij had meerdere littekens in zijn verweerde gezicht, overgehouden aan zijn tijd in de legioenen van generaal Pompeius. Hij was centurio geweest, een officier, gepokt en gemazeld door alle veldslagen, toen hij ontslag had genomen en de adelaars de rug had toegekeerd. Hij had de boerderij op het eiland Lefkas gekocht om daar met Marcus’ moeder, die een paar maanden daarvoor het leven aan een zoon had geschonken, een rustig leven te beginnen. In de jaren daarna had hij een vast inkomen opgebouwd met een kleine kudde geiten die door Aristides werd verzorgd en de druivenplanten die op zijn grondgebied stonden.

Marcus kon zich van zijn vroege jeugd betere tijden herinneren, maar nu had het al drie jaar niet meer geregend en de gewassen waren verwoest door droogte en meeldauw. Titus had zich genoodzaakt gezien om geld te lenen. Marcus wist dat het om een groot bedrag ging – hij had zijn ouders er ’s avonds over horen fluisteren als ze dachten dat hij sliep, en lag dan nog uren te piekeren als zij allang stil waren.

Toen hij een zacht geschuifel hoorde draaide Marcus zich om en hij zag dat zijn moeder haar kamer uit was gelopen, die aan de binnenplaats lag. Ze was een nieuwe tunica voor hem aan het maken, maar zodra ze had gehoord wat Aristides zei, was ze achter haar weefgetouw vandaan gekomen.

‘Ze hebben speren,’ mompelde ze, en toen keek ze naar Titus. ‘Misschien zijn ze op weg naar de heuvels om op wilde zwijnen te jagen.’
‘Dat lijkt me sterk,’ zei de oud-centurio hoofdschuddend. ‘Als ze op zwijnenjacht gaan, waarom hebben ze dan zwaarden bij zich? Nee, hier is iets anders aan de hand. Ze komen naar de boerderij.’ Hij deed een stap naar voren en gaf Aristides een schouderklopje. ‘Goed dat je me hebt gewaarschuwd, oude vriend.’

‘Oude vriend?’ De ogen van de geitenhoeder glinsterden. ‘Ik ben nog geen tien jaar ouder dan u, hoor, meester.’
Titus lachte, een volle, bulderende lach die Marcus al zijn hele leven hoorde en die hem elke keer weer geruststelde. Ondanks een zwaar leven in de legioenen was zijn vader altijd goedgehumeurd gebleven. Soms pakte hij Marcus wel streng aan – zo had hij erop gestaan dat Marcus zijn eigen ruzies uitvocht met een aantal kinderen uit Nidri, maar het was overduidelijk dat zijn vader van hem hield.

‘Waarom komen ze hierheen?’ vroeg zijn moeder. ‘Wat zoeken ze hier?’
Marcus zag zijn vaders lach verflauwen. ‘Problemen,’ gromde hij. ‘Dat zoeken ze hier. Ze zijn vast door Decimus gestuurd.’
‘Decimus?’ Marcus zag hoe zijn moeder geschokt haar hand naar haar mond bracht. ‘Ik zei toch dat we ons niet met hem hadden moeten inlaten.’
‘Nou, daar is het nu te laat voor, Livia. Nu moet ik dit met hem afhandelen.’

Marcus schrok van zijn moeders reactie en kuchte zacht.
‘Vader, wie is Decimus?’
‘Decimus?’ Titus lachte spottend en spuugde op de grond. ‘Dat is een hond van een afperser die al jaren geleden eens flink op zijn nummer gezet had moeten worden.’
Marcus staarde hem wezenloos aan en Titus grinnikte terwijl hij zijn hand uitstak om liefdevol door zijn donkere krullen te woelen. ‘Het is niet bepaald een fijne man, onze Decimus. De rijkste woekeraar op Lefkas, en dankzij zijn banden met de Romeinse gouverneurs is hij nu ook aangesteld als belastinginner.’

‘Geen prettige combinatie,’ voegde Livia daar zachtjes aan toe. ‘Hij heeft al meerdere boeren rondom Nidri te gronde gericht.’
‘Nou, deze boer krijgt hij niet!’ snauwde Titus. ‘Aristides, haal mijn zwaard.’
De geitenhoeder trok verontrust zijn wenkbrauwen op en haastte zich toen naar binnen. Cerberus keek hem nog even na en liep vervolgens op een drafje terug naar Marcus, die de hond liefkozend over zijn kop aaide. Livia kwam naar voren en greep Titus’ stevige arm beet.

‘Wat bezielt je, Titus? Je hebt toch gehoord wat Aristides zei? Ze zijn met z’n drieën en gewapend. Soldaten, zei hij. Daar kun je niet tegenop. Geen denken aan.’
Titus schudde zijn hoofd. ‘Ik heb wel eens een grotere overmacht tegenover me gehad, en verslagen. Dat weet jij ook.’

Zijn moeders gezicht verstrakte. ‘Dat is heel lang geleden. Je hebt al ruim tien jaar niet meer gevochten.’
‘Ik zal alleen met ze vechten als het niet anders kan. Maar Decimus heeft ze ongetwijfeld gestuurd om geld te innen, en ze zullen niet weggaan voor ze het hebben.’
‘Hoeveel geld?’
Titus sloeg zijn ogen neer en krabde in zijn nek. ‘Negenhonderd sestertiën.’
‘Negenhonderd!’

‘Ik loop drie termijnen achter,’ legde Titus uit. ‘Ik had dit wel verwacht.’
‘En kun je ze betalen?’ vroeg ze bezorgd.
‘Nee. Ik heb bijna niets in de kluis. Genoeg om ons de winter door te krijgen, maar daarna…’ Hij schudde zijn hoofd.

Livia fronste boos haar wenkbrauwen. ‘Dit mag je me straks allemaal haarfijn uitleggen. Marcus!’ zei ze tegen haar zoon. ‘Ga de geldkist halen die onder het altaar in het atrium staat. Nú!’
Marcus knikte en wilde het huis in rennen.
‘Hier blijven, jongen!’ riep Titus, hard genoeg om tot buiten de poort nog gehoord te worden. ‘Laat die kist staan. Ik laat me niet dwingen om ook maar één munt te betalen voor ik er klaar voor ben.’

‘Ben je gek geworden?’ vroeg Livia. ‘Je kunt niet in je eentje tegen gewapende mannen op.’
‘Dat zullen we nog wel eens zien,’ antwoordde Titus duister.
‘Ga met de jongen naar binnen. Ik regel dit wel.’
‘Straks raak je gewond, Titus, of je wordt vermoord. En wat gebeurt er dan met Marcus en mij? Nou?’
‘Ga naar binnen,’ beval Titus.

Marcus zag dat zijn moeder haar mond opendeed om tegen te sputteren, maar ze kenden de staalharde blik in Titus’ ogen allebei maar al te goed. Ze schudde geërgerd haar hoofd en stak haar hand uit naar Marcus. ‘Kom mee.’

Marcus keek van zijn moeder naar zijn vader en bleef staan waar hij stond, vastbesloten om zijn vader te bewijzen wat hij waard was.
‘Marcus, kom mee. Nu meteen!’
‘Nee. Ik blijf hier.’ Hij maakte zich groot en zette zijn handen in zijn zij. ‘Cerberus en ik kunnen vader bijstaan als het op een gevecht aankomt.’ Hij wilde dapper klinken, maar zijn stem bibberde een beetje.

‘Wat krijgen we nu? Wou je blijven?’ vroeg Titus verbaasd.
‘Jij bent er nog niet aan toe om je al in het strijdgewoel te mengen, mijn zoon. Ga met je moeder mee.’
Marcus schudde zijn hoofd. ‘U hebt me nodig. Ons.’ Hij knikte naar Cerberus en de oren van de hond gingen rechtop staan terwijl hij met zijn staart kwispelde.

Voor Titus bezwaar kon maken, kwam Aristides weer naar buiten. Met zijn ene hand omklemde hij zijn staf en in de andere had hij een zwaardschede waaraan een leren band bungelde. Titus nam het wapen aan, sloeg de band over zijn hoofd en bewoog een paar keer met zijn schouder tot het zwaard goed hing en hij makkelijk bij het gevest kon. Aristides liep naar de poort om het pad dat langs de helling naar Nidri leidde in de gaten te houden. Plotseling pakte Titus de greep van het zwaard beet en trok de kling in één vloeiende beweging uit de schede, zo snel dat Marcus in elkaar kromp. Hij slaakte een kreet en Cerberus gromde.

Zijn vader keek hem lachend aan en stak het wapen weer weg. ‘Rustig maar. Ik wilde alleen even controleren of ik het zwaard makkelijk kon trekken. Daarom zorg ik er altijd voor dat de schede en de kling geolied zijn… voor het geval dat.’
Marcus slikte nerveus. ‘Voor het geval dat wat, vader?’
‘Voor het geval dat er zoiets als dit gebeurt. En nu laat je dit aan mij over. Ga naar binnen tot ik je roep.’

Marcus keek opstandig terug. ‘Ik hoor aan uw zijde te staan, vader. Ik kan vechten.’ Hij legde zijn hand op het leren lapje en de bandjes van de katapult die in de riem rond zijn middel was gestoken. ‘Hiermee kan ik op vijftig passen afstand een haas raken.’

Zijn moeder had het gesprek tussen haar man en zoon zwijgend aangehoord, maar nu riep ze: ‘Marcus, alsjeblieft! Kom onmiddellijk naar binnen!’
‘Livia,’ kwam haar man tussenbeide. ‘Ga jij maar. Verstop je in de keuken. Ik bespreek dit wel met Marcus. Hij komt er zo aan.’

Ze wilde protesteren, maar toen ze de vlammende blik in zijn ogen zag, draaide ze zich om en liep weg; haar sandalen schuifelden over de terrasstenen. Titus keek weer naar Marcus en glimlachte hem toe. ‘Mijn zoon, je bent echt nog te jong om mijn ruzies te kunnen uitvechten. Ga alsjeblieft met je moeder mee.’
Maar het was al te laat. Voor Titus uitgesproken was liet Aristides een fel gesis horen. De geitenhoeder zette zijn hand aan zijn mond en riep zo hard hij durfde: ‘Meester! Ze komen eraan!’

De rest van het avontuur lees je in

Gladiator – Vechten voor vrijheid
Simon Scarrow
ISBN 978 90 257 4970 5
€ 14,95
uitgeverij Gottmer

Getagd met:
okt 16

Strips passen uitstekend binnen het thema van de Kinderboekenweek. Als er één soort verhaal is waarbij de illustraties onontbeerlijk zijn, dan is het immers de strip. Daarom vandaag op Ciao tutti aandacht voor een stripverhaal, maar dan uiteraard wél een Romeins stripverhaal!

In een van de vele boekwinkels die Rome rijk is, viel mijn oog vorig jaar al op een kleurrijk stripverhaal, waarin de hoofdrol was weggelegd voor Cicero de Kat. Hij maakt kinderen op een grappige en verantwoorde manier wegwijs in het Oude Rome. Dankzij de Vlaamse uitgeverij Van In is dit stripverhaal nu ook in het Nederlands verkrijgbaar.

Aan de hand van Cicero de Kat neem je plaats in het Circus Maximus of vergezel je de senatoren die boven op het Capitool vergaderen. Je leeft mee met de gladiatoren in het Colosseum, maar maakt ook kennis met Julius Caesar en zijn moordenaars, met de Romeinse keizers en met de Vestaalse maagden.

De redactie van het oorspronkelijke Italiaanse stripverhaal was in handen van Stella Equini Schneider. Zij doceert archeologie aan La Sapienza, de universiteit van Rome, en weet dus waar ze over praat. Daardoor is het stripverhaal niet alleen leuk om te lezen, maar steek je er ook nog iets van op – ook als volwassene.

Cicero de Kat neemt je negentig pagina’s lang mee op reis naar het Rome van de grote keizers. Daarnaast vind je in het boek twaalf transparante vellen met reconstructietekeningen, waardoor je heel goed kunt zien hoe de monumenten er in de oudheid precies uitzagen en hoe groot de gebouwen op het Forum Romanum in het echt waren. Zo komt het oude Rome voor je ogen tot leven en krijg je een heel ander beeld bij de stapels stenen en zuilen die nu nog overeind staan.

Wist je trouwens dat een van die zuilen zelf eigenlijk ook een stripverhaal is? De Zuil van Trajanus, een bijna 30 meter hoge zuil die op het gelijknamige forum staat, bevat het oudste stripverhaal ter wereld. De zuil werd gebouwd om de overwinning van keizer Trajanus op het opstandige Dacië (het huidige Roemenië) te vieren.

Volgens het Latijnse opschrift dat op de zuil is te lezen, deed de zuil ook dienst om de hoogte aan te geven van de heuvel die was afgegraven voor de aanleg van het Forum van Trajanus:

Senatus populusque Romanus
Imp(eratori) Caesari divi Nervae f(ilio) Nervae
Traiano Aug(usto) Germ(anico) Dacico Pontif(ici)
Maximo trib(unicia) pot(estate) XVII, Imp(erator) VI, co(n)s(ul) VI, p(ater) p(atriae)
ad declarandum quantae altitudinis
mons et locus tant[is oper]ibus sit egestus.

Oftewel:

‘Senaat en volk van Rome
Aan de keizer, de Caesar Nerva, zoon van de goddelijke Nerva
keizer Trajanus, zegevierend in Germanië en Dacië, hogepriester,
zeventiende keer tribuun, zesde keer imperator, zesde keer consul, vader des vaderlands,
om aan te geven hoe hoog
de heuvel was die voor dit werk is weggehaald.’

Het stripverhaal rolt als het ware om de zuil heen. Als je alle figuren goed zou kunnen zien, zou je de oorlog die Trajanus voerde tot in detail kunnen volgen. Althans, de oorlog zoals Trajanus zich die graag herinnerde. Uiteraard zijn er alleen scènes afgebeeld die voor de Romeinen positief uitpakten: veldslagen die ze wisten te winnen, in de strijd gesneuvelde Daciërs en onoverwinnelijke Romeinen. Keizer Trajanus komt zelf maar liefst zestig keer voor in het hele verhaal.

Oorspronkelijk stond de zuil tussen twee grote bibliotheken. Vanaf de eerste verdieping kon je vanuit beide leeszalen de reliëfs, die toen nog met allerlei vrolijke kleuren beschilderd waren, goed bekijken. Als je het hele stripverhaal nu tot in detail wil bekijken, zit er niets anders op dan een verrekijker mee te nemen…

Getagd met:
aug 25

‘Als we nu iets over het leven van vroeger willen weten, lezen we een geschiedenisboek. Maar hoe deden ze dat tweeduizend jaar geleden? Nou, precies zo. Tenminste, in Rome. In het Romeinse Rijk had je ook al geschiedschrijvers die beschreven wat er in een land allemaal gebeurde. […]

Een paar Romeinse schrijvers hebben namelijk over onze streek geschreven. Toch moet je niet zomaar alles wat er in hun boeken staat klakkeloos geloven, want ze zijn lang niet altijd zelf bij de gebeurtenissen geweest waarover ze geschreven hebben. Hoe meer informatiebronnen je hebt, hoe meer je over een gebeurtenis te weten komt. Helaas zijn er maar weinig teksten over ons land van tweeduizend jaar geleden gevonden. Meestal hebben we zelfs maar één informatiebron over een bepaalde gebeurtenis. Je weet dan nooit wat je precies moet geloven.

Maar vaak kan een klein stukje tekst al veel bruikbare informatie opleveren. Door logisch na te denken, kun je met een paar puzzelstukjes al snel de hele puzzel zien. […] Stel dat je over een volk maar één regel kunt vinden, bijvoorbeeld: ‘De Waldaaien zijn tegenwoordig veel heldhaftiger dan vroeger’, dan heb je eigenlijk al verschillende puzzelstukjes. Zo weet je dankzij het woordje ‘tegenwoordig’ dat het volk in de tijd van de schrijver leeft. Het volk moet ook in oorlog zijn, anders had de schrijver niet kunnen weten dat ze heldhaftiger dan vroeger waren. En Waldaai betekent strijder met het zwaard. Je weet dan meteen dat ze met zwaarden vochten. Als je er dan ook nog eens informatiebronnen bij haalt die wat over het volk vertellen, wordt de puzzel steeds completer.

Over de hoofdpersoon van dit hoofdstuk is maar één zinnetje gevonden. Het staat in een boek van de Romeinse geschiedschrijver Publius Cornelius Tacitus: ‘Ze zeggen dat hij enkele gevangenen naar zijn zoon liet brengen, zodat die zijn pijlen en speren op ze kon afvuren.’ Die zin gaat over het jaar 69 na Christus. Die gevangenen zijn de Romeinen. En die hij is Julius Civilis, een beroemde leider van de Bataven; een belangrijke stam in die tijd. De zoon van Julius Civilis is dus een Bataaf die naar hartenlust speren en pijlen mag afvuren op de Romeinen.

Julius de charmante
In het enige zinnetje dat we over de jonge Bataaf hebben gevonden, staat geen naam. We weten daarom niet hoe hij heet. Maar gelukkig is in dit geval de naam van zijn vader bekend: Julius Civilis. Daardoor weten we dat zijn achternaam Julius is. Zijn áchternaam? Ja. Wij kennen de naam Julius alleen als voornaam, maar de Romeinen gebruiken het ook als achternaam. Civilis is een bijnaam. Het betekent charmant. Julius Civilis heet dus eigenlijk Julius de charmante.

Julius Civilis heeft ook nog een voornaam, maar die is onbekend. Wel kennen we de naam van de Romeinse keizerfamilie die heerst als hij geboren wordt: Claudius. Omdat veel mensen hun zoon naar de keizer vernoemen, is het goed mogelijk dat hij ook Claudius is genoemd. Claudius Julius dus. Nu nog een bijnaam, maar die is niet zo moeilijk te bedenken. Hij is immers een boogschutter. In het Latijn, de taal van de Romeinen, is dat sagitarius. Laten we hem dus Claudius Julius Sagitarius noemen.

Bataven in de Betuwe
Het is natuurlijk heel bijzonder dat zo’n jonge jongen een groep Romeinse soldaten als schietschijf mag gebruiken. Het is nog vreemder als je bedenkt dat hij een Bataaf is. De Bataven zijn juist een stam die het al tientallen jaren goed met de Romeinen kan vinden. Ze leven zelfs gezamenlijk in de Betuwe, een gebied dat naar de Bataven is genoemd. De namen Betuwe en Bataven lijken niet voor niets zo op elkaar. De Bataven zijn er niet de baas, maar de Romeinen. Toch is dat de eerste jaren geen enkel probleem voor de Bataven.

De Romeinen geven hun allerlei voorrechten. Zo hoeven ze geen belasting te betalen, net als de Romeinen zelf. Andere stammen moeten dat wel. Claudius hoeft al helemaal niet bang te zijn dat hij als slaaf naar Rome moet, zoals dat bij andere volken gebeurt.

De wereld van Claudius
[…] Claudius leeft in een wereld waar veel mensen kunnen lezen en schrijven, waar je niet hard hoeft te werken voor je dagelijkse brood. Maar het is ook een wereld vol drukte. Er is een markt waar je alles kunt kopen en er zijn tempels, badhuizen en theaters. Er loopt zelfs een waterleiding en er zijn wc’s voor de stadsbewoners. Claudius groeit dan ook niet op in een gehuchtje van vijf dorpen, maar in een stad. De oudste stad van ons land.

Die stad heet Oppidum Batavorum, ‘de stad van de Bataven’, en bevindt zich op de plaats waar nu Nijmegen ligt. Er wonen vooral soldaten. Omdat zij voedsel, kleding en wapens nodig hebben, vind je er ook boeren die hun vee verkopen, kleermakers, schoenmakers, handelaars, herbergen, smeden en andere werklieden. De huizen zijn van hout. […] Claudius is de zoon van een belangrijke leider en daarom woont hij heel luxueus. […] De vloer is helemaal prachtig. Daar liggen versierde tegels op. Zelfs voor koude voeten hebben de Romeinen iets bedacht: vloerverwarming. Het huis heeft ook verschillende kamers, maar dat betekent niet dat Claudius een kamer voor zichzelf alleen heeft. Kinderen slapen in dezelfde ruimte als de bedienden.

Claudius heeft een comfortabel leventje. Hij hoeft niet zo hard te werken en krijgt zelfs onderwijs. Dat is in die tijd wel bijzonder, want lang niet alle kinderen krijgen les. De meeste kinderen, ook Romeinse, moeten gewoon werken. Maar Claudius is nu eenmaal het zoontje van een belangrijke leider. Het is de bedoeling dat hij over een paar jaar naar Rome gaat voor een goede militaire opleiding. […]

Omdat Claudius in een belangrijke plaats woont, is er een voortdurende aanvoer van lekker eten uit andere landen. Olijfolie bijvoorbeeld, maar ook wijn, vijgen en dadels. Bovendien hebben de Romeinen dieren en vruchten meegenomen die het ook in ons land prima doen. Konijnen, kippen, pruimen, peren, walnoten: we hebben ze allemaal aan de Romeinen te danken. Net als sla en andijvie.’

© tekst: Jan Paul Schutten | illustraties: Paul Teng

In Kinderen van Nederland vertelt Jan Paul Schutten het verhaal van een aantal Nederlandse kinderen uit verschillende eeuwen, van de prehistorie tot en met de Tweede Wereldoorlog. Aan de hand van het leven van kinderen die echt bestaan hebben en de spannende avonturen die zij beleefden, brengt hij kinderen van nu in contact met kinderen van toen. Een betere manier om geschiedenis te laten beklijven is er niet!

preload preload preload