aug 17

Op een van de mooiste plekjes in Amsterdam, aan het Entrepotdok, vind je een klein stukje Amsterdam dat eigenlijk geen Amsterdam is. Althans, voor ingewijden niet. Op nummer 26 waan je je namelijk even helemaal in Italië.

Wanneer je door de deur van nummer 26 binnenstapt, vergeet je op slag waar je al fietsend door de stad nog over nadacht. Boodschappenlijstjes, dingen die je echt niet moet vergeten, mensen die je nog moet bellen… alles blijft buiten wachten, op de stoep voor nummer 26. Tenminste, als je net zo gefascineerd bent door Italië en door boeken en woorden zoals ik. Want op nummer 26 huist Libreria Bonardi, de enige Italiaanse boekwinkel van Nederland.

Binnen vind je een keur aan boeken over of uit Italië: de laatste nieuwe literaire successen uit Italië, zowel in het Italiaans als in het Nederlands, boeken over de geschiedenis van Italië, over de cultuur, over bijzondere fenomenen die mensen buiten Italië steeds weten te boeien, kookboeken, gedichtenbundels, Italiaanse klassiekers, luisterboeken, tijdschriften…

Ik heb me zelf een rantsoen opgelegd: ik mag niet vaker dan vier keer per jaar langs deze boekhandel fietsen, want de verleiding is te groot. Ik kom er altijd met een enorme stapel boeken vandaan, terwijl ik eigenlijk alleen een boek voor mijn studie Italiaans nodig had (want van studie- en grammaticaboeken hebben ze uiteraard ook een hele kast). Het verhaal van vandaag was echter een goede reden om dit rantsoen niet helemaal na te leven en een extra bezoekje aan Bonardi te brengen.

Na een uurtje heerlijk te hebben rondgeneusd en, ja ik geef het toe, een stapeltje nieuwe boeken te hebben verzameld, vroeg ik Marina Wanders, de eigenaresse, of ze nog een leuke tip had voor mijn stukjes over Italiaans Amsterdam. Marina vroeg of ik de verhalenbundel kende die Libreria Bonardi ter ere van haar 25-jarig bestaan had uitgebracht, La mia Olanda – Denkend aan Holland, met verhalen van Italiaanse schrijvers over Nederland en Amsterdam, zowel in het Italiaans als in het Nederlands. Daar was ik natuurlijk wel nieuwsgierig naar, dus mijn stapeltje groeide nog wat verder uit.

Eenmaal thuis dook ik meteen in de Italiaanse verhalen over Amsterdam. Het is grappig hoe je de stad al snel alleen nog maar door de ogen van de Italianen ziet, alsof je er zelf nooit eerder rondwandelde. Met Valerio Aiolli sta je te wachten voor het huis van Rembrandt, Aldo Gianolio neemt je mee naar NEMO, immers het werk van een Italiaan, en Giulio Mozzi ontroert met zijn prachtige symfonie van woorden die Amsterdam treffender weergeven dan een ansichtkaart of foto zou kunnen doen.

Ook echt Amsterdamse verschijnselen blijven niet onvermeld. Bij het lezen van het verhaal Aringa – Haring van Mauro Covacich moest ik denken aan de reactie van het zoontje (7) van een Italiaanse vriendin toen ik vertelde over de specialiteiten van de Nederlandse keuken. Pannenkoeken, dat leek hem nog wel wat, zeker als ontbijt, maar bij stamppot keek hij al wat twijfelachtiger en bij haring kon hij me alleen nog maar vol ongeloof aanstaren. ‘Maar, eten jullie dan rauwe vis?,’ stamelde hij, ondertussen zijn stoel een beetje verder van me afschuivend. Amsterdam leek hem ineens niet zo leuk meer, en ik evenmin. Gelukkig won zijn nieuwsgierigheid het al snel van zijn afkeer (hij zat immers ook fijn thuis in Italië, veilig voor die rare gewoonten in die gekke stad) en vol trots verkondigde hij aan iedereen die het maar horen wilde dat ik, zijn vriendin in Amsterdam woonde, waar ze scheve huizen hebben en rauwe vis eten…

Inmiddels word ik zo standaard door hem geïntroduceerd, en ik kan natuurlijk niet wachten op het moment dat ik hem die scheve huizen kan laten zien en een stukje haring kan laten proeven. Ik heb na het verslinden van La mia OlandaDenkend aan Holland dan ook gelijk het verhaal over haring overgetikt en naar zijn moeder gemaild, zodat ze hem al een beetje kan voorbereiden… Ook voor jullie een klein stukje:

‘Ik besluit onmiddellijk ook een fiets te huren – oranje, glimmend chroom, perfecte remmen, zadel zacht als een sofa, tien euro per dag – en sluip het feest binnen. Meteen bij de eerste meters voel je het plezier opkomen. Waarschijnlijk komt dat door hoe de wereld om je heen beweegt, dat bruisende waarmee de huizen en de bomen voorbij flitsen, heel even op je netvlies tintelen, om vervolgens achter je te verdwijnen.

Dagenlang fiets ik rond, zo’n twintig, vijfentwintig kilometer per uur, in een stad waar het huisvuil wordt weggestopt in ondergrondse containers, waar Caribische, Indonesische en blinde autochtone jongeren in de parken vrolijk in groepjes staan te lachen zoals ik alleen in reclames heb gezien, waar geen enkel, maar dan ook echt geen enkel huis een beeldintercom heeft, noch rolluiken, en waar de ramen nooit kleiner zijn dan een pingpongtafel en met halogeenlampen verlichte interieurs laten zien waarin altijd iemand onverstoorbaar onder de blikken van de voorbijgangers leest, werkt of eet.

Ik fiets door de volksbuurten – zoals de wijk ten zuiden van het Oosterpark, die voornamelijk door moslims wordt bewoond – waar de parken lijken op botanische tuinen. Af en toe verdwaal ik en dan vraag ik de weg. Er is altijd wel iemand die me met een vrolijke kwinkslag behulpzaam is. Het zijn opgewekte, hartelijke mensen, die je niet verwacht in een westerse hoofdstad (probeer bijvoorbeeld maar eens iemand in Parijs de weg te vragen). Urenlang dwaal ik rond en doe ik niets anders dan mijn ogen vullen met gezichten. […]

Ik dwaal door de arbeidersbuurt de Jordaan, werp een blik op de beroemde vlooienmarkt, ga een boekwinkel binnen waar naast de fauteuils waar je kunt gaan zitten om boeken in te kijken, thermoskannen met thee en een doos met tientallen leesbrillen staan.’

Verderop in het verhaal stelt Mauro Marina voor van land te ruilen: ‘Misschien moeten we van land ruilen. Eens kijken, we zouden een proeftijd kunnen instellen van één regeringsperiode van vijf jaar. Wij gaan allemaal naar Nederland, we wonen dan in straten waar het huisvuil in ondergrondse containers ligt en oranje fietsen rondrijden, en jullie gaan allemaal – bijna allemaal want er zal toch iemand moeten blijven om stages te geven – genieten van de zon, onze heerlijke zon, en worden lekker opgezadeld met onze kantoren, onze banken, onze ministeries, onze faldoni… nooit van gehoord, hè? van die kolossale archiefmappen van ons… kortom, al onze toestanden die op een oplossing wachten. Jullie kennen al vierhonderd jaar onafhankelijkheid en democratie, wij niet. Volgens mij kan het jullie lukken.

Marina kijkt me even aan. Het is duidelijk dat ze zou willen zeggen dat de zaken veel gecompliceerder liggen, ik weet dat ze zou willen zeggen dat het in Holland ook niet allemaal rozengeur en maneschijn is. Maar nee, ze wil haar gast niet tegenspreken en zegt daarom ten slotte: ‘Nou, dat lijkt ons wel wat. Wie houdt er niet van zon en pizza? Maar zouden jullie dan bereid zijn om haring te eten?’ En ze pakt een haring bij de staart vast en reikt me die aan.

Haring is niet hetzelfde als sushi. Het is wel rauw, maar het is een hele vis, alleen de kop is eraf gesneden. Marina pakt er een vast, haalt hem door de uitjes, laat hem boven haar mond bungelen, hapt erin en bijt er bijna de helft vanaf. Ik kijk naar de haring tussen mijn vingers. De haring, denk ik. Een probleem waar ik nog niet aan had gedacht.’

Ik weet zeker dat jullie, net als mijn Italiaanse vriendin, zullen genieten van de verhalen in La mia Olanda – Denkend aan Holland. Ik ga in elk geval snel nog een keer afwijken van mijn rantsoen om bij Libreria Bonardi een paar exemplaren te halen voor vrienden in Italië. Dan kunnen ze alvast een beetje wennen aan die gekke Nederlanders met hun haring…

aug 08

Marta Morazzoni brengt elk jaar een vijfdaags bezoek aan Amsterdam, de stad van Anne Frank, Spinoza en Rembrandt. De stad van de bruine kroegen, van Albert Cuyp en het begijnhof; van het Vondelpark met zijn joggers en skaters en een hond achterop de fiets. Haar ervaringen tekende ze op in een persoonlijk reisverslag, Stad van het verlangen - Amsterdam.

Een heerlijk reisverslag van de Hollandse hoofdstad, maar dan met een Italiaanse inslag. Lees maar mee:

‘Als het vliegtuig de kustlijn volgt en over de grote zandduinen tussen Den Haag en Haarlem heen vliegt om te landen op Schiphol, het vliegveld dat ooit een meer was, zie je door het raampje een kronkelende waterslang die zich rekt tot in zee, waar ze haar venijnige muil openspert: de monding van het Noordzeekanaal, in IJmuiden, een van de twee grote toegangswegen tot de haven van Amsterdam. Als ik er zo naar kijk terwijl het vliegtuig langzaam hoogte verliest, en zie hoe het zoals altijd is gehuld in de donkere rookwolken van de grote fabrieken die erlangs liggen, bevestigt dat voor mijn gevoel onze behoefte om beelden te creëren, om in de vormen van de dingen andere vormen te zien, menselijke of dierlijke: een landschap waar we van bovenaf naar kijken voorzien we van een anatomie en een soort fysiologie, geven we een ziel en een wil.

De rookwolken uit de fabrieken versterken dan feilloos het beeld van de slang met de venijnige bek en maken er een Wagneriaanse draak van, die met zijn vurige gloed de toegang tot de grot met de schat bewaakt. Het goud van de legendarische maar ook historische Gouden Eeuw, het tijdperk waarin Nederland met haar hoofdstad in een oord van sobere overvloed veranderde, een symbool van tegenspraak en tolerantie in het door de Tachtigjarige Oorlog verscheurde Europa.

Op dit punt moet ik de Nederlandse historicus Johan Huizinga inderdaad gelijk geven: die grandioze, nijvere zeventiende eeuw, nog steeds de steunpilaar van het land, zouden we eigenlijk niet de Gouden Eeuw moeten noemen, want de materialen waarvan ze is gesmeed, van het hout tot de pek, van de teer tot de verf en de inkt, waren eigenlijk minder nobel maar wel duurzamer dan goud.

Ook dat is voor mij – inmiddels niet langer een willekeurige toerist maar nog altijd op bezoek in deze wereld – een goede reden om van Amsterdam en omgeving te houden. Het is een betrekkelijk kleine stad, de hoofdstad van een klein land waar je met de fiets omheen kunt rijden zonder echt getraind te zijn. De voortgejaagde groepsreiziger kan met een gerust hart zeggen dat hij Amsterdam ‘in twee dagen heeft gedaan’, en met een beetje goede wil zou hij daar best gelijk in kunnen hebben.

Stad en natie hebben in werkelijkheid een complexe geschiedenis, al hebben ze in onbetrouwbaar modderwater wortel moeten schieten. Twee dagen volstaan voor wie genoegen neemt met de gevels van de herenhuizen en een rondvaart door de voornaamste grachten, om uit te komen in de haven, die ooit aan zee lag en nu toegang biedt tot een groot zwanenmeer, het IJsselmeer, voorheen de Zuiderzee.

Ik moet toegeven dat deze zee, die niet langer zout is, dat dit meer waarvan de uiteindelijke oever ver weg en onzichtbaar is, zelfs de oppervlakkigste toerist op het eerste gezicht boeit en verontrust: Amsterdam was en blijft een van de voornaamste havens ter wereld, maar door de onneembare muur van de Afsluitdijk, negenentwintig kilometer beton, in 1892 ontworpen door Cornelis Lely en op 28 mei 1932 geopend, wordt de natuurlijke uitgang van haar enorme havenbekken hermetisch afgesloten. De schepen verlaten de haven via twee grote zijarmen: naar het oosten door het Amsterdam-Rijnkanaal, een verbinding die doorloopt tot de grens met Duitsland, naar het westen via het Noordzeekanaal, de slang met zijn opengesperde muil die door het rustige duinlandschap kronkelt. Twee machtige armen die de handel hartelijk verwelkomen.

Zoals ik al zei, past vrijwel alles binnen die twee dagen, inclusief een wandeling door de rosse buurt en een bezoekje aan een karakteristiek café, een van de bruine kroegen, steeds donkerder geworden door de tijd en door de rook van hele generaties stamgasten. En ook het Van Goghmuseum, waarvan de faam in de wereld van de kunsten inmiddels niet meer onderdoet voor die van het Rijksmuseum, zijn historische buurtgenoot, waar De Nachtwacht hangt. Naast die paar dingen, die misschien essentieel zijn, is er dan de rest van Amsterdam.

Of liever: is er Amsterdam. Het Amsterdam waarvan ik heel zeker weet dat ik het niet ken. Dat klinkt niet als een goed uitgangspunt voor iemand die zich heeft voorgenomen de eigen band met een stad van deze afmetingen en met deze geschiedenis zwart op wit te zetten. Maar het is wel een uitgangspunt dat – zonder dat ik me erachter probeer te verschuilen – stimulerend werkt voor mijn onderzoek naar alles wat ik nog wil weten en misschien nooit zal weten.

Ik zou hier een jaar lang moeten wonen, boodschappen doen, met mensen omgaan en niet alleen naar binnen kijken door de ramen zonder gordijnen. Ik zou een baan moeten hebben en liefst elke zondag op de fiets naar de tennisbaan gaan. Of bij de eerste tekenen van de zomer naar zee moeten gaan, naar een van die onafzienbare stranden waarlangs het bij zonsondergang zo prachtig wandelen is, met de gewaarwording dat er geen eind aan komt. Maar dat alles valt de toerist meestal niet ten deel, zelfs niet als hij vasthoudender is dan de gemiddelde hedendaagse reiziger, die flink zijn best moet doen om de wereld te zien voordat het te laat is.

Zelfs niet als hij wél de tijd en de wil opbrengt om terug te komen. Deze toerist maakt dan kennis met die toestand tussen het aanmatigende déjà vu-gevoel waardoor hij denkt dat hij tijd verliest, wordt geplaagd door de vage angst dat hij iets zou kunnen missen, en anderzijds de mogelijkheid ergens dieper in te duiken en iets waar hij op het eerste gezicht geen gewicht aan had gehecht beter te leren kennen.

Ik heb al een poosje de mogelijkheid om vijf dagen per jaar in Amsterdam door te brengen, niet veel maar wel een vast gegeven. Nu ik daaraan denk, schiet me een kort, merkwaardig verhaal van Borges te binnen, Het schrift van de god.

Een man zit gevangen in een krappe, donkere cel, doormidden gedeeld door een hekwerk waarachter, in een identieke ruimte, een gevlekt roofdier rusteloos rondloopt. Er sijpelt maar één minuut per dag wat licht in de cel door, als de gevangenbewaarder het luik opendoet, eerst voedsel in het hok van de gevangene laat zakken en daarna in dat van het roofdier. In die schaarse ogenblikken ziet de gevangene de vlekken op de vacht van het dier, dat net als hij is opgesloten, en hij begint na te denken, zich af te vragen of de speciale rangschikking van die vlekken niet door iets méér dan het toeval is gewild, door iets wat aan een zekere logica beantwoordt, een soort alfabet dat een zin vormt, een magisch woord, waarvan de ontraadseling de sleutel naar de vrijheid betekent, een geheimzinnig sesam open u waarna voor de gevangene het leven zou beginnen.

En elke dag weer concentreert de gevangene zich in de minuut die hij ter beschikking heeft op die vacht, om de logica ervan te achterhalen, de compositie waarvan de formule – daar is hij inmiddels van overtuigd – hem de vrijheid zou hergeven. Alle dagen, één minuut per dag, tot hij de betekenis, de oplossing van het raadsel te pakken heeft.

Omwille van de mensen die het niet kennen verraad ik de afloop van dit magistrale verhaal niet, maar ik herken bij mezelf een soortgelijk gedrag bij mijn Amsterdamse aanpak: elk jaar voegen die vijf dagen een steentje toe, of zet ik met meer vertrouwen een volgende stap naar dieper inzicht in de stad. Ik vind haar terug en ga door met mijn ontdekkingstocht, stukje bij beetje. Er is nog tijd genoeg voor alles wat ik niet weet.’

En dat is heel wat, getuige de 160 pagina’s van het boek die Amsterdam door Italiaanse ogen laten zien. En eerlijk gezegd: met Italiaanse ogen wordt Amsterdam nog een beetje mooier dan de stad al is!

Kijk voor meer informatie over Stad van het verlangen - Amsterdam op www.serenalibri.nl of bestel het boek bij bol.com via deze link.

preload preload preload