mei 12

Gisteren wilde ik eigenlijk de grote expositie over Nero in het Colosseum bezoeken met een vriendin die even een paar dagen in Rome was. Bij het zien van de lange rijen voor de ingang zakte de moed ons echter in de schoenen. Niet vanwege de wachttijd, die is prima te omzeilen als je een kaartje koopt bij de ingang van de Palatijn, aan de overkant van het Colosseum (het kaartje is namelijk geldig voor het Colosseum, het Forum Romanum en de Palatijn), maar vanwege het enorme aantal Italiaanse scholieren. De onderwijzers in Italië nemen zo’n schoolreis vaak zeer serieus en bekijken met hun klas vaak ook vitrine per vitrine bij een expositie, hetgeen het voor ons toch wel wat moeilijk zou maken om de expositie op ons gemak en in alle rust te bekijken.

We besloten eerst even koffie te gaan drinken om een alternatief plan te bedenken. Mijn vriendin, die al jarenlang in Italië gidst, vroeg of ik wel eens de villa van Poppeia had gezien, in de buurt van Napels. Op mijn ontkennende antwoord sprong ze enthousiast van haar stoel en trok ze mee de metro in. Binnen no time zaten we in de trein naar Napels. Onderweg vertelt mijn persoonlijke gids me alles wat er te vertellen valt over de villa van Poppeia, Nero’s tweede vrouw, die ook wel bekend staat als Villa Oplontis.

Oplontis was een Romeinse plaats in de buurt van Napels, op de plek van het huidige Torre Annunziata. Bij de uitbarsting van de Vesuvius in het jaar 79 werd Oplontis, net als Pompeii, door as, puimsteen en modder bedekt. De naam Oplontis is overigens slechts bewaard gebleven dankzij de zogenaamde Tabula Peutingeriana, een Romeinse wegenkaart uit de derde eeuw na Christus. Veel archeologen vermoeden dat Oplontis geen zelfstandige gemeente was, maar een buitenwijk van Pompeii, waar de rijke inwoners een grote villa lieten bouwen.

Zo ook Nero, die er een villa heeft laten bouwen voor zijn tweede vrouw, Poppeia. Althans, zo gelooft een deel van de geschiedkundigen. Zoals Mary Beard schrijft in haar boek Pompeii – Het dagelijks leven in een Romeinse stad is ‘de verleiding om de resten van Poppeia’s plaatselijke woning te vinden te groot gebleken, zelfs voor moderne archeologen van het no-nonsensetype. De voornaamste kandidaat is de enorme villa in Oplontis. […]

Misschien was zij inderdaad de eigenaar ervan, want het is een bijzonder groot huis, van keizerlijke afmetingen. Maar hoewel het nu regelmatig de ‘Villa Van Poppeia’ wordt genoemd, alsof het om een vaststaand feit gaat, is het bewijsmateriaal uitermate mager en bestaat het slechts uit een paar voor meerderlei uitleg vatbare graffiti, die niet per se iets te maken hebben met Poppeia of Nero.’

Archeologen hebben de villa namelijk aan Poppeia toegeschreven na het vinden van een inscriptie op een amfoor. Deze inscriptie luidt. Secundo Poppaeae (voor Secundus, die van Poppeia is). Maar er kunnen natuurlijk honderdeneen andere verklaringen zijn voor het feit dat deze inscriptie op deze plek is teruggevonden…

Desondanks houden we voor het gemak – en voor de romantiek – vandaag vast aan het idee dat Nero deze villa voor zijn tweede vrouw heeft laten bouwen. De villa was ongekend groot, met niet alleen een thermengedeelte maar zelfs een heus openluchtzwembad. De villa is vooral beroemd om de kleurrijke, verrassend goed bewaard gebleven muurschilderingen.

Eenmaal in de villa ontsnappen ons dan ook regelmatig oh’s an ah’s vanwege de ontdekkingen die in elke kamer te zien zijn. Van taarten die net echt zijn en alleen even staan af te koelen (althans, zo lijkt het) tot schattige vogeltjes. In de zogenaamde tuinkamer waan je je inderdaad buiten, in een stille, schaduwrijke tuin met fonteintjes en kwetterende vogeltjes.

Om op afstand mee te kunnen genieten een tiental foto’s van de fresco’s – maar als je ze echt in volle glorie wilt zien, is een reis naar het voormalige Oplontis zeker een aanrader. Persoonlijk vind ik Poppeia’s villa vele malen mooier dan de villa’s in Pompeii – en dankzij het handjevol bezoekers kun je hier ook heerlijk in alle rust rondkijken en de sfeer in je opnemen. Daarna wel weer snel terug in de trein naar Rome of Napels, want in het dorpje zelf valt er weinig tot niets te beleven. Maar ach, dat geeft alle tijd om te mijmeren over het leven van Nero en Poppeia…

Getagd met:
apr 30

De jonge, vrijgevochten Luciana, die als prostituee en als schildersmodel werkt, wordt door een van haar voornaamste klanten gevraagd om te poseren voor een bevriende schilder. Deze schilder blijkt niemand minder te zijn dan Sandro Botticelli, die graag wil dat Luciana poseert als de centrale figuur Flora op zijn beroemde schilderij La Primavera.

Wanneer de kunstenaar haar echter wegstuurt zonder haar te betalen, steelt Luciana in haar woede een niet-afgemaakte miniatuur, cartone genaamd, van het schilderij. Hiermee zet ze een reeks van gebeurtenissen in gang en binnen een paar uur nadat Luciana de miniatuur heeft meegesmokkeld zijn er drie moorden gepleegd. Wat kan er zo bijzonder zijn aan dit schilderij? Welk geheim gaat er achter het doek schuil?

Luciana richt zich tot een monnik die in het klooster van Sante Croce verblijft, en samen ontvluchten ze Florence. Om het raadsel van Botticelli’s La Primavera te ontcijferen, doen ze negen verschillende Italiaanse steden aan, elk met een eigen geheim…

Net als ik morgen zal doen, reizen Luciana en de monnik ook van Napels naar Rome, waar ze worden onthaald door de paus. Een fragment:

‘Toen we eindelijk door de poort Rome binnenreden, was ik stomverbaasd dat het zo massaal was. Kolossale vierkante gebouwen glansden als goud in de zon, groter dan ik ooit had gezien, niet in Florence en zelfs niet op het Veld der Wonderen in Pisa. Het was in de hondsdagen, de Hondsster stond hoog naast de zon en de zon scheen lang en tot laat in de avond, maar zelfs zij moest ten slotte het veld ruimen. Goud werd zilver wanneer het licht boven Rome afnam en het langzaam donker werd. De paleizen, stadsgebouwen, kastelen en kerken veranderden langzaam zoals een opaal van kleur, alsof ze het decor vormden van een sprookje. Rome was een unieke stad, de verblijfplaats van prinsen.

Die indruk werd bevestigd toen we aankwamen bij Castel Sant’ Angelo – een enorme bruidstaart met kantelen van terracotta bakstenen, een rode pion in ons schaakspel. Op de oever van de traag stromende rivier leek het gebouw eerder op een vesting dan op een kasteel, maar onze kamers waren weelderig ingericht en we werden hartelijk ontvangen. Ons reisgezelschap kreeg de hele bovenste verdieping toegewezen, en in onze eigen eetzaal aten en dronken we in stijl. Na de maaltijd gingen broeder Guido en ik een eindje wandelen, allebei – zonder het uit te spreken – op zoek naar een plek om even alleen te zijn.

We hadden onderweg heel af en toe met elkaar kunnen praten, maar de vrouwen waren gescheiden van de mannen ondergebracht en broeder Guido en ik hadden alleen in het koninklijke rijtuig, in het bijzijn van de koning en de koningin, gelegenheid gehad om met elkaar te praten. We hadden af en toe fluisterend een gesprekje gevoerd, maar het woord ‘primavera’ niet durven noemen. En de laatste paar dagen, toen we hadden gehoord dat de paus ons had uitgenodigd in zijn kasteel en ons een audiëntie had beloofd, had broeder Guido alleen nog maar opgewonden kunnen fluisteren over zijn komende ontmoeting met de kerkvader. Hij bad zo veel dat ik bang was dat zijn tong uit zijn mond zou vallen, en hij knielde bij elke wegkapel tot ik dacht dat zijn knieën tot op het bot zouden slijten. Ook was ik bang geweest dat Don Ferrante argwaan zou krijgen, omdat ik niet dacht dat Niccolò della Torre bekend zou staan als een devote gelovige.

Elke keer als mijn vriend weer in het rijtuig was gestapt, had ik hem er met gebaren en een strenge blik aan herinnerd dat hij zijn rol moest spelen. Ik had onkuis tegen hem aan gehangen, mijn tieten in zijn gezicht gedrukt en vermaningen in zijn oor gefluisterd alsof het geen zure, maar zoete woordjes waren. (Ik moet bekennen dat ik wat dat betreft mijn gevoelens had laten spreken, voor zover dat mogelijk was.) Ten slotte was hij zich weer iets beter gaan gedragen, maar ik had wel gemerkt dat hij, toen we dichter bij de stad kwamen, in alle staten van religieuze opwinding was. Ik was ook opgewonden, maar dat was omdat ik hoopte dat we eindelijk weer eens over het schilderij konden praten en ik zou horen waarom Rome ook een onderdeel van het raadsel was.

Tijdens onze passeggiata die avond vonden we een perfecte plek voor een gesprek: het hoogste kanteel, bemand door twee angstaanjagende, heen en weer lopende schildwachten. Ze stelden geen vragen en wilden niet weten wat we daar kwamen doen, en ik nam aan dat hun was verteld wie de gasten waren en dat ze eraan waren gewend dat die gasten ’s avonds naar buiten kwamen om het uitzicht te bewonderen. Ten slotte draaide ik het uitzicht mijn rug toe, zoals ik ook op de berg in Fiesole had gedaan, om eindelijk ter zake te komen.’

Of Luciana en Guido, de monnik, in Rome een stapje dichter bij de oplossing van het raadsel van Botticelli komen, lees je in

 

Het raadsel van Botticelli
Marina Fiorato
ISBN 9789047201892
€ 19,95
uitgeverij Artemis & co

Via deze link kun je alvast de booktrailer bekijken, die je als het ware meezuigt in het schilderij van Botticelli!

Het raadsel van Botticelli winnen?
Ciao tutti mag van uitgeverij Artemis drie exemplaren van Het raadsel van Botticelli weggeven. Wil je kans maken op dit heerlijke boek, stuur dan voor 15 mei een mail met je naam en adres naar winnen@ciaotutti.nl.

apr 29

Mijn rondreis door het zuiden van het Italiaanse schiereiland sluit ik af in Napels. Volgens veel inwoners van het noorden van Italië behoort alles ‘onder Rome al tot Afrika’, maar die mening deel ik zeker niet. Het is anders dan het noorden, zeker, primitiever soms, maar ook authentieker, wijzer, natuurlijker misschien.

In Napels sluipt alweer wat ‘noordelijkers’ in het alledaagse leven. Hoewel de koffie er sterker is dan in Rome en hoewel de mensen er luidruchtiger zijn dan waar dan ook, is de stad de afgelopen jaren georganiseerder geworden. Musea zijn gerenoveerd en kennen veel bredere openingstijden, het openbaar vervoer is stukken beter geworden en het aantal goede restaurants groeit elke maand.

Wat niet verandert is in deze geweldige stad, is de devotie van Maria. Niet God, niet Jezus, maar de onschuldige maagd Maria is het middelpunt van het geloof van de gemiddelde Napolitaan. Er zijn maar liefst 250 verschillende namen waarmee Maria in het Napolitaans kan worden aangeduid! De aanbidding van Maria is vaak ook een openbare gelegenheid; de kleine altaartjes die door de hele stad te zien zijn, worden netjes onderhouden en regelmatig voorzien van bloemen, kaarsjes en briefjes met wensen of juist een handgeschreven dankjewel na het vervullen van een wens – of na een gunstige lotto-uitslag. Maria heeft overal de hand in, aldus de Napolitanen. Ze is hier zeker populairder dan de paus, die in het ‘verre’ Rome zit en zich niets van Napels aantrekt. Een paar altaartjes die ik tijdens mijn wandeling door Napels tegenkwam:

Maar Maria is niet de enige die op deze manier geëerd wordt. Voor Napolitaanse mannen is Maradona minstens zo heilig als Maria, zo niet heiliger. Bij zijn komst naar Napoli waren de voetbalfans – en dat zijn in elk geval alle mannelijke inwoners van Napels – al dolblij, maar toen Napoli in 1987 voor de eerste keer in de geschiedenis de titel landskampioen en de bijbehorende scudetto in ontvangst mocht nemen, kreeg Maradona de status van godenzoon.

Maradona was dé ster van het team en leidde zijn team onder andere naar de finale van de UEFA Cup tegen Stuttgart, die ook nog eens gewonnen werd. Napoli telde mee en Diego Maradona groeide uit tot een fenomeen… In 1990 pakte Napoli zijn tweede landstitel. Na afloop van de competitie startte in Italië het WK. Maradona riep de Napolitaanse fans op om voor zijn thuisland Argentinië te supporteren in plaats van voor het Italiaanse elftal, omdat dat voornamelijk bestond uit spelers uit Noord-Italië. Maar hoe geliefd Maradona ook was, dat ging de Napolitanen toch wat ver. Tijdens de laatste wedstrijd van het seizoen ontvouwden de tifosi van Napoli een spandoek waarop stond: Maradona, jij bent onze liefde, maar Italië is ons bloed.

Toch heeft Maradona altijd een bijzonder plekje behouden in de harten van de Napolitanen. Zo bijzonder dat er in de stad verschillende altaartjes aan hem gewijd zijn. Terwijl ik ze voor jullie op de gevoelige plaat vastlegde, knikte een oud Napolitaans mannetje me vriendelijk toe en legt hij zijn hand op zijn hart. Voor Maradona, die hier heiliger is dan de paus en op gelijke voet staat met Maria!

Getagd met:
jan 03

In december berichtte ik elke dag vanuit Napels, stad van uitersten. Maar ondanks de reputatie die het in de loop der tijd opbouwde, kun je onmogelijk niet verliefd worden op deze stad – dat is de Smaak-redactie helemaal met me eens.

Dankzij het nieuwe nummer van De Smaak van Italië, dat over enkele dagen in de winkel ligt, kan ik gelukkig nog even heerlijk nagenieten van deze chaotische stad. Van ongeduldig toeterende automobilisten in straten met de prachtigste barokke paleizen, van brutale straatjongens die je uitermate behulpzaam de weg wijzen. Een bezoek aan de vurige stad in het zuiden is een heerlijk onvoorspelbaar avontuur.

Vandaag een voorproefje van de nieuwe Smaak van Italië, met allereerst zoals gezegd aandacht voor Napels, met een prachtige fotoreportage en het Napolitaanse avontuur van Anita Ellis, die afgelopen zomer naar Rome wilde vliegen, in Napels wilde overnachten en langs de kust naar haar vakantieadres ten zuiden van Paestum wilde reizen. Voor vertrek werd ze vaak gewaarschuwd: Campanië? Gevaarlijk. Napels? Heel gevaarlijk! Ze sloeg alle waarschuwingen in de wind en ging toch om een heel ander Napels te ontdekken…

Dan gaat de reis zuidwaarts, met een prachtige tocht langs de Amalfitaanse kust – een paradijselijk stukje aarde. De diepblauwe Tyrrheense zee lacht stralend naar de weelderig begroeide kliffen en prachtige natuur van het vaste land. Hier wisselen schilderachtige dorpjes, bochtige wegen, wilde bloemen en de mooiste vergezichten elkaar af. Heel anders dan het chaotische centrum van Napels, maar beide op hun eigen manier mooi!

Maar ook in de rest van Italië valt dit nummer weer genoeg te genieten, met onder andere een heerlijke reportage over Friuli, het smaakparadijs tussen Udine en Gorizia, het Italië van Yvon Jaspers, 24 uur in Bologna, slapen in Brindisi en alvast een voorproefje uit het nieuwe boek van Gino D’Acampo. Een smaakvol eerste nummer, dat garant staat voor een heel smakelijk Italië-jaar!

dec 31

Dat de Italianen er soms rare gewoontes op na houden, is wellicht geen nieuws meer. Al kan het altijd gekker, zo ontdekte ik deze week in Napels. Als ik de verhalen van buurvrouwen en barmannen moet geloven, staat mij hier vanavond heel wat te wachten!

Allereerst moet ik er volgens mijn – op leeftijd zijnde – buurvrouwen voor zorgen dat ik vandaag nog een rode onderbroek ga scoren. Op mijn vraag waarom dat per se vandaag nog moet, giechelen ze als jonge meisjes. Pas na lang aandringen fluisteren ze in mijn oor dat dat hier de gewoonte is – dan weet je zeker dat je in het nieuwe jaar veel geluk op liefdesgebied ten deel zal vallen.

‘Vrouwen en meisjes geven elkaar hier op Oudejaarsdag een rode onderbroek,’ zo vertellen ze. ‘Dat is al heel lang een traditie hier in Napels. Het is hier echt het ultieme decembercadeau!’ Nu waren me al die etalages met rood ondergoed inderdaad wel opgevallen, maar ik had gedacht dat rood vanwege kerst wel een feestelijke kleur was. Niets blijkt minder waar.

Mijn buurvrouw vertelt dat het echt een zaak van levensbelang is, het jaar beginnen in een rode onderbroek. Als meisjes op de laatste avond van het jaar een klein pakje krijgen, weten ze niet hoe snel ze zich uit de voeten moeten maken om de inhoud op tijd aan te trekken. ‘Dai, cara,’ zegt ze. ‘Vooruit, lieverd.’ Ik kijk haar enigszins vertwijfeld aan, er nog niet van overtuigd of ze me nu voor de gek houdt of niet. Pas als ze me nog dichterbij wenkt en haar rok hoog optrekt, zodat ik een glimp rood kan ontwaren, ben ik ervan overtuigd dat ze geen grapje maakt. Op naar het centrum dus, om het nieuwe jaar goed te kunnen beginnen!

Maar dat is nog niet alles, want voor ik de deur uitloop, waarschuwt de buurvrouw me voor vallende wasmachines. Daar hoorde ik de barman gisteren ook al over, dat het in deze dagen levensgevaarlijk zou zijn om ’s avonds laat door de stad te wandelen, en al helemaal op Oudejaarsavond. Ik vroeg hem of er dan zoveel meer geweld op straat was in deze tijd, waarop hij me lachend toeknikte en uitriep: ‘Het gevaar komt dezer dagen van boven!’

Wat blijkt: de Napolitanen gooien zo vlak voor het begin van het nieuwe jaar al hun oude, niet functionerende apparaten gewoon uit het raam. Zo kunnen ze opgeruimd aan een nieuw jaar beginnen – als ze tenminste niet de pech hebben onder een raam te lopen waardoor een stadsgenoot een kapotte televisie of vaatwasser naar buiten duwt. Gelukkig gaat het dumpen van oude apparaten volgens de barman gepaard met veel geschreeuw en gezang. Zijn advies is dan ook snel opzij te springen als er ineens een vrolijk lied wordt aangeheven, vergezeld door aanmoedigende klanken van de buren. Dan is er namelijk geheid een wasmachine of computer in aantocht…

Gelukkig kennen ze hier ook nog een wat normalere traditie, die ook in de rest van Italië in ere wordt gehouden. Op oudejaarsavond wordt er namelijk in elk geval zampone geserveerd, oftewel gevulde varkenspoot. Bij de slager en in de supermarkten zijn ze kant en klaar te koop – hetgeen niet altijd een smakelijke aanblik is. De zampone is meestal verpakt in een mooi doosje, waardoor het ook een geliefd decembercadeau is voor vrienden en familie.

Bovendien is het een heel symbolisch cadeau: de zampone wordt beschouwd als een teken van rijkdom voor het komende jaar, een culinaire nieuwjaarswens dus eigenlijk. Traditioneel wordt zo’n varkenspoot geserveerd met lenticchie, linzen, die de overvloed aan geld waarover je in het nieuwe jaar zal beschikken symboliseren.

Met een beetje geluk – dat wil zeggen; zonder te worden geraakt door een vallende wasmachine – zit ik vanavond met rood ondergoed te genieten van varkenspoot en linzen. Dan kan 2011 volgens het Napolitaanse bijgeloof niet meer stuk!

Getagd met:
dec 22

Naast panettone en pandoro vind je in Napels in aanloop naar Kerstmis ook overal struffoli (ook wel strufoli, stuffoli of stufoli genoemd). Deze kleine gefrituurde deegballetjes worden voor het serveren rijkelijk overgoten met honing, zodat er als het ware een soesjestaart ontstaat.

Napolitaanse bakkers leven zich helemaal uit om met deze struffoli de meest bijzondere bouwwerken te maken. Kerststallen zijn natuurlijk populair, maar ook vallende sterren, kerstbomen en panettonevormen zijn dit jaar erg in trek. Vroeger werden er gesuikerde amandelen en marasquinkersen tussen de struffoli gestapeld en werd ‘de berg’ bestrooid met gehakte noten. Tegenwoordig wordt het bouwsel van struffoli meestal versierd met gekonfijte vruchtjes en bestrooid met decoratiehagel.

Voor wie thuis ook een berg van deze Napolitaanse kerstlekkernij wil maken, hierbij het recept van een Napolitaanse banketbakker.

Ingrediënten:

500 gram bloem
3 eieren
een bekertje anijsolie
50 gram boter
fijngeraspte citroen- of sinaasappelschil
snufje zout
snufje zuiveringszout
een zakje vanillesuiker
zonnebloemolie
250 gram honing
gekonfijte vruchtjes

Maak een bergje van de bloem en maak een kuiltje in het midden. Breek de eieren boven het kuiltje, schenk de anijsolie erbij en voeg ook de boter, de citroen- of sinaasappelschil, het zout, het zuiveringszout en de vanillesuiker toe en kneed dit alles goed door elkaar, tot het mengsel niet langer aan je handen plakt.

Maak er buisvormige stokjes van en snijd deze in kleine ronde stukjes. Rol deze tussen beide handen tot kleine balletjes en frituur deze in een ruime hoeveelheid zonnebloemolie. Laat de struffoli uitlekken op keukenpapier.

Verwarm de helft van de pot honing in een steelpan. Blijf goed roeren,  tot de honing ongeveer zo dun is als water en draai dan het vuur uit. Meng een paar handen vol struffoli door de honing – tot de steelpan zo’n beetje half vol is – en schep de balletjes met een lepel om tot ze rondom helemaal met honing bedekt zijn.

Wacht even tot de honing iets afgekoeld is en wat dikker is geworden. De struffoli zijn meestal precies goed als ze met de hand net vastgepakt kunnen worden. Stapel de struffoli (met een lepel of met de hand) op een schaal of op kleine schoteltjes en versier de stapel met gekonfijte vruchtjes. Maak de honing weer warm en verwerk ook de rest van de struffoli zoals hierboven beschreven, zodat je een mooie berg struffoli krijgt.

De struffoli zijn op de dag zelf het lekkerst – pas wel op voor kleverige vingers!

Getagd met:
dec 17

Na het heilige wonder van gisteren (ja, het bloed vloeide, dus de Napolitanen konden hun geluk niet op) vandaag een culinair wonder, dat anders dan de Napolitanen je graag doen geloven niet in Napels is bedacht maar in Polen. Het schijnt dat de hoogbejaarde koning Stanislas Leszczynski wanhopig was omdat hij niet sterk genoeg meer was om een stuk van zijn lievelingsgebak, de tulbandcake, af te snoepen. In plaats van zich hierbij neer te leggen, liet hij een van zijn onderdanen wat sterke drank over de cake heen gieten, zodat de cake zachter werd en hij er moeiteloos van kon genieten. Omdat hij op dat moment net de verhalen van Duizend-en-een-nacht aan het lezen was, noemde hij deze zompige cake babà, naar Ali Baba die net als hij de confrontatie moest aangaan, maar dan met veertig rovers in plaats van met een tulband.

De babà is vervolgens via Frankrijk in Napels beland, in de tijd dat de Franse koks het aan het Napolitaanse hof voor het zeggen hadden. De babà wordt bereid in een speciaal vormpje, waardoor het de karakteristieke vorm van een hoge paddenstoel krijgt. Ondertussen is de babà in Napels zo populair, dat de Napolitanen ervan overtuigd zijn dat het recept toch echt uit Napels zelf afkomstig moet zijn. Pools of Napolitaans, het is in elk geval zeer geschikt als klein hapje bij de kerstkoffie of als dessert. Gebruik in plaats van rum ook eens limoncello, dat smaakt eveneens buonissimo en is net een tikje Napolitaanser!

Babà al rum
(voor 10 babà’s)

voor het deeg:
300 g bloem
30 g biergist
2 dl volle melk
3 eieren
200 g zachte boter
een snufje zout
75 g suiker

voor de siroop:
schil van een (biologische) citroen
2 dl rum
100 g suiker
500 ml water

Maak eerst de siroop door de citroenschil, de rum en de suiker door het water te roeren. Breng aan de kook, laat even doorkoken en zeef dan de citroenschil uit de siroop. Houd de siroop op laag vuur warm.

Verdeel de bloem voor de babà’s in drie gelijke porties. Doe een zo’n portie (100 gram bloem) in een diepe mengkom. Los de biergist op in een bodempje water. Meng dit door de bloem. Schenk de melk erbij en meng alles met je handen goed door elkaar. Het deeg moet nog vrij vloeibaar zijn. Dek het deeg af met een schone theedoek en laat het een half uur rusten op kamertemperatuur.

Voeg na dit half uur de eieren, de in stukjes gesneden boter, de twee overgebleven porties bloem (200 gram), het zout en 60 gram suiker toe aan het deeg. Meng alles ongeveer een kwartier met een mixer, totdat het deeg loskomt van de randen van de kom. Dek het deeg dan wederom af met een schone theedoek en laat het nog eens 40 minuten rusten (wederom op kamertemperatuur).

Verwarm de oven voor op 180 °C. Beboter 10 babà-vormpjes en vul ze voor de helft met het deeg. Laat het deeg dan nogmaals rijzen, tot het tot net onder de rand van de vormpjes komt. Plaats de babà’s op een bakplaat en schuif deze in de oven. Bak de cakejes in 20 tot 25 minuten goudbruin en gaar.

Laat de babà’s even afkoelen, haal ze uit de vormpjes en schenk de siroop erover en klaar is je kerstlekkers!

 

Getagd met:
dec 16

Nee, dit is geen verlaat berichtje over Sinterklaas: de heilige die op deze illustratie is afgebeeld is San Gennaro, oftewel de heilige Januarius. San Gennaro is de patroonheilige van de stad Napels. Drie dagen per jaar, op de eerste zondag in mei, op 19 september en vandaag, op 16 december, staat de hele stad op zijn kop. Op die dagen wordt namelijk bepaald of de stad goede of kwade tijden tegemoet gaat. Het lot van de stad ligt die dagen in handen van San Gennaro. Als zijn bloed gaat stromen en voor de ogen van duizenden gelovige Napolitanen vloeibaar wordt, slaakt iedereen een diepe zucht van opluchting.

Maar zover is het vandaag nog niet. De Napolitanen zijn onrustig, ze drinken hun eerste koffie met nog meer onrust dan anders. Iedereen hoopt dat het wonder van San Gennaro zich ook vandaag zal voordoen, maar het duurt nog even voordat we weten of dat het geval is. In de tussentijd winden de Napolitanen zich vreselijk op. Ik besluit nog even terug te gaan naar mijn appartement om een stukje over deze traditie te lezen, voor ik word aangestoken door al die onrustige mensen om me heen.

In de Dominicus stedengids Napels lees ik over het belang van het wonder van San Gennaro:

‘Er hangt een wonder in de lucht. De hele week is de kathedraal een komen en gaan van mensen. Een filmploeg schiet plaatjes en alles is klaar voor het grote moment; het vloeibaar worden van het bloed van Gennaro. Gebeurt het wonder, dan staat de stad voorspoed te wachten, anders…

Het gestolde bloed staat voor deze gelegenheid op het altaar voor in de kathedraal. Kinderen in feestkleding volgen de vinger van hun vader op zoek naar de flacon met bloed die opgesteld staat tussen rijen gouden en zilveren relikwieën en brandende kaarsen. De agent die de wacht houdt, slaat voortdurend handen weg die naar de flacon reiken. Naast de fresco’s van Luca Giordano bidden vrouwen, geknield op de koude grond.

Wanneer de avond valt, schittert er buiten de kathedraal een zee van lichtjes; de Via Duomo staat vol feestelijk versierde kramen. Napels viert alvast feest, als voorschot op het komende wonder. Kinderen krijgen chocolade en ballonnen.

Dan begint de mis. De kathedraal, afgeladen met een menigte zingende en smekende gelovigen, ziet blauw van de wierook. Als het zingen wegebt, gaat de bisschop staan en stromen vanuit de coulissen kruisdragers in witte gewaden naar voren. Onduidelijk is of het wonder al is gebeurd, maar zelfverzekerd grijpt de bisschop de flacon met bloed uit de zilveren houder, zwaait hem heen en weer en toont hem triomfantelijk aan het kerkvolk, waarna een enthousiast applaus vanuit de kathedraal richting het altaar rolt.

De bisschop kantelt het relikwie nog een aantal keren, net als een trofee. Iedereen staat nu. Gewaden wapperen en onder het massaal zingen van het Latijnse jubellied Te Deum Laudamus begint de bisschop aan een zegetocht door het gangpad. Kinderen worden op de schouders gehesen en onder het spiedende oog van agenten kussen vrouwen het glas met het bloed. Spontaan vormt zich een juichende processie, dwars door de kathedraal. De gelovigen zien een wonder en Napels haalt opgelucht adem. Het bloed vloeit!’

Van buiten klinkt een hoop opgewonden gepraat en vrolijk geschreeuw van de kinderen die verrukt blijven stilstaan bij al die kraampjes met lekkers. De zenuwen van de Napolitanen zijn inmiddels ook op mij overgeslagen; je kunt er in de hele stad niet meer aan ontsnappen. Dat het wonder straks weer moge geschieden!

Getagd met:
dec 12

Nu we gisteren zo uitgebreid stil hebben gestaan bij het ontstaan van de Napolitaanse kerststal, vandaag een uitstapje naar de mooiste kerststallen in Napels zelf.

In december vind je in Napels ongeveer op elke straathoek wel een kerststal. Tijdens een wandeling door de stad val je vaak van de ene verbazing in de andere. Naast het torenhoog opgestapelde vuilnis stuit je op een kleine loggia waar de buurtbewoners een enorme kerststal hebben opgebouwd. Vaak zitten een paar bejaarde mannetjes er gezellig bij te keuvelen. Als je ze wat kleingeld geeft voor het onderhoud van de stal vertellen ze je uit dankbaarheid de hele geschiedenis van de kerststal en van hun familie, in plat Napolitaans, waar zelfs na een paar dagen Napels nog geen touw aan vast te knopen is. Maar de trots straalt uit hun ogen, en als ze dan met hun grove handen een klein teer beeldje rechtzetten, dan kun je niks anders doen dan hun verhaal aanhoren en telkens enthousiast knikken.

Uiteraard hebben de kerken en kloosters hun achterstand ten opzichte van de rijke adel al lang ingehaald en pakken ook zij flink uit. Let wel: tot 24 december zie je in Napels bijna nergens een kindje in de kribbe liggen – dat wordt er pas op kerstavond ingelegd, vaak tijdens de Nachtmis.

In het Certosa di San Martino, het kartuizer klooster dat hoog boven het oude centrum uittorent, vind je een van de grootste collecties kerststallen en losse pastori, kerststalfiguren, van Napels. Hier vind je ook een collectie originele beelden van de hand van Giuseppe Sanmartino, die tot in het kleinste detail met de hand vervaardigd zijn:

In de Via San Gregorio Armeno, een zijstraatje van de Spaccanapoli, vind je een keur aan kleine winkeltjes en werkplaatsen die werkelijk alles voor de kerststal verkopen, van de behuizing tot de figuurtjes in alle soorten en maten, van de aankleding (inclusief konijnenhokken, pizzaovens en spinnenwielen) tot allerlei elektrische apparaten die van het geheel een zelfstandig functionerend dorp moeten maken.

Daarnaast leven de Napolitanen zich elk jaar opnieuw uit om bekende stad- en landgenoten een plek te geven in de kerststal: je ziet dan ook honderden versies van Maradona, Berlusconi, Pulcinella en Totò tussen de herders en de koningen in staan.

Vorig jaar was Berlusconi met bloedneus de grote hit, vanwege de aanslag met het beeldje van de Duomo van Milaan, die in december plaats vond en de kerststalbouwers inspireerde tot hilarische taferelen. Ik ben benieuwd wat dit jaar de grote hit gaat worden. De laatste jaren hebben zelfs wereldser beroemdheden als Obama en Poetin een plekje gekregen tussen de engelen, dus wie weet zien we Lady Gaga straks naast de kribbe staan…

Iets ten noorden van de Via San Gregorio Armeno, in de Via Anticaglia, vind je de echte ateliers. Zeker in december staan de deuren meestal wijd open, zodat je met eigen ogen kunt aanschouwen hoe de kerststalbouwers te werk gaan. Elk atelier heeft zijn eigen specialiteit: de een maakt allerlei stalletjes, de ander knutselt schitterende waterpartijen in elkaar en weer een ander houdt zich bezig met alle mogelijke verlichting die in een kerststal kan worden gebruikt.

Umberto Jannacone is een van deze kerststalkunstenaars. Op nummer 24 werkt hij, slechts bijgelicht door een aftandse bureaulamp, aan allerlei tableaus waarin hij de traditionele kerststalbewoners kennis laat maken met bekende en minder bekende mensen uit het openbare leven. De drie koningen uit het oosten staan zo zij aan zij met de (voormalige) sterspelers van FC Napoli, de os en de ezel houden de Napolitaanse magistraten warm en Pulcinella buigt zich over het kerstkindje. Een verdieping lager staat zijn grote trots: een enorm doolhof van middeleeuwse straatjes, kleine huisjes en kroegjes, waarin miniatuurmensjes het leven van de Napolitanen nabootsen. Ze doen het huishouden, staan uren in de keuken, gaan naar de kerk en bezoeken familie en drinken zich een stuk in hun kraag. Je komt hier ogen tekort!

dec 11

Gisteren schreef ik over de grote Napolitaanse kerststal van het Catharijneconvent in Utrecht en over de geschiedenis van de traditie om ook gewone stervelingen te laten figureren in een kerststal. In eerste instantie was zo’n uitgebreide kerststal echter alleen weggelegd voor de rijke bovenlaag; kerken en kloosters konden zich zo’n uitgave eenvoudigweg niet veroorloven. De beelden werden dan ook meestal gemaakt door echte kunstenaars, zo vertelt het boekje De Napolitaanse kerststal, dat ter gelegenheid van de tentoonstelling is uitgegeven:

‘Rond de presepe ontwikkelt zich een ware industrie. Een legertje gespecialiseerde kunstenaars en vaklieden fabriceert de gewenste beeldjes of pastori (letterlijk: herdertjes), zoals de beeldjes van de Napolitaanse kerststal genoemd worden.

Het onderscheidende en kenmerkende van de Napolitaanse kerststalfiguren is de manier waarop ze gemaakt worden. Het hoofdje wordt in klei gemodelleerd en gebakken. Het lichaam wordt gevormd door een metalen kern en omwikkeld met een stoffen modellering. Hierdoor krijgen de beeldjes een grote bewegingsvrijheid en zijn ze uitstekend geschikt een passende rol te spelen in een theatrale opstelling. De ledematen zijn uit hout gesneden en de handen kenmerken zich door fijn gevormde gespreide vingers. Tenslotte worden de pastori met textiel aangekleed.

Tegelijkertijd, en dat is essentieel, wordt het formaat gestandaardiseerd. De meeste beeldjes zijn 35 tot 40 cm hoog. Waar je ook gaat winkelen in Napels, door deze onderlinge afspraak past alles goed bij elkaar, tot op de dag van vandaag. Bij het ene atelier kies je de kop, bij het andere de houten ledematen. Er zijn overigens wel wat afwijkende maten, want om de perspectiefwerking te versterken zijn zowel kleinere als grotere beelden gemaakt.

Beeldhouwers van naam, zoals Giuseppe Sanmartino, Antonio Vaccaro en Francesco Celebrano leveren alleen op bestelling. Zij boetseren gezichten en lichamen van herders, dronkaards en landlopers. Trots signeren zij op de achterkant van de buste.

Deze beeldjes staan natuurlijk vooraan in de kerststal. Voor de achtergrond kiest men pastori van mindere kwaliteit die in serie leverbaar zijn. Deze worden zelden gesigneerd en vormen het merendeel van de bewaard gebleven productie.

Andere kunstenaars specialiseren zich in exotische dieren, een populair onderdeel van de entourage van de drie koningen. Zij vinden hun modellen in de koninklijke dierentuin en weten deze anatomisch perfect uit te beelden.’

In De Napolitaanse kerststal lees je vervolgens nog veel meer over de onderdelen van de kerststal, over de verschillende stoffen en attributen, over de enscenering en over de betekenis van de figuren die in de Napolitaanse kerststal te zien zijn. Na het lezen van dit boekje weet je bijvoorbeeld waarom de os en de ezel altijd in de kerststal staan, en waarom Jozef negen van de tien keer een baard draagt. Een prachtig boekje over de mooiste Italiaanse kersttraditie!

preload preload preload