dec 06

Het indrukwekkende Palazzo Pamphilj aan het uiteinde van Piazza Navona, dat ooit toebehoorde aan paus Innocentius X, heeft even zijn deuren geopend. Tot en met 16 december kun je er elke woensdag, donderdag, vrijdag en zaterdag terecht voor een expositie met werk van Vik Muniz.

De werken hangen in de Galleria Cortona, de enorme zaal die bekend staat om zijn prachtige plafondschildering, gemaakt door Pietro da Cortona. Van het plafond kun je normaal gesproken slechts een glimp opvangen, als het buiten donker is en het licht in de zaal aan is. Een veelbelovende glimp weliswaar, maar de deur naar meer bleef tot voor kort hermetisch gesloten voor gewone Romeinen en toeristen.

Toen ik dan ook van deze unieke gelegenheid hoorde nadat ik zaterdagochtend in Rome was aangekomen, besloot ik er direct even naartoe te gaan. In eerste instantie vooral voor het schitterende plafond van Pietro da Cortona – die Braziliaanse kunstenaar deed mijn hart niet zo snel kloppen als het idee Da Cortona’s schildering in volle glorie te zien.

Dat plafond was inderdaad prachtig. Ik zal nog wel eens in de geschiedenis ervan duiken, maar voor wie alvast een indruk wil krijgen zonder de mogelijkheid voor 16 december de Braziliaanse ambassade in Rome binnen te wandelen: via deze link maak je een virtuele tocht door Galleria Cortona.

Waar ik echter toch ook erg van onder de indruk was, waren de werken van de Braziliaanse kunstenaar Vik Muniz (1961). In de Galleria Cortona zijn zeven werken te zien van deze ‘afvallige kunstenaar’. Het zijn stuk voor stuk meesterwerken van Italiaanse schilders. De zieke Bacchus en Narcissus van Caravaggio, De schepping van Adam van Michelangelo, Atlas (met de wereld op zijn rug) van Barbieri, om er een paar te noemen.

Het zijn deze Italiaanse werken die al vroeg indruk maakten op Muniz. Hij reproduceerde ze, maar niet zoals de Italiaanse meesters op doek. Nee, hij maakte de schilderijen na met behulp van afval. Van oud papier of van een combinatie van halve etalagepoppen, oude schroeven, kapotte kratjes en wat er allemaal maar aan afval te vinden is, maakt Muniz een meesterlijke, originele kopie van een meesterwerk.

Dat klinkt eenvoudiger dan het lijkt, want voor sommige doeken is een enorme oppervlakte nodig. Muniz tekent hiervoor eerst de compositie op de vloer van zijn studio, waarna hij de vlakken opvult met afval of met stroken oud papier. Hij maakt, zoals hij zelf stelt, kunst van iets wat mensen niet meer willen hebben, niet meer willen zien. Zo transformeert hij nutteloze dingen tot onmisbare zaken. Elk stuk afval heeft zijn plek in het geheel, en die hele afvalberg samen vormt een waardevol kunststuk.

Van zijn papieren werken (Pictures of Magazines) zijn er twee te zien in Rome: De zieke Bacchus van Caravaggio en De slagerij van Hannibal Carracci. Veelzeggende plaatjes en foto’s uit tijdschriften, veelal van bekende filmsterren of artiesten, verliezen hun uniciteit en worden een – samen vormen ze een groter geheel, een grotere kunstvorm.

Vergelijk de originele werken maar eens met de papieren versie van Muniz:

Van de serie Pictures of Junk, waarin de schilderijen dus zijn nagemaakt met behulp van een hoop afval, zien we in de Brazilaanse ambassade Atlas van Giovanni Francesco Barbieri (Il Guercino), Atalanta en Hippomenes van Guido Reni, Prometheus van Titiaan en De schepping van Adam van Michelangelo. Ook hier een vergelijking tussen een aantal originelen en de werken van Muniz:

Wie nog in de gelegenheid is de Galleria Cortona voor 16 december te bezoeken, zou dat zeker moeten doen. De Braziliaanse ambassade is tot die datum open op woensdag, donderdag en vrijdag geopend van 16 tot 19 uur, en op zaterdag van 11 tot 18 uur. De toegang is gratis – de ervaring onbetaalbaar!

nov 28

Begin oktober schreef ik al over de grote dubbeltentoonstelling over de Etrusken in Leiden en Amsterdam. Na mijn bezoek aan beide exposities nam ik het prachtige boek dat ter gelegenheid van de tentoonstelling werd uitgegeven mee. Net als de tentoonstelling een prachtig eerbetoon aan de bijzondere, mysterieuze wereld van dit oude volk.

De Etrusken worden vooral met die waas van mysterie omgeven omdat er zo weinig geschriften bewaard zijn gebleven. Gelukkig kunnen we aan de hand van hun voorwerpen veel over hen te weten komen. Tanja van der Zon duikt in het boek Etrusken onder andere in de wereld van de votiefbeeldjes:

‘In de latere periodes van de Etruskische cultuur stonden de tempels en heiligdommen vol met duizenden terracotta wij- of votiefgeschenken van allerlei aard. Aanvankelijk vooral in Zuid-Etrurië, maar in de laatste eeuwen voor Christus ook in het noorden. De heiligdommen bevonden zich in de Etruskische steden of erbuiten, ook in de open lucht, bijvoorbeeld bij een rivier of een kruising van wegen. Hier zijn ook rituele voorwerpen aangetroffen; offergereedschappen als kannen en kommetjes voor giften, wierookbakken en messen, en vooral ook aardewerk voor de eet- en drinkgelagen na de offerfestiviteiten.

Votiefbeeldjes zijn offergaven aan de goden om hen mild te stemmen en met het verzoek een wens in vervulling te doen gaan. In het Latijn do ut des, ‘ik geef opdat u geeft’. Als dat was gelukt, dan was het gebruikelijk de goden te bedanken, weer met beeldjes. Uit inscripties die vanaf de vierde eeuw sporadisch voorkomen op bronzen beeldjes, blijkt dat vrouwen niet uitsluitend vrouwelijke beeldjes hebben geofferd en mannen niet uitsluitend mannelijke exemplaren. Soms staat ook vermeld voor welke god een beeldje bedoeld was.

Er zijn ook terracotta votiefbeeldjes van dieren. Behalve onderdelen als hoeven, die waarschijnlijk voor het hele dier stonden, werden ook miniatuurbeestjes aan de goden geschonken, bijvoorbeeld paarden, koeien en varkens.’

Een voorbeeld van deze laatste is dit bronzen varkentje, dat werd geofferd aan goden die zorgden voor de landbouw, zoals Demeter en Dionysos. Er is ook een ritueel bekend waarbij jonge biggetjes in een onderaardse ruimte werden gegooid. Hun resten werden later als mest op de akkers gestrooid. De vondst van terracotta biggetjes wijst uit dat er niet altijd levende biggetjes hoeven te worden gebruikt…

Naast votiefbeeldjes maakten de Etrusken ook beeldjes die waakten bij de graven van hun overledenen. In het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden is nu een beeldje te zien uit het Museo Archeologico Nazionale in Florence. Deze vrouwelijke grafwachter is gevonden in de graftombe Tumulo della Pietrera. De vrouw heeft haar handen voor de borst, het typerende rouwgebaar van een ‘klaagvrouw’. De vrouw draagt het haar in strengen die over haar schouders lopen. Verder heeft ze een gedecoreerde riem om haar middel en draagt ze een ketting om de hals.

Het beeld maakte deel uit van een groep beelden van vier mannen en vier vrouwen. Waarschijnlijk stellen ze de voorouders van de overledenen voor. Ze stonden opgesteld in het laatste gedeelte van de toegangsweg (dromos) tot het graf om de doden met veel egards te verwelkomen.

Wie de tentoonstelling in Leiden en Amsterdam heeft gezien en nog meer wil weten over dit mysterieuze volk, doet er goed aan eens naar het Archeologisch Museum in Florence af te reizen. De Etruskische afdeling hier is, mede dankzij de buitengewone belangstelling voor de Etrusken van de Medici, de belangrijkste van heel Italië. Hier is onder andere de beroemde chimera te zien, een monster dat is samengesteld uit verschillende dieren. Maar eerst heerlijk thuis genieten van het boek Etrusken – daarmee reis je vanuit je luie stoel door de hele geschiedenis van de Etrusken.

Etrusken
ISBN 9789040078064
€ 24,95
uitgeverij Wbooks

nov 21

Naast Leonardo da Vinci en Michelangelo Buonarotti heeft ook Dante zijn sporen in Florence verdiend – en nagelaten. Morgen zullen we een wandeling maken langs de plekken waar Dante eeuwen geleden heeft gelopen. Vandaag wil ik jullie meenemen naar het oudste portret van Dante, dat niet – zoals jullie wellicht verwachten – in een museum te bewonderen is, maar in een restaurant.

Alle Murate, zoals het restaurant heet, is echter niet zomaar een eetgelegenheid. Het is een bijna magische plek, waar kunst en eten hand in hand gaan. Alle Murate is gevestigd in het Palazzo dell’Arte dei Giudici e Notai, dat in het begin van de veertiende eeuw samen met het Bargello en het Palazzo Vecchio tot de drie belangrijkste plekken van Florence werd gerekend. Hier kwamen de rechters en notarissen bij elkaar om hun zaken te bespreken – en dat moest natuurlijk wel in een mooi versierde ruimte, met fresco’s op de wanden en op het plafond.

Tijdens de restauratie van het palazzo bleken die fresco’s echter van onschatbare waarde. Op een van de muren prijkte namelijk het gezicht van niemand minder dan Dante. Heel anders dan op de portretten die we van hem kenden – hij bleek weliswaar een grote neus te hebben, maar niet zo’n haviksneus als waarmee hij sinds de renaissance altijd wordt afgebeeld.

Monica Donato, die de fresco’s ontdekte, had direct al een vermoeden dat het hier wel eens kon gaan om de beroemde Florentijnse dichter. Vanwege de ontbrekende haakneus was ze er echter niet helemaal zeker van. Ze dook dus de archieven in, en de bewaard gebleven documenten gaven haar gelijk: dit gezicht is van niemand minder dan Dante, die niet alleen een iets minder geaccentueerde neus bleek te hebben maar ook een iets getinte huid.

Inmiddels was het palazzo verhuurd aan Umberto Montano, die er een prachtig restaurant wilde vestigen. Dantes gezicht kwam voor hem als een waar cadeau – en hij besloot dit bijzondere portret dan ook in ere te laten herstellen. Hij investeerde ruim 400.000 euro in de restauratie van de fresco’s, en nog eens 600.000 euro om ervoor te zorgen dat ze voor de toekomstige generaties bewaard blijven, terwijl zijn gasten er toch van kunnen genieten.

Dante is overigens niet de enige literaire beroemdheid die op deze fresco’s te zien is of was. Voor Dante stond Petrarca, en aan de rechterkant van het fresco zie je Bocaccio, met voor hem Zanobi da Strada. Gezien het feit dat Petrarca stierf in 1374 en Bocaccio het jaar erna, zouden de portretten net voor die tijd geschilderd moeten zijn.

De documenten die over deze zaal beschikbaar zijn, dateren de werken zelfs nog iets eerder. Volgens deze geschriften beschilderde Jacopo di Cione, de broer van Orcagna, in 1366 het plafond en de wanden van de grootste zaal van het palazzo. In 1406 kreeg Ambrogio di Baldese de taak om aan de groep literaire grootmeesters de Latijnse dichter Claudianus, die uit Florence afkomstig zou zijn, en de net overleden Coluccio Salutati toe te voegen. Nog later, in 1444, werd Andrea del Castagno gevraagd om de frescocyclus uit te breiden met een fresco met een groot aantal humanisten.

Op het plafond zien we een enorme cirkel, die Florence moet voorstellen als het nieuwe Jeruzalem. De perfecte cirkel wordt omsloten door stadsmuren en –poorten. De afbeeldingen in het midden, de lelie, de adelaar van de Guelfen en het kruis, staan allemaal symbool voor de stad. Daaromheen de figuren die symbool staan voor onder andere de rechtspraak, het recht en de kracht.

Onder dit Florentijnse fresco staan de tafels al prachtig gedekt klaar voor de gasten van vanavond. Die krijgen bij binnenkomst overigens eerst de mogelijkheid om met een audioguide de fresco’s te bekijken en de geschiedenis die achter deze gezichten schuil gaat te horen. Het is immers niet zomaar iets, eten onder toeziend oog van de enige echte Dante…

Alle Murate
Via del Proconsolo 16r, Florence
www.allemurate.it

Getagd met:
nov 17

Michelangelo heeft in Florence veel sporen nagelaten. Iedereen die de stad bezoekt, staat minstens een keer op de foto met zijn David (of een kopie daarvan), en ook de grafkapellen die hij voor de Medici maakte, worden vaak bezocht. Wat dat betreft komt zijn voormalige woonhuis, dat nu is ingericht als museum, er maar bekaaid vanaf. Tijd om dit prachtige museum in ere te herstellen!

Casa Buonarroti is gevestigd aan de Via Ghibbellina 70, op de plek waar Michelangelo volgens de geschriften op 3 maart 1508 vier huizen kocht voor iets meer dan duizend florijnen. Een paar jaar later kocht Michelangelo nog een van de naastliggende panden. Toen pas trok hij hier ook echt in. Voor zover we nu weten heeft hij van 1516 tot 1525 op deze plek gewoond en gewerkt.

Daarna bleef het huis wel in de familie Buonarroti. Michelangelo de Jongere, een achterneef van de beroemde kunstenaar, ging er wonen en legde de basis voor de collectie van het museum. Hij verzamelde allerlei brieven, tekeningen, notities en modellen van zijn beroemde familielid in het huis. Latere familieleden voegden hier meer en meer vondsten aan toe, waardoor de collectie steeds omvangrijker werd. Cosimo Buonarroti, die in 1858 stierf, liet de huizen, inclusief de gehele collectie, na aan de stad Florence. De stad maakte er een museum van, dat in 1859 al zijn deuren opende!

Dat het museum nog steeds bestaat, is overigens mede te danken aan Nederlanders. Niet dat zij nu rijen dik voor het museum staan, zoals voor de David in de Galleria dell’Accademia. Nee, de Nederlanders hebben er in 1966, toen de Arno zo enorm buiten zijn oevers was getreden, voor gezorgd dat het museum weer in ere kon worden hersteld. Een dankbetuiging boven de kassa herinnert ons hier nog steeds aan.

In het museum vind je onder andere twee heel vroege werken van Michelangelo, waaronder de Madonna della Scala. Michelangelo maakte dit werk toen hij slechts vijftien jaar was. Als ik terugdenk aan de reliëfjes die ik toen tijdens de lessen handenarbeid maakte, blijkt wel dat er met mij geen groot kunstenaar verloren is gegaan. Indrukwekkend om te zien wat Michelangelo op deze leeftijd al voor elkaar kreeg…

Twee jaar later tekende hij overigens voor nog een meesterwerk, De Slag der Centauren. Hier wordt al heel goed duidelijk hoe meesterlijk Michelangelo de beitel hanteert. Volgens een van zijn leerlingen heeft Michelangelo later in zijn carrière, toen hij dit werk weer onder ogen kreeg, verzucht: ‘Ik betreur het dat ik ooit wat anders ben gaan doen dan beeldhouwen; hierin ben ik toch het beste, hierin had ik het meest kunnen bereiken.’ Ook andere bronnen lijken te ondersteunen dat dit werk Michelangelo zeer dierbaar was. Zo schilderde hij op Het Laatste Oordeel in de Sixtijnse Kapel de Christus die recht spreekt in dezelfde houding als de middelste figuur op dit reliëf.

Voor kinderen is een bezoek aan dit museum ook leuk. Niet alleen inspireert het hen vast te zien wat de jonge kunstenaar allemaal maakte, ook is er een model te zien van de houten wagen die de David van het Piazza della Signoria naar de Galleria dell’Accademia moest vervoeren. Ook de schetsen vallen bij iets oudere kinderen vaak in de smaak, zeker die van de verdedigingswerken die Michelangelo voor de stad voor ogen had.

Onder de naam Nel nome di Michelangelo (In de naam van Michelangelo) kun je overigens een combikaartje kopen voor zowel de basiliek en het klooster van de nabijgelegen Santa Croce (waar Michelangelo begraven ligt) als Casa Buonarroti. Een unieke gelegenheid om een kijkje te nemen in het echte leven van de kunstenaar en, net als de Schilderkunst, de Beeldhouwkunst en de Architectuur op zijn graf, te treuren om de dood van dit genie. Gelukkig hebben we zijn prachtige erfenis nog…

nov 12

Leonardo da Vinci begon zijn schildercarrière als leerling van Andrea del Verrocchio. Rond 1472 zou hij zijn meester hebben geassisteerd bij het schilderen van een groot doek voor het monnikenklooster van San Salvi, dat zich net buiten Florence bevond. Voor zover we nu weten staan op dit doek de eerste penseelstreken die Da Vinci ooit op een echt schilderij zette – niet meer om te oefenen maar voor het grote werk.

Volgens Bramly’s biografie van Da Vinci heeft Verrocchio het meest verheven gedeelte van het werk voor zichzelf gereserveerd. Hij schilderde Jezus die in het water van de Jordaan staat. Hij schilderde eveneens Johannes de Doper, die Jezus doopt met water uit een koperen kom. Hij schilderde ook de Heilige Geest, in de vorm van een duif die uit de hemel neerdaalt. Hij schilderde ten slotte ook de rechterengel. De andere engel liet Verrocchio aan Leonardo over, evenals de achtergrond.

Leonardo kweet zich meer dan perfect van zijn taak. Toen Verrocchio zijn engel zag, met het kleed van Christus over de arm gedrapeerd, is hij volgens Vasari ‘verbijsterd en vernederd, door de ontdekking dat Leonardo ondanks zijn jonge leeftijd al meer van schilderen weet dan hijzelf.’ Verrocchio schijnt zelfs gezworen te hebben nooit meer een kwast aan te raken.

Bramly beweert echter dat Vasari met deze uitspraak Verrocchio tekort doet. Dit zou volgens Bramly niet alleen niet stroken met Verrocchio’s karakter, maar ook neemt Verrocchio daarna nog een aantal opdrachten voor schilderijen aan. Verrocchio weet nu echter wel dat hij zich op Leonardo kan verlaten. Da Vinci krijgt langzamerhand meer en meer verantwoordelijkheden en neemt steeds meer van het schilderwerk van Verrocchio’s atelier voor zijn rekening. De meester zelf wijdt zich ondertussen aan zijn twee grote passies: beeldhouwen en edelsmeden.

Da Vinci’s engel geniet ondertussen grote bekendheid. Het werk De doop van Christus wordt al in 1510 in de Memoriale van Albertini, een soort reisgids van Florence, vermeldt. Het is dan ook voor het eerst dat de Florentijnen zo’n staaltje meesterwerk zagen. Da Vinci’s engel heeft een ongekende glans. De haren, de ogen en de glimlach lichten het gezicht van de engel op, en de engel als geheel wordt als het ware uit het schilderij gelicht. In The Renaissance schrijft Walter Pater zelfs: ‘Deze engel is als een zonnestraal in een oud en vormelijk schilderij zonder expressie.’

Da Vinci’s engel valt echter niet alleen op door zijn uiterlijk. Ook de technieken die Da Vinci gebruikte waren nieuw – en anders dan die van zijn meester. Röntgenonderzoek heeft aangetoond dat Leonardo tijdens het schilderen de originele schets van Verrocchio her en der heeft gewijzigd. Bovendien schilderde Leonardo zijn engel met olieverf, terwijl de rest van het doek geschilderd is met eitempera. Zo kon hij heel dunne lagen verf aanbrengen, waardoor de engel veel echter en tegelijk kwetsbaarder oogt dan de andere figuren.

Met deze engel verzekerde Da Vinci zich van een groots begin van zijn carrière als schilder. Later maakte hij nog een prachtengel (waarover in december meer), die net als zijn eerste engel te zien is in het Uffizi in Florence. Dankzij Googles ArtProject kun je daar nu ook op afstand in ronddwalen. Klik maar eens hier, dan zie je de mooiste werken van dit prachtmuseum voorbijkomen en kun je er ongestoord naar kijken.

nov 11

Eergisteren wees ik al even op de vinger van Da Vinci, de omhoog wijzende vinger die wijst op verlossing, op de komst van Christus. Een van de duidelijkste voorbeelden die Da Vinci ooit schilderde, is te zien op het doek Johannes de Doper, dat normaal gesproken te zien is in het Louvre in Parijs.

Het is vermoedelijk het laatste doek dat Da Vinci schilderde – waarschijnlijk had hij het nog in zijn bezit toen hij stierf. Het is het meest gekopieerde van zijn werken, en kunstkenners strijden nog altijd over de authenticiteit van het doek. Wel is door onderzoek boven water gekomen dat Da Vinci niet degene is die de staf en het dierenvel heeft geschilderd; die zijn beide later toegevoegd.

Wie goed kijkt, ziet een enorme overeenkomst tussen de glimlach van Johannes de Doper en de Mona Lisa – de lippen van beide personen krullen even mysterieus licht omhoog. Maar het gezicht van deze Johannes de Doper is in nog een ander opzicht mysterieus. Da Vinci gebruikte het ook op een van zijn andere doeken, Sint-Anna te Drieën. De heilige Anna en Johannes de Doper lijken een en dezelfde persoon te zijn.

Da Vinci begon met de studies voor dit schilderij op verzoek van de Franse koning Lodewijk XII, die iets bijzonders cadeau wilde doen aan zijn jarige echtgenote. Op het doek moesten zowel Maria en Jezus als Johannus de Doper en de heilige Anna worden afgebeeld. Da Vinci zou rond 1508 begonnen zijn met schetsen, maar helaas heeft hij het werk nooit afgemaakt. Alles wat er nog van rest, is een voorbereidende studie in houtskool en enkele schetsen. De voorbereidende studie, het Burlington House Cartoon, is ondanks het feit dat het slechts een studie voor een groot doek is, een van Da Vinci’s belangrijkste werken.

Overigens maakte Da Vinci later in opdracht van een van de kerken in Florence wel een schilderij met de drie generaties van de heilige familie: Maria, Jezus, de heilige Anna en een lammetje. Johannes de Doper is de grote afwezige. Waarom is voor ons nog steeds een vraag. En waarom kloppen de verhoudingen op dit doek nauwelijks, terwijl Da Vinci normaal gesproken de perfecte verhoudingen wist op te tekenen? We zullen het nooit weten…

Net zoals we nooit zullen weten wie er model stond voor de laatste Johannes de Doper. Een man of een vrouw? Da Vinci zelf? Wederom zijn er meer vragen dan antwoorden, meer ondoorgrondelijke mysteries dan harde feiten. Zeker ook als je de schets voor de eerste Sint-Anna te Drieën bekijkt, met de onmiskenbaar omhoog wijzende vinger.

Ook op de Madonna in de grot, waarvan we eergisteren de twee verschillende versies zagen, zien we duidelijk een opgestoken wijsvinger, en bij Het Laatste Avondmaal kun je er ook al niet omheen. Bij het doek Madonna met de spindel is de verwijzing niet heel ver te zoeken…

Zijn laatste doek is hiermee dus zeker mysterieus te noemen, maar niet geheimzinniger dan de meeste van zijn andere werken. Het is wel een mooie ronde cirkel, de afbeelding van Johannes de Doper als Da Vinci’s laatste schilderij. Johannes de Doper staat namelijk ook centraal op het allereerste schilderij waar Da Vinci voor zover bekend aan werkte, De Doop van Christus. Maar daarover morgen meer!

nov 09

Vandaag openen de deuren van een grote tentoonstelling over Da Vinci. Niet in een van de grote musea in Italië, maar in de National Gallery in Londen. Hier zijn tot 5 februari 2012 ruim 60 tekeningen en schilderijen van deze renaissancekunstenaar te zien. Hoewel er al veel tentoonstellingen rondom Da Vinci zijn georganiseerd, is dit de eerste keer dat de schilder Da Vinci centraal staat – en niet de uitvinder of de wetenschapper.

Aanleiding voor deze grootste expositie is de recent voltooide restauratie van de Madonna van de grot. Van de versie die normaal gesproken ook in de National Gallery hangt welteverstaan, want van dit schilderij zijn twee versies in omloop. Ook het Louvre in Parijs heeft een Madonna van de grot van Da Vinci’s hand, maar dan een versie van vroeger datum.

Da Vinci kreeg de opdracht voor dit schilderij in 1483 van het Broederschap van de Onbevlekte Ontvangenis in Milaan. Deze broederschap wilde graag dat Da Vinci liet zien hoe Jozef, Maria en Jezus tijdens de vlucht naar Egypte een schuilplaats zochten in een grot, waar ze Johannes de Doper ontmoetten, die werd beschermd door de aartsengel Uriël. Volgens de overlevering was deze ontmoeting van groot belang, omdat Jezus zijn neef Johannes de Doper toestemming gaf om hem te dopen als ze allebei volwassen zouden zijn.

Het schilderij moest in samenwerking met twee andere kunstenaars worden gemaakt, hetgeen vrij ongebruikelijk was voor die tijd. Da Vinci zou het middenpaneel beschilderen, Evangelista de Predis was verantwoordelijk voor het verguldsel en zijn broer, Ambrogio de Predis, zou de zijpanelen verzorgen.

De tijd om dit alles te realiseren was behoorlijk kort. Leonardo kreeg de opdracht in april, en op 8 december, waarop Maria’s Onbevlekte Ontvangenis wordt gevierd, moest het werk kunnen worden onthuld. Maar Leonardo haalde de deadline niet en uiteindelijk zou het drie jaar duren voordat de Madonna van de Grot klaar was. De eerste versie dan, want de tweede versie was pas in 1508 gereed.

Waarom er twee versies van dit schilderij zijn, is overigens niet bekend. Algemeen wordt aangenomen dat de broeders niet tevreden waren met de eerste versie (met de rode mantel), waarop Leonardo da Vinci besloot een tweede versie te maken. Het feit dat de broeders niet tevreden waren is vanuit ons huidige oogpunt op zijn minst opmerkelijk te noemen. Beide werken voldoen immers precies aan het verzoek van de broederschap – met uitzondering van het ontbreken van Jozef, maar dat is zover wij nu weten nooit onderwerp van discussie geweest. Toch is het schilderij het lijdend voorwerp geweest van een twintig jaar durend conflict tussen Da Vinci en de broederschap.

Op de eerste versie van het schilderij, dat normaal gesproken in het Louvre hangt, zien we Maria met een kleine Christus, een kleine Johannes de Doper en een aartsengel. Om hen heen hangt een mysterieuze sfeer, die nog eens wordt versterkt door alle grotten en rotsen die zijn afgebeeld. Misschien staat de grot voor kennis van de mystieke wereld, misschien ook staat de grot symbool voor de legende die vertelt hoe de berg zich opende om de heilige familie onderdak te kunnen bieden.

De tweede versie doet iets minder mystiek aan. Het water op de achtergrond komt duidelijk naar voren en maakt de grotten minder geheimzinnig. De engel is daarentegen wel mysterieuzer; bij de eerste versie is de engel duidelijk een vrouw, hier is dat minder goed te zien. Johannes de Doper wordt wel duidelijker in beeld gebracht; hij draagt nu een kruis. Het is echter de vraag of Da Vinci dit zelf heeft toegevoegd of dat dit later nog is gedaan.

Wat wel duidelijk op beide versies van het schilderij te zien is, is de omhoog wijzende vinger van Johannes de Doper. Deze vinger komt op enorm veel werken van Da Vinci voor, let maar eens op als je de tentoonstelling bezoekt of de komende tijd andere werken van Da Vinci bekijkt.

Een interessant fenomeen dus, deze twee versies van een en hetzelfde schilderij. Tijdens de expositie in Londen zijn beide versies voor het eerst tegelijk te bewonderen – en te vergelijken. De geoefende kijker moet minimaal tien verschillen kunnen onderscheiden. Ik ben benieuwd of jullie die allemaal kunnen ontdekken!

okt 19

In de Scuderie del Quirinale, de voormalige pauselijke paardenstallen boven op het Quirinaal, worden telkens weer interessante exposities gehouden, die enorm veel bezoekers trekken. Voor de meesterwerken van Caravaggio en later die van Lorenzo Lotto trokken tienduizenden toeristen van over de hele wereld naar Rome, en ook de Romeinen zelf trotseerden graag de lange rij om de schitterende overzichtstentoonstellingen te zien.

Nu worden de Florentijnse schilder Filippino Lippi en Sandro Botticelli vereerd met een grote tentoonstelling. De Scuderie veranderen even in het Florence ten tijde van de vijftiende eeuw, waar beide schilders woonden en werkten. Als bezoeker maak je een tocht door de ruim dertig jaar die de kunstenaars in de hoofdstad van de renaissance inspiratie opdeden en de meest unieke fresco’s en schilderingen vervaardigden.

Botticelli hebben we op Ciao tutti wel eerder voorbij zien komen, maar Lippi is in elk geval hier een vrij onbekende schilder. Toch heeft hij veel prachtige werken nagelaten, zoals deze tere Madonna, die je nu in heel Rome ziet opduiken aangezien dit schilderij is gekozen als aankondiging voor de tentoonstelling.

Filippino Lippi, Madonna in adorazione del Bambino, Galleria degli Uffizi Florence

Stefano Zuffi schrijft in De kunst van het kijken over Lippi: ‘Het grote belang van Filippino Lippi voor de Florentijnse kunst in de tweede helft van de vijftiende eeuw wordt langzaam maar zeker door kunstcritici en het publiek erkend. Hij was geen tweederangs figuur maar juist een hoogst origineel schilder met een grote expressie kracht.

Filippino was de zoon van twee kloosterlingen, Fra Filippo Lippi en Lucrezia Buti. Hij werkte van jongs af met zijn vader samen, en voltooide na diens dood de fresco’s in de Dom van Spoleto. In 1472 kwam hij naar Florence en sloot hij vriendschap met Botticelli. In hun jonge jaren hadden de twee schilders veel stilistische kenmerken gemeen, maar rond 1480 vond Filippino Lippi, terwijl hij het contact aanhield, zijn eigen plek in Florence.

In deze periode (rond 1485) voltooide hij de fresco’s van Masaccio en Masaolino in de Cappella Brancacci. In 1488 werd Filippino naar Rome gestuurd om er de Cappella Carafa in de Santa Maria sopra Minerva te beschilderen. Terug in Florence voelde de schilder scherp de crisis van het humanisme aan na de dood van Lorenzo il Magnifico (1492), ten tijde van Savonarola’s donderpreken. Hij drukte zijn bezorgdheid uit in schilderijen die overlopen van spanning en symboliek.’

Een van die schilderijen is het visioen van de heilige Bernardus, dat normaal gesproken te zien is in de Badia Fiorentina in Florence maar nu even naar Rome is verhuisd:

Dit schilderij maakte Lippi eigenlijk voor een kerk in de buurt van Florence, maar tijdens het beleg van de stad (1529) werd het kostbare doek in veiligheid gebracht in de Badia Fiorentina, waar het zich nog steeds bevindt. De opdrachtgever, Pietro del Pugliese, zie je – zoals gebruikelijk was voor die tijd – in de hoek rechtsonder afgebeeld.

Op een van de doeken van Botticelli dat nu in de Scuderie te zien is (maar normaal gesproken in de Galleria degli Uffizi hangt), zien we bijna de hele Medici-familie opduiken. Het schilderij, met als onderwerp de aanbidding van het kindje Jezus door de drie wijzen, herbergt niet alleen Lorenzi il Magnifico (rechtsonder, in een blauwe mantel en met het hoofd schuin), maar ook Cosimo il Vecchio (de wijze die geknield aan Maria’s voeten zit) en diens zoon Piero il Gottose (de man met de rode mantel in het midden van het doek).

De opdrachtgever van dit doek, Gaspare Zanobi del Lama, is wat minder nadrukkelijk aanwezig. Hij is de man rechts in het midden, met een lichtblauwe mantel, grijzend haar en een uitgestoken wijsvinger. Op de plek waar bij Lippi de opdrachtgever stond, zien we hier Botticelli in hoogsteigen persoon, in een goudkleurige mantel.

Er valt dus op zo’n schilderij veel meer te ontdekken dan je op het eerste gezicht zou denken. De tentoonstelling in de Scuderie neemt je dan ook echt even mee naar het Florence van weleer, niet alleen door de voorstellingen maar ook en vooral door de personen die her en der opduiken en je een idee geven van hoe het leven er toen moet hebben uitgezien. Een echte aanrader dus, tijdens je bezoek aan Rome.

De tentoonstelling is nog te zien tot en met 15 januari 2012. Meer informatie vind je op de website van de Scuderie, waar je ook meteen een kaartje voor deze Florentijnse belevenis kunt kopen.

okt 08

Aanstaande vrijdag, 14 oktober, gaat een intrigerende dubbeltentoonstelling over de Etrusken van start in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden en in het Allard Pierson Museum in Amsterdam. Deze unieke tentoonstellingen vertellen het intrigerende verhaal over de Etruskische rijkdom, religie, macht en pracht, met honderden topstukken uit zowel de eigen collecties als uit vele buitenlandse musea. Elke tentoonstelling doet dit vanuit een eigen invalshoek.

Vrouwen van aanzien
De tentoonstelling in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden stelt de vrouwelijke verhaallijn centraal en neemt je mee naar de wereld van prinsessen, godinnen en de geëmancipeerde plaats van vrouwen in de Etruskische maatschappij. Die was voor die tijd heel bijzonder: niet eerder stond de vrouw zo op gelijke voet met de man. Ook hun traditionele rol als moeder en echtgenote komt aan bod.

In een sfeervol decor van een Toscaanse landschap en kleurrijke fresco’s worden onder meer prachtige gouden sieraden, beelden van godinnen en rijk versierd aardewerk tentoongesteld. Ook is er een spectaculaire 3D-reconstructie van het beroemde Regolini-Galassi graf met originele grafgiften (waarover morgen meer) en een reconstructie van een deel van de imposante Portonaccio-tempel en een Etruskisch graf.

Een van de topstukken is een sieraad van een rijke Etruskische dame, dat vermoedelijk gediend heeft als broche. Op de achterkant is namelijk een aanhechtingspunt voor een speld aangebracht. De broche toont het meesterschap van de Etruskische goudsmeden: op een gouden plaat is in verschillende technieken een ingewikkeld patroon gesmeed, met in het midden een robijn.

De Etruskische goudsmeden gebruikten verschillende technieken voor deze sierschijf. Een daarvan is het werken met filigraan: dunne draadjes goud, die de schijf rondom versieren. De Etrusken blonken ook uit in de granulatietechniek, waarbij ze kleine korreltjes goud in een bepaald patroon op een sieraad aanbrachten. Wanneer het voorwerp wordt verhit, hechten de korreltjes zich op de ondergrond zonder ermee te versmelten.

Ook de armband van de Etruskische dame die was begraven in het beroemde Regolini-Galassi-graf in Cerveteri is een prachtig voorbeeld van het hoogstaande vakmanschap van de Etruskische goudsmeden. De verfijnde decoratie van vrouwenfiguurtjes tussen boompjes, palmetten en lotusbloemen is gemaakt volgens de repoussétechniek (een soort ponsversiering) en de net genoemde granulatietechniek. Overigens is men er niet helemaal zeker van dat het een armband betreft. Aangezien er nog een vrijwel identiek exemplaar in het graf is gevonden, zou het ook een oorring kunnen zijn.

De tentoonstelling laat ook een prachtige spiegel zien, die duidelijk maakt dat de Etruskische wereld door de Grieken werd beïnvloed. Een bekende Griekse mythe is die van het Paris-oordeel. Paris moest uit drie godinnen de mooiste kiezen. Toen hij de godin van de liefde Aphrodite koos, werd hem de mooiste vrouw ter wereld beloofd. Op deze spiegel is te zien hoe de godin Turan (=Aphrodite) Paris voorstelt aan de naakte Helena, de mooiste vrouw ter wereld. Aan de rechterkant staat haar echtgenoot Menelaos.

Waarschijnlijk waren het de handelscontacten met Noord-Afrika die de Etrusken inspireerden tot het zelf maken van bronzen spiegels. In de loop der eeuwen werden ze steeds vaardiger in het maken van deze ronde kunstwerkjes. De spiegel werd in vele culturen van de oudheid gebruikt als karakteristiek voorwerp om vrouwen mee af te beelden. In de keerzijde van spiegels graveerden de Etrusken voorstellingen die meestal waren ontleend aan de Griekse mythologie. Vaak waren dat liefdesscènes en amoureuze avonturen van Griekse en Etruskische goden, maar ook religieuze plechtigheden en godenverzamelingen kwamen voor.

Het sluitstuk van de tentoonstelling in Leiden zijn 25 gouden sieraden, gemaakt in neo-Etruskische stijl. Deze juwelen zijn afkomstig uit Nederlands particulier bezit en vervaardigd door goudsmeden die zich lieten inspireren door Etruskische vormen en technieken. De getoonde neo-Etruskische sieraden zijn gemaakt in de negentiende, twintigste en eenentwintigste eeuw.

Mannen met macht
In het Allard Pierson Museum in Amsterdam komt de Etruskische man aan bod. Hier is de hoofdrol weggelegd voor krijgsheren, priesters en prinsen. Het mannelijk machtsvertoon komt naar voren in thema’s als handel, rijkdom en religie.

Een van de topstukken van deze expositie is een askist met Odysseus. Het deksel van deze albasten askist stelt de overledene voor, aanliggend aan de eeuwige maaltijd. Het reliëf aan de voorkant laat een scène uit de Odyssee zien, waar de Grieken onder leiding van Odysseus op het eiland van de cycloop Polyphemos zijn beland. Daar werden ze opgesloten in zijn grot en ontsnapten met een list. Odysseus verblindde de reus aan zijn enige oog. Opvallend is dat op deze askist Polyphemos is afgebeeld met twee ogen in plaats van één. Ook is de Etruskische godin Vanth afgebeeld om de mannen te helpen ontsnappen.

Ook het tentoongestelde voorouderbeeldje, een van de vijf beeldjes uit het graf van de CinqueSedie (graf van de vijf zetels) mag je niet missen. In de linker bijkamer van het graf zaten de beeldjes op de vijf uit tufsteen uitgehakte zetels. De menselijke figuurtjes stellen waarschijnlijk de voorouders voor, die de overledenen moeten beschermen. Ze dragen ceremoniële kleding en daardoor wordt gedacht dat ze waarschijnlijk zijn afgebeeld op het moment van de begrafenis. De rechterarm is uitgestrekt naar voren, waarschijnlijk zijn ze weergegeven op het moment dat ze offeren. In de vooroudercultus namen de gestorvenen samen met de voorouders deel aan de rituele dodenmaaltijd.

Er is ook een beeldje van een krijger te zien, dat onderdeel was van een reusachtige bronzen drievoet, een standaard voor een groot bronzen bekken. Er waren drie krijgers die dienden als onderdeel van de poten. Een beeldje van een jonge vrouw (korè) ondersteunde het centrale deel van het bekken. Op de rand van het bekken waren dieren waaronder herten gemonteerd. De drievoet was een votiefgeschenk in een van de rijkste bronsdepots van de Etrusken, ontdekt in 1863. Het geschenk hoorde bij een cultusplaats waar giften werden gedeponeerd vanaf het begin van de zevende tot in de vijfde eeuw v.Chr. De beelden zijn waarschijnlijk in Chiusi geproduceerd en worden rond 560-550 v.Chr gedateerd.

     

Het sluitstuk van de tentoonstelling in Amsterdam vormt de foto-installatie van beeldend kunstenaar Krien Clevis, met de naam Levende Dodenstraat. Impressies van vergankelijk Cerveten. Krien Clevis heeft voor de tentoonstelling een aantal in- en uitgangen van Etruskische grafkamers in Cerveteri gefotografeerd. Deze monumentale foto’s geven een impressie van hoe de graven er oorspronkelijk uitzagen.

‘Nergens echter zijn grafuitrusting of kenmerkende grafgiften te zien. Het is de eigen schat, het natuurlijk proces van vergankelijkheid, dat zich langzaam prijsgeeft,’ zo vertelt zij over haar foto’s. De in- en uitgangen van de graftombes geven een tipje van de sluier weer van het hedendaagse Cerveteri, van de huidige staat van de grafhuizen, wat deze representeren en wat deze in het transformatieproces van het verval openbaren.

Etrusken
Bij de tentoonstelling verschijnt het boek Etrusken. Mannen met macht – Vrouwen van aanzien. De hoofdredactie van dit rijk geïllustreerde boek was in handen van dr. Iefke van Kampen (directeur van het Museo dell’Agro Veientano in Formello, Italië) en dr. Patricia S. Lulof (universitair hoofddocent, Universiteit van Amsterdam).

ISBN 9789040078064
€ 24,95
uitgeverij Wbooks

De tentoonstelling ‘Etrusken’ is te zien van 14 oktober 2011 tot en met 18 maart 2012. Voor een bezoek aan zowel het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden als aan het Alllard Pierson Museum in Amsterdam geldt gedurende de gehele tentoonstellingsperiode een toeslag van €3,- op de reguliere entreeprijs. In het Allard Pierson Museum betaal je deze toeslag alleen als je de tentoonstelling bezoekt, in het Rijksmuseum van Oudheden geldt de toeslag voor het hele museum. Wel betaal je deze toeslag slechts in één museum. Bij een bezoek aan het andere museum vervalt de toeslag wanneer je het entreebewijs van het eerste tentoonstellingsbezoek inlevert. Kijk voor meer informatie op www.etrusken.nl

okt 03

Het prachtige Toscane oefent al decennia lang grote aantrekkingskracht uit op kunstenaars. Niet alleen vanwege de landelijke rust die er nog heerst, maar vooral ook vanwege de rijke historie van de streek. Karel Appel (1921-2006) vestigde zich er in 1989, op zijn pas verworven landgoed Villa Licia.

Geïnspireerd door de Toscaanse cultuur, natuur én zijn nieuwe omgeving maakte hij een serie grote sculpturen met overtollige huisraad van zijn eigen landgoed – de zogenoemde ‘brandstapelbeelden’ – en een serie beelden waarvoor hij objecten gebruikte uit de wijnbouw, op verzoek van de Toscaanse wijnbouwer Guilio Baruffaldi. De beelden die speciaal gemaakt werden voor locaties op diens landgoed zijn nu voor het eerst van hun plek getild en naar het Cobra Museum verplaatst.

Karel Appel — Donkey (1991)
bronze, 145 x 260 x 87 cm
Private collection Baruffaldi, Tuscany

In de unieke expositie die daar nog tot en met 15 januari plaatsvindt, worden ongeveer 20 grote beelden, keramiekobjecten en enkele landschapschilderijen van Karel Appel getoond uit de jaren die hij in Toscane doorbracht. In dezelfde expositie worden grote schilderijen, enkele tekeningen, beelden en een video getoond van de gerenommeerde Italiaanse schilder en beeldhouwer Roberto Barni (1939). Zijn eigentijdse kunst is onlosmakelijk met de Toscaanse traditie, waarin de relatie tussen mens en natuur centraal staat, verbonden.

Bij de tentoonstelling verschijnt een prachtig boekwerk, waarin dieper wordt ingegaan op de reeks beelden die Karel Appel tussen 1989 en 1999 op zijn landgoed in Toscane creëerde. Geïnspireerd door de natuur en zijn directe omgeving maakte Appel met gevonden huisraad en objecten uit de wijnbouw een reeks spectaculaire sculpturen.

Voor het eerst wordt de ontstaansgeschiedenis en betekenis van deze Toscaanse beelden in boekvorm gepubliceerd. De specifieke relatie tussen de kunstenaar en Toscane wordt in het tweede gedeelte van de publicatie nader belicht aan de hand van het oeuvre van de gerenommeerde Italiaanse schilder en beeldhouwer Roberto Barni (1939). Barni woont en werkt op een steenworp afstand van het vroegere landgoed van Karel Appel. In zijn eigentijdse werk, dat onlosmakelijk met de Toscaanse traditie verbonden is, staat de relatie tussen mens en natuur centraal. Ook Barni verwerkt in zijn sculpturen gevonden voorwerpen uit de regio.

Karel Appel — Daisies (1991)
bronze, 156 x 204 x 149 cm
Private collection Baruffaldi, Tuscany

Een stukje uit de inleiding van het boek (geschreven door Katja Weitering), dat je ofwel direct naar Toscane laat afreizen of je op zijn minst bij het Cobramuseum in Amstelveen doet belanden:

‘San Casciano Val di Pesa is zo’n typisch Toscaans dorpje met een oude stadskern dat dateert uit de dertiende eeuw. Het rustige plaatsje ligt ten zuiden van Florence en wordt omringd door het imponerende Toscaanse landschap. Het dorpje ligt op een steenworp afstand van het voormalige atelier van Karel Appel (1921-2006), de Villa Licia in het dorpje Mercatale, waar hij van 1989 tot 1999 vele zomers doorbracht.

Appel bevond zich in Toscane in goed gezelschap. Sinds de jaren zeventig waren vele kunstenaars hem voorgegaan in de keuze voor Toscane als atelier en werkgebied, waaronder Daniel Spoerri, Niki de Saint-Phalle en Fernando Botero. Ruim tien jaar later gevolgd door Jan Dibbets, Georg Baselitz en Robert Morris.

Wat zoeken hedendaagse kunstenaars in Toscane? De rust van de typische natuur, of zijn ze juist actief op zoek naar traditie? En zo ja, hoe verhoudt deze traditie zich tot het eigentijdse karakter van hun werk? Deze vragen zijn leidend geweest bij de door gastconservator Werner van den Belt geïnitieerde publicatie en de gelijknamige tentoonstelling in het Cobra Museum voor Moderne Kunst. Met Studio Toscane levert hij een eerste bijdrage aan onderzoek naar de specifieke ateliersituatie in Toscane.

De in deze regio ontstane beelden van Karel Appel vormden het vertrekpunt voor dit onderzoek. Het atelier in Toscane was van groot belang voor Appel. Hier exploreerde hij in een ontspannen setting de klassieke onderwerpen die hem gedurende zijn hele artistieke ontwikkeling dierbaar waren gebleven: het landschap, de menselijke figuur, naakten en dieren. Gestimuleerd door de aanwezige natuur en het licht ging Appel in Toscane voor het eerst sinds 1939 weer landschappen schilderen.

Karel Appel— Toscaanse horizon # 36 (1995)
oil on canvas, 200 x 260 cm
ING Collection

Bij het maken van zijn beelden liet hij zijn fantasie de vrije loop, geïnspireerd door de vondst van lokale gebruiksvoorwerpen, onder andere op het landgoed van zijn buurman, de wijnbouwer Giulio Baruffaldi. Volgens Werner van den Belt beschouwde Appel in Toscane traditie niet als iets van vroeger maar als een bruikbaar gegeven voor het heden. Het essay van Werner van den Belt gaat dan ook deels over de positie en de waarde van traditie voor de hedendaagse kunst.

Voor Italiaanse kunstenaars is de combinatie van verleden en heden, van natuur en cultuur een vanzelfsprekendheid. Deze verbondenheid loopt als rode lijn door de Italiaanse kunstgeschiedenis. Het oeuvre van de hedendaagse schilder en beeldhouwer Roberto Barni (1939) maakt dit op indringende wijze inzichtelijk. Sinds jaar en dag is het atelier van Barni in Toscane gevestigd. In het interview met Werner van den Belt staat Barni uitgebreid stil bij de kenmerkende Toscaanse identiteit van vrijheid, anarchisme en verzet tegen het gezag van de pauselijke staat. Ook het alom aanwezige roemrijke verleden en de omringende natuur komen aan bod. Al deze factoren hebben de artistieke ontwikkeling van Barni mede beïnvloed.

Ondanks het feit dat Karel Appel en Roberto Barni twee volstrekt op zichzelf staande kunstenaars zijn, levert de dialoog fascinerende parallellen op die bijdragen aan een beter begrip van de actualiteitswaarde die Toscane voor kunstenaars heeft. Voor Roberto Barni vertegenwoordigt Karel Appel een explosie van vitaliteit en vrijheid. Deze attitude vindt hij van groot belang omdat de Italiaanse cultuur volgens Barni te formeel en gesloten is en tegengesteld aan waar Appel en zijn werk voor staan.

De explosie van vitaliteit en vrijheid komt op kernachtige wijze tot uitdrukking in de fontein van Karel Appel die op het Sandbergplein voor het Cobra Museum staat. Dit bronzen beeld behoort tot een van de hoogtepunten van de beelden die in Toscane zijn ontstaan. In het beeld verwerkte Appel lokale gebruiksvoorwerpen die onder andere afkomstig waren van het landgoed van Giulio Baruffaldi.

Karel Appel— Fountain (2001)
bronze, designed after the original made in 1992, 500 x 400 x 470 cm
Collection Gemeente Amstelveen, with special thanks to KPMG

Tot op de dag van vandaag staan er nog acht, aan deze fontein verwante beelden op het landgoed van Baruffaldi. Door zijn genereuze gebaar om deze aan het museum uit te lenen, zijn wij in staat om ons werk en de bijbehorende houten sculptuur (Fountain, 1992) uit de collectie in de context van soortgelijke beelden van Karel Appel te plaatsen.

In zijn verkenning van Toscane als studio voor moderne en hedendaagse kunstenaars neemt Werner van den Belt, zoals gezegd, de Toscaanse beelden van Karel Appel als vertrekpunt. Zowel uit de bespreking van het werk van Appel als uit het daaropvolgende interview met Roberto Barni komt naar voren dat beide kunstenaars in Toscane werk hebben gemaakt dat zich ontrekt aan het vluchtige, tijdelijke moment en dat ons dichter bij het algemene menselijk verhaal brengt.’

Nieuwsgierig geworden? De tentoonstelling Studio Toscane is zoals gezegd nog tot en met 15 januari 2012 te zien in het Cobramuseum te Amstelveen.

Daarna zullen de bronzen beelden van Karel Appel te zien zijn in de tentoonstelling Hof van Appel in de in maart 2012 te openen beeldentuin ‘Cobra buiten’ bij Kasteel Keukenhof. De Avro besteedt in drie afleveringen van het tv programma Kunstuur aandacht aan Studio Toscane en aan de tentoonstelling Hof van Appel. De eerste uitzending vindt plaats op 19 november aanstaande.

Het boek dat bij de tentoonstelling hoort is o.a. in de museumwinkel te koop, maar ook online te bestellen.

Studio Toscane: Karel Appel en Roberto Barni
Els Ottenhof & Werner van den Belt
ISBN 9789461300300
€ 19,90
uitgeverij Ludion

preload preload preload